Uitspraak
1.[appellanten zaak1]
[appellanten zaak1]
1.[geïntimeerden]
[geïntimeerden]
1.[geïntimeerden] en
1.[appellanten zaak3] en
1.[geïntimeerden] en
1.Het verdere verloop van de procedures in hoger beroep
2.De kern van de zaak
[geïntimeerden] heeft verwijdering gevorderd van de bouwwerken, dan wel terugbrenging daarvan tot de toegestane inhoud van twee kubieke meter en hoogte van één meter.
Die vorderingen zijn door de rechtbank toegewezen.
Het hof is het daarmee eens, voor zover de bouwwerken op de grond staan waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd, en wijst daarom (in zoverre) het door [appellanten zaak1] , [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] tegen de beslissing van de rechtbank ingestelde hoger beroep af. Het hof zal een termijn van zes maanden geven om het deel van de bouwwerken, dat niet in overeenstemming is met de uit de erfdienstbaarheid voortvloeiende verplichting, te verwijderen. Dat wordt hierna toegelicht.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
In die akte is ook een reglement opgenomen, waarin bepalingen staan over het beheer van de mandelige grond.
Artikel 6 van Pro het reglement luidt als volgt:
“het park met groenvoorzieningen, de weg en een voetpad, straatverlichting en riolering op het [woonwijk] te [woonplaats] , en het om dit terrein geplaatste hekwerk (…)”.
“Brief [naam1] & [naam2] .
zo tezamen als ieder afzonderlijk” aangemerkt.
Er is gelijktijdig een erfdienstbaarheid gevestigd, die is omschreven in artikel 7b van de akte. Deze bepaling luidt als volgt:
(…)
op het gekochte mag geen zwembad worden aangelegd, en er mag daarop geen tuinhuisje garage of ander bouwsel worden opgericht met een inhoud van meer dan twee kubieke meter en/of een hoogte van meer dan een meter, ook al zou dit volgens een vigerend bestemmingsplan wel mogelijk zijn.
(…)”
[appellant zaak2] heeft in de periode 2015-2017 een tuinhuis geplaatst, die voor iets meer dan de helft (1,80 meter) op de grond staat waar de erfdienstbaarheid op rust en hoger is dan een meter. Hij heeft ook als erfafscheiding met zijn buren aan beide zijden schuttingen geplaatst die hoger zijn dan één meter en voor ongeveer de helft op de grond staan waar de erfdienstbaarheid op rust.
De hoofdregel van de wet is dus dat iedere deelgenoot afzonderlijk een rechtsvordering ten behoeve van de gemeenschap kan instellen, tenzij er een specifieke regeling is die het beheer toekent aan een of meer deelgenoten. Dan kunnen alleen die deelgenoten die in de specifieke regeling genoemd zijn rechtsvorderingen ten behoeve van de gemeenschap instellen.
Het staat deelgenoten vrij om een andere regeling op te stellen, die afwijkt van wat hierover in de wet staat.
Het beheer over de mandelige grond is bij akte van 4 juli 2003 toegekend aan de stichting Beheer [woonwijk] . Deze stichting is echter geen deelgenoot, zodat niet voldaan is aan het criterium van artikel 3:171 BW Pro.
Dit betekent dat iedere deelgenoot van de mandelige grond afzonderlijk bevoegd is om rechtsvorderingen ten behoeve van deze mandelige grond in te stellen.
Daarbij wordt opgemerkt dat slechts alle deelgerechtigden tezamen, dus inclusief [geïntimeerden] , bevoegd zijn om de gevestigde erfdienstbaarheid te wijzigen of daarvan afstand te doen.
De zojuist genoemde omstandigheid kan ook niet tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerden] de onderhavige rechtsvorderingen instelt. [geïntimeerden] handelt ook niet in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de deelgenoten jegens elkaar in acht moeten nemen.
Het tuinhuis van [appellant zaak2] staat voor ongeveer de helft op de grond waar de erfdienstbaarheid op rust en is daardoor voor zover dat deel van het tuinhuis een inhoud heeft van meer dan twee kubieke meter en/of hoger is dan één meter met die erfdienstbaarheid in strijd. Dit geldt ook voor de schuttingen, voor zover die hoger zijn dan één meter en op de grond staan waar de erfdienstbaarheid op rust.
[geïntimeerden] heeft dit bijgebouw immers geplaatst op het deel van zijn tuin dat niet toebehoorde aan de mandeligheid, zodat daarop geen erfdienstbaarheid rust. Dat de tuin van [geïntimeerden] daardoor niet een volledig groen karakter heeft mag zo zijn, maar de erfdienstbaarheid strekt er juist toe dat het
achterste deelvan de tuinen van de eigenaren van de villa’s een volledig groen karakter blijft behouden.
Dat [geïntimeerden] jarenlang niet zou hebben geprotesteerd tegen de bouwwerken maakt evenmin dat daarmee de bevoegdheid om dat op een gegeven moment wel te doen niet meer bestaat, of dat er dan misbruik wordt gemaakt van die bevoegdheid.
bouwsel worden opgericht met een inhoud van meer dan twee kubieke meter en/of een hoogte van meer dan een meter”. De omstandigheid dat de keermuur een U-vorm zou hebben en dat deze U-vorm vervolgens kan worden opgevuld met aarde of zand, betekent niet dat de opvulling als een bouwsel kan worden gezien. Nu [appellanten zaak1] zijn keermuur heeft verlaagd tot een hoogte van één meter, voldoet dit bouwwerk aan de maximale afmetingen zoals vermeld in de akte van 30 september 2005 waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd.
Het hof sluit hiervoor weer aan bij uitlegmaatstaf zoals vermeld in 3.16 van dit arrest. De akte van vestiging van de erfdienstbaarheid geeft geen peilpunt voor de maximaal toegestane hoogte van aan te brengen bouwwerken. Het hof kan uit de akte daarom niet anders opmaken dan dat die hoogte moet worden gemeten vanaf de grond van het perceel dat is belast met de erfdienstbaarheid. De in 3.33. bedoelde veroordeling van [appellant zaak2] moet dienovereenkomstig worden begrepen.
Wel ziet het hof het belang van [appellant zaak2] om een redelijke termijn te krijgen om de bouwwerken zodanig aan te passen dat zij niet meer inbreuk maken op de gevestigde erfdienstbaarheid. De termijn zal daarom worden gesteld op zes maanden na betekening van dit arrest.
Daarbij geldt ook hier dat [appellanten zaak3] slechts kan worden veroordeeld tot het terugbrengen van de pergola en de boomhut tot een inhoud van niet meer dan twee kubieke meter en een hoogte van niet meer dan een meter, waarbij die hoogte moet worden gemeten vanaf de grond van het perceel dat is belast met de erfdienstbaarheid Het hof leest de beslissing van de rechtbank in 6.12 ook in die zin. Het staat [appellanten zaak3] vanzelfsprekend vrij de bouwwerken volledig te verwijderen, maar daartoe is hij niet verplicht. Het hof zal duidelijkheidshalve een veroordeling uitspreken die zich tot het terugbrengen beperkt en de veroordeling van de rechtbank onder 6.12 vernietigen.
De veroordelingen van [appellant zaak2] en [appellanten zaak3] worden aangepast in die zin dat zij niet verder strekken dan tot het terugbrengen van de bouwwerken op de met de erfdienstbaarheid belaste percelen tot een inhoud van niet meer dan twee kubieke meter en een hoogte van niet meer dan een meter. De termijn waarbinnen de bouwwerken moeten worden aangepast, wordt gesteld op zes maanden na betekening van dit arrest.