Conclusie
advocaat: mr. J. van Weerden
advocaat: mr. J.H. van Gelderen
1.Feiten en procesverloop
[verweerders] zijn eigenaars van het appartementsrecht dat recht heeft op het uitsluitend gebruik van de woningen gelegen op de eerste, tweede en derde verdieping ( [a-straat 1a t/m e] ). [2] De drie woonlagen zijn onderverdeeld in vijf wooneenheden, waarvan drie met balkons aan de achterzijde. [verweerders] verhuren deze wooneenheden. [eiser] is eigenaar van het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de winkel/bedrijfsruimte gelegen op de begane grond ( [a-straat 1] ). [3]
[A]). [A] exploiteerde op de percelen een garage en benzinepomp. Bij een verbouwing in 1969 is de (deels open) ruimte tussen de bebouwing aan de [a-straat] en de bebouwing aan de [b-straat] overdekt.
de splitsingsakte) [7] heeft [A] de [a-straat] gesplitst in appartementsrechten. In de splitsingsakte is – voor zover relevant – het volgende bepaald:
Bij akte van 2 juli 2001 heeft Altimo B.V. het appartementsrecht met betrekking tot de [a-straat 1a t/m e] (nummer [003-2] ) geleverd aan [verweerders] [8] Bij akte van 1 november 2010 heeft [betrokkene 1] aan [eiser] geleverd: (i) het appartementsrecht met betrekking tot de [a-straat 1] (nummer [003-1] ) en (ii) de garage met ondergrond aan de [b-straat 1] (nummer [004] ). [9]
primairte veroordelen om de nieuwbouw volledig af te (doen) breken en te (doen) verwijderen, de wijzigingen van het plat volledig ongedaan te (doen) maken, en [a-straat 1] [003-1] en het plat in overeenstemming met de splitsingsakte en de splitsingstekening te (doen) brengen;
subsidiairte veroordelen om ieder gebruik van het plat te (doen) beëindigen, de wijzigingen van het plat volledig ongedaan te (doen) maken, de staat van het plat te (doen) (terug)brengen in overeenstemming met de splitsingsakte en -tekening, alsmede het gehele plat weer te (doen) bedekken met daarvoor geschikte terrastegels;
daarnaast althans subsidiairte veroordelen tot vergoeding aan [verweerders] van alle schade die zij door zijn onrechtmatig handelen hebben geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [13]
open de balkons zich
overde erfgrens. Daarmee zijn die ramen en balkons in strijd met art. 5:50 BW Pro, hetgeen onrechtmatig is. Dit brengt met zich dat in beginsel de balkons verwijderd en de ramen (waaronder mede de deuren van de balkons en de deuren die toegang bieden op het plat) hetzij verwijderd, hetzij vastgezet en ondoorzichtig gemaakt moeten worden in de zin van art. 5:51 BW Pro (rov. 4.31);
- de balkons, inclusief de balkonpalen, aan de achtergevel van de nieuwbouw te verwijderen;
- de vensters (en deuren) in de achtergevel van de nieuwbouw vast te zetten en ondoorzichtig te maken;
- de terrasvlonders te verwijderen;
- het deel van het plat waarop zich de terrasvlonders hebben bevonden, te bedekken met daarvoor geschikte terrastegels, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag dat hij met één of meer van deze veroordelingen in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000;
in conventieen, opnieuw rechtdoende, [verweerders] niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen in conventie, althans deze vorderingen integraal af te wijzen, althans te matigen. [19]
in conventiezal vernietigen, voor zover het betreft de veroordelingen onder 5.1, 5.2 en 5.4 en, opnieuw rechtdoende, (samengevat) voor recht zal verklaren dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door de (gehele) nieuwbouw uit te (doen) voeren en [eiser]
primairzal veroordelen tot afbraak en tot medewerking aan het wijzigen van de kadastrale perceelsgrens,
subsidiairen voorwaardelijk [eiser] te veroordelen als onder 5.2 van het vonnis en in aanvulling daarop te veroordelen tot verwijdering van de ventilatieschacht op straffe van een dwangsom en te veroordelen tot vergoeding van alle schade, op te maken bij staat. Verder hebben [verweerders] gevorderd het vonnis
in reconventiete vernietigen voor wat betreft de veroordelingen onder 5.5 en 5.6 en opnieuw rechtdoende deze vorderingen af te wijzen. [20]
grieven A t/m C in het incidenteel appel, die pleiten voor afbraak van de gehele nieuwbouw, en oordeelt dat deze grieven falen (rov. 9-11). In dit verband overweegt het hof in rov. 10 dat in hoger beroep vaststaat dat de erfgrens langs de achtergevel van de nieuwbouw aan de [b-straat] loopt.
