Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 2011 tot en met 2014, gebaseerd op het standpunt dat hij inkomsten genoot uit het verzorgen van belastingaangiften voor derden. De Inspecteur stelde dat belanghebbende een administratie moest overleggen, maar deze ontbrak. Na een informatiebeschikking van de Inspecteur stelde het hof vast dat belanghebbende bedrijfsmatige activiteiten verrichtte en dus administratieplichtig was, en verplichtte hem alsnog binnen zes weken de administratie te verstrekken.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende achteraf alsnog aan de administratieplicht kan voldoen. De administratieplicht vereist dat de administratie te allen tijde duidelijk en regelmatig wordt bijgehouden, waardoor achteraf voldoen niet mogelijk is als deze plicht is geschonden. Het hof had daarom niet mogen bepalen dat belanghebbende binnen een termijn alsnog moest voldoen.
Verder bevestigt de Hoge Raad dat de vraag of belanghebbende ondernemer is in de zin van de Wet IB 2001 relevant is voor de administratieplicht en dat de Inspecteur in bezwaar en beroep andere kwalificaties mag aanvoeren dan bij het opleggen van de aanslagen, tenzij dit de procesorde schaadt. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het belanghebbende een termijn gaf om alsnog te voldoen en draagt de Inspecteur op het griffierecht te vergoeden.