ECLI:NL:GHARL:2026:849

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
23/2660 en 23/2661
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtHR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:822HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:673
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM en afschrijving auto’s

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM voor zeven auto’s, waaronder een Alpina D5 en een BMW 750i Xdrive. De Rechtbank Noord-Nederland had de aanslag verminderd, maar belanghebbende ging in hoger beroep tegen de hoogte van de naheffing voor deze twee auto’s.

De kern van het geschil betrof de juiste berekening van de afschrijving en de toepassing van koerslijsten voor de waardebepaling. Belanghebbende stelde dat de historische nieuwprijs moest worden gebaseerd op de BPM voor de te registreren auto, niet op die van referentieauto’s. Het Hof oordeelde dat voor de Alpina geen koerslijst kon worden toegepast omdat het merk niet voorkomt in de lijsten, waardoor alleen de forfaitaire afschrijvingstabel geldt.

Verder werd betwist of de kostenvergoeding voor bezwaar en beroep correct was toegekend. Het Hof oordeelde dat de kostenvergoeding voor bezwaar onherroepelijk was vastgesteld en dat de rechtbank terecht een factor 1,5 toepaste voor samenhangende zaken bij de beroepskosten. Het Hof veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten van de hogerberoepsfase en het griffierecht.

Uiteindelijk vernietigde het Hof de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze de naheffingsaanslag betrof, bevestigde de overige onderdelen, en verminderde de naheffingsaanslag tot €4.197. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM verminderd tot €4.197 met veroordeling van de Inspecteur in proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/2660 en 23/2661
uitspraakdatum: 10 februari 2026
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 3 augustus 2023, nummer LEE 22/300 en 22/301, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ter zake van zeven auto’s voor een totaalbedrag van € 6.307. Daarbij is € 37 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 6.081, de belastingrentebeschikking verminderd tot € 36 en een bezwaarkostenvergoeding toegekend van € 795.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.328, de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade toegekend van respectievelijk € 2.511, € 365 en € 1.500.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder in de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor een zevental personenauto’s - waaronder een Alpina D5 (auto 1) en een BMW 750i Xdrive (auto 2) - op aangifte bedragen aan BPM voldaan. Bij de aangiften zijn taxatierapporten gevoegd waarin herstelkosten zijn gecalculeerd. Deze herstelkosten zijn (deels) als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde die is gebaseerd op koerslijsten.
2.2.
De Inspecteur heeft voor de auto’s 1 en 2 een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van deze onderzoeken zijn rapporten opgemaakt. In deze rapporten zijn geen herstelkosten gecalculeerd. Wat betreft de auto’s 1 en 2 heeft de Inspecteur, na bezwaar, de naheffingsaanslag BPM als volgt berekend:
Alpina (auto 1)
BMW 750i (auto 2)
Catalogusprijs
€ 98.813
€ 158.245
BPM
(CO2 144 gr/km) 13.879
(CO2 189 gr/km) 24.959
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
112.692
183.204
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Xray)
€ 33.955
€ 75.231
Schade
-/- 171
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
33.955
75.06
Afschrijving
69,87%
59,03%
Historische BPM
(CO2 163 gr/km) € 18.797
(CO2 194 gr/km) € 27.249
Afschrijving
(69,87%) -/- 13.133
(59,03%) -/- 16.085
= Verschuldigde BPM
5.664
11.164
Extra leeftijdskorting
-/- 522
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 4.635
-/- 9.657
Naheffingsaanslag
€ 1.029
€ 985
2.3.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van in totaal € 4.328. Wat betreft de auto’s 1 en 2 heeft de Rechtbank de bij uitspraak op bezwaar verminderde naheffing in stand gebleven.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag, voor zover deze betrekking heeft op de auto’s 1 en 2, tot een juist bedrag is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
(i) dat voor het berekenen van de afschrijving van de auto’s 1 en 2 de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van respectievelijk 163 en 194 gr/km) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto’s (met een CO2-uitstoot van respectievelijk 144 en 189 gr/km) is verschuldigd;
(ii) dat de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar ten onrechte een ‘lage’ puntwaarde heeft gehanteerd; en
(iii) dat de Rechtbank bij de kostenvergoeding voor beroep zowel voor het gewicht van de zaak als voor het aantal samenhangende zaken een factor 1,5 had moeten toekennen.
3.3.
Volgens de Inspecteur dient het hoger beroep wat betreft auto 2 gegrond te worden verklaard en de naheffing ter zake van deze auto, overeenkomstig het standpunt (i) van belanghebbende, te worden verminderd tot € 854. De naheffingsaanslag wordt daardoor verminderd tot een totaalbedrag van € 4.328 minus (€ 985 minus € 854), ofwel € 4.197.
3.4.
Voor auto 1 neemt de Inspecteur het standpunt in dat voor de afschrijving de koerslijst niet kan worden toegepast omdat deze auto (merk Alpina) niet voorkomt in de koerslijsten. Dat betekent dat alleen de forfaitaire afschrijvingstabel kan worden toegepast. In dat geval is de naheffing ter zake van auto 1 zeker niet te hoog.
3.5.
Beide partijen concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de naheffingsaanslag.