grieven II en V in het principaal appel, waarmee [eiser] heeft aangevoerd dat [verweerders] ten onrechte ontvankelijk zijn verklaard omdat – kort gezegd – sprake is van deelgenoten in een gemeenschap en [verweerders] niet namens de gemeenschap optreden, falen. Het hof overweegt in dit verband, voor zover relevant:
grieven I, III en IV in principaal appel, die opkomen tegen de veroordeling tot verwijdering (c.q. het vastzetten en ondoorzichtig maken) van de balkons, ramen en deuren, heeft het hof, voor zover relevant in cassatie, als volgt overwogen:
ramenop gewezen dat [verweerders] (althans de huurders) geen onrechtmatig uitzicht kunnen ervaren nu de appartementen zich op ongeveer zes meter van de achtergevel van de [b-straat] bevinden. Deze stelling wordt verworpen nu de rechtbank tijdens de plaatsopneming heeft geconstateerd dat de inkijk aanzienlijk is (welk oordeel door het hof op basis van de aan het proces-verbaal gehechte foto’s ook wordt onderschreven) en [eiser] daar (thans) onvoldoende tegenin heeft gebracht. (…)
Voorts heeft [eiser] met betrekking tot de
balkonsgewezen op de mogelijkheid van minder ingrijpende maatregelen zoals een ondoorzichtige omheining op de balkons tot een hoogte dat de overburen aan het zicht worden onttrokken.
Met deze stellingen verliest [eiser] echter uit het oog dat het [verweerders] niet alleen te doen is om het uitzicht vanaf de balkons maar dat zij zich ook erop hebben beroepen dat [eiser] in strijd handelt met het exclusieve gebruiksrecht van [verweerders] op het plat. Ook als de grief op dit punt zou slagen, blijft gelden dat de rechtbank in r.o. 4.41 van het bestreden vonnis heeft geoordeeld dat [eiser] inbreuk maakt op het gebruiksrecht van het plat, reden waarom de balkonconstructie (eveneens) verwijderd moet worden. Tegen dat oordeel op zichzelf heeft [eiser] geen grieven gericht zodat het hof daar vanuit moet gaan. Wel heeft [eiser] in dat verband gesteld dat sprake is van misbruik van recht omdat [verweerders] het plat nooit hebben gebruikt. Het hof volgt dat betoog niet: de omstandigheid dat (de huurders van) [verweerders] het plat nooit hebben gebruikt geeft [eiser] nog niet zonder meer het recht dat exclusieve gebruiksrecht te doorkruisen. Ten overvloede merkt het hof nog op dat art. 5:50 BW Pro ruim moet worden uitgelegd in die zin dat deze bepaling ook ziet op de situatie (zoals hier) waarbij sprake is van balkons die over de erfgrens hangen. Tot slot geldt dat de vordering tot verwijdering ook toewijsbaar is op grond van de splitsingsakte jo. art. 5:108 BW Pro nu sprake is van een wijziging in de bouw of inrichting van de bouw. De grieven I, III en IV in het principaal appel falen dan ook.”
grief D in incidenteel appelgeen bespreking behoeft (rov. 16), en dat
grief E in incidenteel appel, die is gericht tegen de afwijzing van de vordering tot verwijdering van de ventilatieschacht, niet slaagt (rov. 17).
grief F in incidenteel appel, waarmee [verweerders] hebben aangevoerd dat het hen ten onrechte is verboden om het niet verstevigde deel van het plat als terras te gebruiken, faalt volgens het hof. In dit verband merkt het hof in rov. 19 op dat het verbod slechts tijdelijk van aard is, namelijk totdat het plat afdoende gerepareerd is.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1heeft betrekking op het oordeel van het hof dat vast staat dat de ramen binnen twee meter van de erfgrens liggen en de balkons zelfs daaroverheen (rov. 15).
