Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Rotterdam(hierna: de Inspecteur)
[woonplaats](hierna: belanghebbende),
1.Ontstaan en loop van het geding
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
-vermindert de aanslag erfbelasting tot een bedrag berekend naar een belastbare verkrijging van € 38.358;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.998;
- bepaalt dat inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 vergoedt.”
2.De vaststaande feiten
HOOFDSTUK 3. ERFSTELLING- ErfstellingIk benoem tot mijn erfgenamen mijn echtgenote voor een procent (1 %) en mijn kinderen, ieder voor een gelijk deel, voor negen en negentig procent (99 %).
(…)
HOOFDSTUK 4. VERDELING1. Wettelijke verdeling buiten toepassingIk verklaar dat de wettelijke regeling inzake de wettelijke verdeling geheel buiten toepassing blijft.
2. Quasi-wettelijke verdelingIndien mijn echtgenote hieraan de voorkeur geeft, leg ik aan mijn erfgenamen en aan de executeur/afwikkelingsbewindvoerder de verplichting op (testamentaire last in de zin van artikel 4:130 lid 2 en Pro artikel 4:144 Burgerlijk Pro Wetboek) mijn nalatenschap met inachtneming van voormelde erfstelling zodanig te verdelen, dat alle tot mijn nalatenschap behorende goederen door mijn echtgenote worden verkregen, terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt.
Ieder van mijn overige erfgenamen verkrijgt een geldvordering ten laste van mijn echtgenote ter grootte van de waarde van voormeld erfdeel.
3. SanctieIndien een kind niet meewerkt aan de afgifte van de legaten aan mijn echtgenote of aan de toedeling van alle goederen aan mijn echtgenote, onterf ik dat kind.
(…)
5. Constatering verdeling”Het is mijn uitdrukkelijke wens dat zo spoedig mogelijk na mijn overlijden bij notariële akte de verdeling zal worden geconstateerd en dat de omvang van de geldvorderingen van de andere erfgenamen zal worden vastgesteld.
- Executeursbenoeming
(…)
HOOFDSTUK 6. EXECUTEUR- ExecuteursbenoemingIk benoem tot executeur mijn echtgenote.
Indien mijn echtgenote de benoeming tot executeur niet kan of wil aanvaarden dan wel zij haar taak als executeur niet volbrengt, benoem ik in haar plaats tot executeur mijn zoon [naam5] (…)
-
TakenDe executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.
De executeur is bevoegd voordat hij de legaten afgeeft, de over geldlegaten verschuldigde erfbelasting in te houden.
Bij afgifte van legaten van een bepaald goed is hij bevoegd de afgifte van het legaat op te schorten totdat de legataris de verschuldigde erfbelasting heeft gestort op de boedelrekening.
-
VertegenwoordigingGedurende zijn beheer vertegenwoordigt de executeur bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen.
De executeur kan ook als wederpartij van zichzelf optreden.
-
BeschikkingsonbevoegdheidDe erfgenamen kunnen niet zonder medewerking van de executeur of machtiging van de kantonrechter over (hun aandeel in) goederen van de nalatenschap beschikken voordat zijn bevoegdheid tot beheer is geëindigd.
- Toevoegen, in de plaats stellen, vervangenIk ken de executeur de bevoegdheid toe een of meer andere executeurs aan zich toe te voegen of in zijn plaats te stellen.
Indien een benoemde executeur komt te ontbreken, is de kantonrechter op verzoek van een belanghebbende bevoegd een vervanger te benoemen.
(…)
-
Einde executele en einde beheerDe taak en het beheer van de executeur eindigen op de wijzen als bij de wet bepaald.
HOOFDSTUK 7. AFWIKKELINGSBEWINDAfwikkelingsbewindIk benoem mijn echtgenote tevens tot afwikkelingsbewindvoerder.
1. Bevoegdheden afwikkelingsbewindvoerderIk ken aan de afwikkelingsbewindvoerder in die functie de bevoegdheid toe om zelfstandig (zonder medewerking van de (andere) erfgenamen en zonder machtiging of goedkeuring van de rechter) en naar eigen inzicht te beschikken over mijn nalatenschap in verband met de afwikkeling van mijn nalatenschap.
Deze bevoegdheid om te beschikken over mijn nalatenschap houdt onder meer in:
- het vervreemden en leveren van goederen;
- het betalen van schulden;
- het bezwaren van goederen om kosten en/of belastingen die mijn erfgenamen verschuldigd zijn te kunnen betalen.
Tot de bevoegdheid tot beschikking over de goederen van mijn nalatenschap behoort ook het als vertegenwoordiger van mijn erfgenamen de nalatenschap verdelen met inachtneming van de erfdelen van ieder van mijn erfgenamen."