4.Beoordeling van het geschil

Toepassing koerslijst auto 1 (Alpina)
4.1.
In hoger beroep betoogt belanghebbende dat ter bepaling van het afschrijvingspercentage van auto 1 (Alpina D5 Biturbo Touring) de historische nieuwprijs mede moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM (€ 18.797) dat voor deze auto is verschuldigd en dat voor de handelsinkoopwaarde dient te worden aangesloten bij de koerslijst X-Ray marge voor een BMW 5-serie Touring 535d High Executive (hierna: de referentieauto). De Inspecteur betwist de toepassing van de koerslijst.
4.2.
De mogelijkheid om de afschrijving van een te registreren motorrijtuig te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst, is beperkt tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de in de koerslijst opgenomen bijbehorende waarde een representatieve benadering van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig oplevert. [1]
4.3.
Belanghebbende heeft ter zitting erkend dat het merk Alpina niet voorkomt in de koerslijsten en dat om die reden toepassing van de koerslijst niet aan de orde kan zijn. Volgens belanghebbende kan niettemin de koerslijst Xray marge wordt gebruikt ter bepaling van de afschrijving, nu de Inspecteur deze koerslijst heeft gebruikt bij het vaststellen van de naheffingsaanslag en bij het doen van de uitspraak op bezwaar. Dit betoog kan niet slagen. Het gebruik van de koerslijst bij het vaststellen van de naheffingsaanslag brengt namelijk niet mee dat het de Inspecteur niet zou vrijstaan om in een gerechtelijke procedure de toepassing van de koerslijst te betwisten. [2] Van in rechte te beschermen vertrouwen is geen sprake.
4.4.
Nu ter bepaling van de afschrijving niet met vrucht een beroep op de koerslijst kan worden gedaan, mist belanghebbendes betoog dat de historische nieuwprijs mede moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto is verschuldigd, betekenis.
4.5.
In dat geval resteert een afschrijving met gebruikmaking van de forfaitaire afschrijvingstabel. Een dergelijke afschrijving (van 60,33%) leidt echter niet tot een vermindering van de naheffingsaanslag, die is gebaseerd op een afschrijving van 69,87%.
Proceskosten bezwaarfase
4.6.
Belanghebbende heeft (voor het eerst) ter zitting van het Hof gesteld dat, gelet op HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, de Inspecteur bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar ten onrechte een puntwaarde van € 265 heeft gehanteerd.
4.7.
Belanghebbende heeft de door de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding in beroep bij de Rechtbank niet bestreden. Haar grieven zagen louter op de naheffingsaanslag. Dit betekent dat de beslissing van de Inspecteur inzake de kostenvergoeding in bezwaar met zijn uitspraak op bezwaar onherroepelijk is komen vast te staan. Alsdan kan die beslissing niet voor het eerst in hoger beroep tot voorwerp van het geschil worden gemaakt. [3] Dat in dit geval het Hof overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur de naheffingsaanslag vermindert (zie 3.3), brengt - anders dan belanghebbende betoogt - niet mee dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase in hoger beroep wel voorwerp van geschil kan worden gemaakt.
Proceskosten beroepsfase
4.8.
In het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank is het volgende opgemerkt:
“Rechter:
Voor de beroepsfase zie ik twee proceshandelingen: het beroepschrift en het bijwonen van de zitting. Wat hier verder speelt, is het punt van de samenhang en het gewicht van de zaken. Ik stel het volgende voor: er is sprake van samenhangende zaken, en als sprake is van vier of meer gegronde beroepen, dan is het gewicht 1,5. Als sprake is van minder dan vier gegronde beroepen, dan is het gewicht 1. Bent u akkoord met dit voorstel?
[Gemachtigde]:
Akkoord.
[Inspecteur]:
Ook akkoord.”
4.9.
In de uitspraak heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding toegekend van € 2.511 (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, factor 1,5, waarde per punt € 837).
4.10.
Belanghebbende betoogt dat op basis van hetgeen ter zitting is besproken, zowel op grond van het gewicht van de zaak als op grond van het aantal samenhangende zaken een factor 1,5 had moeten worden toegepast. Dit betoog berust op een onjuiste lezing van het proces-verbaal van de zitting. Hoewel belanghebbende kan worden toegegeven dat het gebruik van de term ‘gewicht’ tot enige onduidelijkheid leidt, kan uit de context worden afgeleid dat de rechter uitsluitend vanwege het aantal samenhangende zaken een factor 1,5 heeft willen toekennen, en niet daarnaast ook nog een factor 1,5 voor het gewicht van de zaak. Deze uitleg vindt bevestiging in het dictum van de uitspraak van de Rechtbank waarin slechts éénmaal een factor 1,5 is toegepast. Het betoog van belanghebbende kan daarom niet slagen.
Slotsom
Gelet op het overwogene in 3.3. wordt het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548.
5.2.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.868 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934).
5.4.
Wat betreft de vergoeding voor de ‘comparitiefase’ in hoger beroep (zie onderdeel 1.6) ziet het Hof aanleiding artikel 2, lid 3, Bpb toe te passen. Het Hof heeft in die comparitiefase vele zaken (ongeveer honderd) gezamenlijk behandeld met het oog op het structureren van de vele aanhangige hogerberoepsprocedures van de gemachtigde en de Inspecteur door (te pogen om te komen tot) het maken van werkafspraken. De verschillende zaken zelf zijn daarbij niet inhoudelijk behandeld. Deze bijzondere omstandigheden in aanmerking genomen, zou het vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem van het Bpb voor de comparitiefase waarin twee zittingen zijn gehouden en verschillende stukken zijn gewisseld naar het oordeel van het Hof leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft (vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127). Daarom kent het Hof voor de comparitiefase per (samenhangende) zaak een vergoeding van € 400 toe.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend wat betreft naheffingsaanslag;
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.197;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de hogerberoepsfase tot een bedrag van € 2.268; en
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende bij het Hof betaalde griffierecht van € 548 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
De griffier, De raadsheer,
(K. de Jong-Braaksma) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.2.4.
2.Vgl. HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:822, r.o. 3.1.4.
3.Vgl. HR 25 april 2025 ECLI:NL:HR:2025:673 en HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:419.