Onderdeel 2ziet op de verwerping van het beroep van [eiser] op misbruik van recht (rov. 15) en op het oordeel dat de vordering tot verwijdering van de balkonconstructie toewijsbaar is op grond van art. 5:108 BW Pro (rov. 15, slot).
Onderdeel 3keert zich tegen de overweging van het hof dat het door de rechtbank uitgesproken verbod tot gebruik van het plat als terras slechts van tijdelijke aard is (rov. 19).
Onderdeel 4ziet op de uitvoerbaarverklaring bij voorraad (rov. 21 en het dictum).
ambtshalveop overeenkomstige wijze moeten bepalen: met het oog op de te beschermen privacy van en de gebruiksrechten van [verweerders] als appartementseigenaars. Althans had hof volgens het subonderdeel de erfgrens op deze wijze moeten bepalen naar aanleiding van hetgeen [eiser] in zijn memorie van grieven heeft aangevoerd [23] , waaronder de stelling dat de vensters zich bevinden “
verder dan twee meter van de grens van het appartementsrecht van geïntimeerden” (MvG, nr. 38). Omdat de privacy waarin [verweerders] wensen te worden beschermd, is gesitueerd in de aan [verweerders] toebehorende appartementen, dient de te hanteren grens van het erf van [verweerders] te worden bepaald op de buitenzijde van de ramen in hun appartementen. [eiser] heeft in appel onbestreden gesteld dat de afstand tussen de ramen van de appartementen van het pand aan de [b-straat 1] en de ramen van de appartementen van [verweerster 1] aan de [a-straat] ongeveer zes meter bedraagt. [24] Het hof heeft de juistheid van deze stelling in het midden gelaten, zodat in cassatie veronderstellenderwijs van de juistheid van deze stelling dient te worden uitgegaan. Volgens het subonderdeel dient er daarom in cassatie vanuit te worden gegaan dat de privacy van [verweerders] niet is of kan worden geschonden door de in het pand aan de [b-straat 1] aanwezige ramen. [25]
subonderdeel 1.2(procesinleiding, nrs. 1.2.1-1.2.4) onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof onvoldoende kenbare aandacht heeft besteed aan de in subonderdeel 1.1 genoemde relevante stellingen van [eiser] . [26] Daarmee heeft [eiser] immers onmiskenbaar gewezen op (i) de verschillende in het gebouw [a-straat 1] aanwezige belangen om toestemming te geven of te onthouden aan de ramen in het gebouw aan de [b-straat 1] , en (ii) de afstand van ongeveer zes meter tussen het pand aan de [b-straat 1] en de appartementen van [verweerders] in het pand aan de [a-straat 1] .