3.Oordeel Rechtbank
1°. recht van successie van de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand, die ten tijde van dat overlijden binnen het Rijk woonde;
(…)
5. Indien ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen die inhoudelijk overeenkomen met het bepaalde in afdeling 1 van titel 3 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek geldvorderingen of wilsrechten opkomen, worden die voor de toepassing van deze wet op dezelfde wijze behandeld als de geldvorderingen en wilsrechten, bedoeld in artikel 13, derde lid, onderscheidenlijk de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Bock 4 van het Burgerlijk Wetboek."
5. Onroerende zaken die in gebruik zijn als woning, worden in aanmerking genomen naar de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die onroerende zaken vastgestelde waarde voor het kalenderjaar waarin de verkrijging plaatsvindt dan wel, ingeval de verkrijger daarvoor kiest, voor het op dat kalenderjaar volgende kalenderjaar. Indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van Pro de Wet waardering onroerende zaken, wordt de waarde van de woning gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan de woning.
(...)
8. Indien een woning geheel of gedeeltelijk wordt verhuurd en op deze verhuur afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, of ingevolge een voor ten minste 12 jaren aangegane pachtovereenkomst wordt verpacht en op deze verpachting titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, wordt de waarde gesteld op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen, van de huurprijs afhankelijk percentage van het waardegegeven, bedoeld in het vijfde of zesde lid. Indien sprake is van een voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst als bedoeld in artikel 271 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is de eerste zin niet van toepassing. Een onroerende zaak als bedoeld in de eerste volzin wordt niet voor een lagere waarde in aanmerking genomen dan de waarde, bedoeld in het vijfde of zesde lid, indien deze wordt verkregen door een huurder, onderscheidenlijk een pachter, van die onroerende zaak of zijn partner.
4.Het geschil en conclusies van partijen
5.Beoordeling van het hoger beroep
Of de onderbedelingsvordering waarop de rentevaststelling ziet, is ontstaan krachtens erfrecht op grond van een uiterste wilsbeschikking van de erflater, zal naar de feiten en omstandig heden moeten worden beoordeeld[cursivering: Hof
]. Met name als een testament erg veel keuzemogelijkheden aan de nabestaanden biedt, is het de vraag of nog wel sprake is van een uiterste wilsbeschikking en of de vordering die voortvloeit uit een gemaakte keuze nog wel een vordering is die krachtens erfrecht is ontstaan.
Omdat dit vraagstuk primair civielrechtelijk van aard is, past het mij niet om daarover uitspraken te doen. Dat laat onverlet dat de vraag zich wel in verband met toepassing van de Successiewet 1956 kan voordoen. De inspecteur zal die vraag beantwoorden naar de alsdan geldende stand van de rechtsontwikkeling. Indien het testament, en dus ook die waarin een zogenoemde quasi-wettelijke verdeling is opgenomen, de civielrechtelijke toets kan doorstaan, zijn de vorderingen ontstaan krachtens erfrecht[cursivering: Hof]. Hierop is dan uiteraard artikel 1, derde lid, van de Successiewet 1956 van toepassing.’
krachtenserfrecht in de zin van artikel 1, lid 1 onder 1 SW oplevert. In dat geval zou met de (onderbedelings)vordering die uit de quasi-wettelijke verdeling voortvloeit voor de heffing van erfbelasting rekening moeten worden gehouden.
indien het testament de civielrechtelijke toets kan doorstaan[4] (cursivering: Hof). Een redelijke wetsuitleg brengt met zich mee dat als bij de uitvoering van een quasi-wettelijke verdeling wordt verdeeld alsof sprake is van de WV, een tijdige renteafspraak wordt gevolgd voor de erfbelasting. Onder verdeling alsof sprake is van de WV wordt verstaan dat alle goederen van de nalatenschap worden toegedeeld aan de langstlevende echtgenoot, onder de verplichting de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te nemen. Ieder kind verkrijgt een geldvordering op de langstlevende echtgenoot overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel. Omdat in een testament met een quasi-wettelijke verdeling de WV uitdrukkelijk buiten toepassing wordt verklaard, wordt een renteafspraak uitsluitend gevolgd als het testament voorziet in de mogelijkheid dat erfgenamen onderling de rente bepalen of een afwijkende rente overeenkomen.
6.Proceskosten en griffierecht
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten voor het hoger beroep van belanghebbende, vastgesteld op € 1.868 en
- gelast dat van de Inspecteur een bedrag van € 559 aan griffierecht zal worden geheven.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).