Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 20 juni 2017
[verzoekster],
BCD Travel Nederland B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
In de beschikking waarvan beroep heeft de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.6 een aantal feiten vastgesteld. De door de kantonrechter in de bestreden beschikking vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
“BCD Travel zal aan ANWB de volgende bedragen betalen:
‘Sinds 2006 ben ik medewerker bij de ANWB Alarmcentrale. In datzelfde jaar heeft BCD medewerker [leidinggevende] mij aangeboden om een privéreis naar Lissabon te boeken op basis van een punten programma van Lufthansa. De ticketkosten van de TAP zijn voldaan met behulp van dit punten programma. De tax is voldaan met mijn eigen creditcard. Ik heb hier geen afschrift meer van.
“De auteur vraagt verder wat het karakter is van de billijke vergoeding op grond van artikel 7:683, derde lid, BW. Het betreft hier uitdrukkelijk niet een billijke vergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Hier wordt de rechter de mogelijkheid geboden om in plaats van het de werkgever opdragen om de arbeidsrelatie te herstellen, een billijke vergoeding toe te kennen. De rechter kan in hoger beroep op verzoek maar ook ambtshalve hiertoe overgaan. Deze mogelijkheid is geïntroduceerd vanwege het feit dat voordat een uitspraak in hoger beroep wordt gedaan zo veel tijd kan zijn verstreken dat het daadwerkelijk herstellen van de arbeidsovereenkomst niet meer in de rede ligt. Dat kan aan de orde zijn als de werknemer inmiddels een nieuwe baan heeft gevonden maar ook bijvoorbeeld omdat herstel een onevenredig grote belasting zou zijn voor de werkgever omdat deze laatste bijvoorbeeld inmiddels een nieuwe kracht heeft aangenomen. In de hoogte van deze billijke vergoeding moet dan ook tot uitdrukking komen dat, de omstandigheden van het geval in ogenschouw nemend, de vergoeding een alternatief is voor herstel van de arbeidsrelatie.”.(Kamerstukken I, 2013/14, 33818, C, p. 115).
.Daarvan dient te worden onderscheiden de situatie dat het ontslag op staande voet weliswaar niet rechtsgeldig is gegeven, zoals in het onderhavige geval vanwege het ontbreken van een dringende reden, maar er wel een redelijke grond is voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW Pro. Indien BCD, in plaats van [verzoekster] op staande voet te ontslaan, ervoor had gekozen een ontbindingsverzoek in te dienen, zou dit naar het oordeel van het hof de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg hebben gehad. Het hof is van oordeel dat de billijke vergoeding in die situatie het gemis aan loondoorbetaling gedurende de te doorlopen ontbindingsprocedure tot aan de (te verwachten) beëindigingsdatum behoort te compenseren.
NJ1999/548) en [verzoekster] heeft uit hoofde van haar functie en in de uitoefening van haar werkzaamheden de mogelijkheid van haar leidinggevende gekregen om privéreizen te kunnen (laten) boeken met de Benefit Points. Van het bijvoorbeeld per abuis doen van een verkeerde boeking is in dit geval geen sprake. Daarnaast gaat het om een – al dan niet onbewust – toegebrachte schade aan de werkgever, waarvan [verzoekster] zelf profijt heeft gehad in de vorm van ‘goedkoop’ reizen. Dit alles brengt met zich dat [verzoekster] een deel van de door BCD geleden schade dient te vergoeden. Van verjaring van de vordering van BCD is geen sprake. Anders dan [verzoekster] betoogt, is niet een deel van de vordering verjaard omdat een aantal van de reizen langer dan vijf jaar geleden is gemaakt. De vordering van BCD op [verzoekster] is pas ontstaan op het moment dat BCD haar klant ANWB schadeloos heeft gesteld voor de gebruikte Benefit Points.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [verzoekster] om aan BCD te betalen een bedrag groot € 10.782,- (netto) ter zake van schadevergoeding;
- veroordeelt BCD in de kosten van de eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 79,- aan griffierecht en 400,- aan salaris gemachtigde;
- veroordeelt BCD in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 314,- aan griffierecht en € 1.788,- (2 punten tarief II) aan kosten van de advocaat;