de grenslijn van een naburig erf. [27] Het komt dus aan op de afstand tussen de grenslijn van dat naburige erf en de vensters e.d. in kwestie. [28] Doorgaans zal de grenslijn van dat naburige erf samenvallen met die van het erf waarop zich de vensters e.d. bevinden, maar noodzakelijk is dit niet. [29] Ook als zich een strookje grond van een derde tussen de erven bevindt, kan de eigenaar van het naburige erf zich tegen de aanwezigheid van vensters e.d. verzetten. [30]
open de balkons zich
overde erfgrens bevinden, aangezien de erfgrens loopt op de buitenzijde van de achtergevel van de bebouwing aan de [b-straat] ;
grief II en Vin het principaal appel) aangevoerd dat [verweerders] ten onrechte ontvankelijk zijn verklaard nu hier sprake is van deelgenoten in een gemeenschap en de wijze waarop de gemeenschappelijke eigenaars richting derden kunnen worden vertegenwoordigd is geregeld in art. 3:171 BW Pro. Indien een deelgenoot in een gemeenschap optreedt, treedt hij dus ook op namens de andere deelgenoten en moet hij dat kenbaar maken, temeer omdat de deelgenoten hier verschillende belangen hebben. (…). [40]
grief Iin het principaal appel heeft de rechtbank geoordeeld zonder een daaraan ten grondslag liggende vordering, waardoor [eiser] ernstig is benadeeld. Op geen enkele wijze was op te maken dat een beroep werd gedaan op het burenrecht (art. 5:50 of Pro 5:54 BW). (…) Ook als de vordering wel ingesteld zou zijn, kan het oordeel niet in stand blijven. De wet stelt immers dat balkons moeten worden verwijderd voor zover deze uitzicht geven op het erf en voor zover de eigenaar van het aangrenzende erf (de gemeenschappelijke eigenaren van [a-straat 1] ) geen toestemming heeft verleend. Of deze wel of niet toestemming hebben verleend, is niet bekend. [41] Ten aanzien van het zicht geldt dat de omheining van de balkons zou kunnen worden verhoogd zodat er geen zicht meer bestaat op het aangrenzende erf. De ramen zouden voorts ondoorzichtig gemaakt kunnen worden. [eiser] is hiertoe echter niet gehouden omdat dit niet aan de vordering ten grondslag is gelegd.
ten aanzien van de ramenop heeft gewezen dat [verweerders] (althans de huurders) geen onrechtmatig uitzicht kunnen ervaren, nu de appartementen zich op ongeveer zes meter van de achtergevel van de [b-straat] bevinden. Het hof heeft deze stelling van [eiser] verworpen, omdat de rechtbank tijdens de plaatsopneming heeft geconstateerd dat de inkijk aanzienlijk is (hetgeen het hof op basis van de aan het proces-verbaal gehechte foto’s onderschrijft) en [eiser] daar onvoldoende tegenin heeft gebracht.
misbruik van recht, zijn stelling beoordeeld dat (de huurders van) [verweerders] geen onrechtmatig uitzicht kunnen ervaren, omdat de appartementen zich op ongeveer zes meter van de achtergevel van de [b-straat] bevinden.
‘geen onrechtmatig uitzicht kunnen ervaren’(MvG, nr. 49). Daarmee heeft [eiser] mijns inziens niet (voldoende duidelijk) aangevoerd dat geen sprake is van schending van de twee meter grens uit art. 5:50 BW Pro, omdat voor de afstand tot de erfgrens moet worden gekeken naar de afstand tot de grens van het appartementsrecht van [verweerders] Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof het beroep op de afstand slechts heeft beoordeeld in het kader van het beroep van [eiser] op misbruik van recht.
voor de balkonsdat het hof in rov. 15 overweegt dat [eiser] geen grieven heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [eiser] met de balkonconstructie inbreuk maakt op het exclusieve gebruiksrecht van het plat van [verweerders] , en dat de balkonconstructie ook om deze reden verwijderd moet worden, zodat het hof van dit oordeel uit moet gaan. Dit betreft een zelfstandig dragende overweging van het hof, waartegen in cassatie geen klacht is gericht. Voor zover de klachten uit onderdeel 1 betrekking hebben op de vordering tot verwijdering van de balkonconstructie, heeft [eiser] dus geen belang bij de klachten.
eerste klachtberust op de lezing dat het hof het betoog van [eiser] aldus heeft opgevat dat [eiser] het recht heeft om het exclusieve gebruiksrecht van [verweerders] te doorkruisen. Dit heeft [eiser] niet gesteld, zodat het hof met zijn oordeel niet het betoog van [eiser] weerlegt.
voortsde klacht bevat dat het hof in rov. 12 ten onrechte gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat [eiser] de rechthebbende is op het andere appartementsrecht (procesinleiding, nr. 2.2.6), faalt deze eveneens. Zij richt zich immers tegen een overweging ten overvloede.
zolang er geen bouwkundige aanpassingen hebben plaatsgevonden die een veilig gebruik zonder dat schade wordt veroorzaakt aantoonbaar mogelijk maken[onderstreping A-G]
zolang dat niet geschikt is gemaakt voor zodanig gebruik(rov. 5.6).