Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3556

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.353.556/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 5:54 BWArt. 6:96 lid 2 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijdering schutting en verplaatsing beukenhaag wegens grensoverschrijding in burenrecht

In deze burenrechtelijke zaak staat de grensoverschrijding van een schutting, carport en beukenhaag centraal. Appellanten hebben een schutting en beukenhaag deels op het perceel van geïntimeerden geplaatst, wat tot een geschil leidde. Geïntimeerden vorderden verwijdering van deze erfafscheidingen en de carport.

De rechtbank wees de vorderingen deels toe: verwijdering van de schutting en verplaatsing van de haag, maar wees de vordering tot verwijdering van de carport af wegens misbruik van recht. Appellanten gingen in hoger beroep tegen de veroordelingen, terwijl geïntimeerden ook hoger beroep instelden om de carport alsnog verwijderd te krijgen.

Het hof oordeelt dat de schutting en haag inderdaad over de erfgrens staan en dat geïntimeerden voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij hinder ondervinden, met name door het geplande bijgebouw op hun perceel. De belangen van geïntimeerden wegen zwaarder dan de financiële belangen van appellanten. De vordering tot verwijdering van de carport wordt bevestigd afgewezen vanwege het ontbreken van verwijt aan appellanten en de geringe hinder.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en stelt nieuwe termijnen voor verwijdering van de schutting (3 maanden) en verplaatsing van de haag (6 maanden) met een dwangsom van €100 per dag tot maximaal €10.000. Proceskosten worden verdeeld waarbij appellanten in het principaal hoger beroep en geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Appellanten worden veroordeeld tot verwijdering van de schutting en verplaatsing van de beukenhaag binnen gestelde termijnen met dwangsom; vordering tot verwijdering carport wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.556/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 313720
arrest van 2 juni 2026
in de zaak van

1.[appellant]

die woont in [woonplaats]
2. [appellante]
die woont in [woonplaats]
hierna samen:
[appellanten]
advocaat: mr. D.E.J. Maes
en

1.[geïntimeerde1]

die woont in [woonplaats]
2. [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats]
hierna samen:
[geïntimeerden]
advocaat: mr. J.C.F. Kooijmans

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 16 december 2025 heeft op 20 april 2026 een mondelinge behandeling ter plaatse plaatsgevonden. Daarbij is de zaak behandeld tegelijk met de zaak met nummer 200.350.603/01 (tussen [naam1 en naam2] en [appellanten] ). Het verslag van de mondelinge behandeling (het proces-verbaal) is toegevoegd aan het dossier. Voorafgaand aan de behandeling heeft mr. Maes nog een akte met producties toegezonden (producties h10 t/m h13). Verder heeft mr. Kooijmans voorafgaand aan de zitting een nadere productie toegezonden (productie 5). Ook die stukken behoren tot het procesdossier. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft het hof een datum bepaald voor de uitspraak.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. De carport, de schutting en de beukenhaag van [appellanten] staan deels op het perceel van [geïntimeerden] Volgens [geïntimeerden] wordt daarmee inbreuk gemaakt op hun eigendomsrecht en zij willen dat die inbreuk beëindigd wordt. [appellanten] menen dat in redelijkheid niet van hen verlangd kan worden dat zij de carport, de schutting en de haag verwijderen of verplaatsen.
2.2.
[geïntimeerden] vorderden bij de rechtbank om [appellanten] te veroordelen de carport, de schutting en de haag van het perceel van [geïntimeerden] te verwijderen. Verder vorderden zij verwijdering van een boom, een verbod om een andere erfafscheiding dan een beukenhaag te plaatsen, en een veroordeling tot vergoeding van kosten van het Kadaster. [appellanten] hebben verweer gevoerd. Zij menen dat sprake is van misbruik van recht door [geïntimeerden] (artikel 3:13 BW Pro). Voor het geval dat het beroep op misbruik van recht voor wat betreft de carport verworpen zou worden, hebben [appellanten] in voorwaardelijke reconventie gevorderd om [geïntimeerden] op de voet van artikel 5:54 BW Pro te bevelen mee te werken aan vestiging van een erfdienstbaarheid of overdracht van grond, dit zodat de carport op de huidige plaats gehandhaafd kan worden.
2.3.
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft op 15 januari 2025 over de zaak beslist, waarna op 29 oktober 2025 nog een herstelvonnis is gewezen. [1] De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerden] deels toegewezen. [appellanten] zijn veroordeeld om uiterlijk op 1 april 2025 de schutting van het perceel van [geïntimeerden] te verwijderen en om de beukenhaag te verplaatsen naar de door het Kadaster aangegeven erfgrens. Aan die veroordelingen is een dwangsom verbonden en het vonnis is ook uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vordering tot verwijdering van de carport is afgewezen, dit wegens misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW Pro). Ook de overige vorderingen van [geïntimeerden] zijn afgewezen. De rechtbank heeft bepaald dat partijen de eigen proceskosten moeten dragen.
2.4.
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld. [appellanten] vragen het hof om de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog volledig af te wijzen. [geïntimeerden] hebben vervolgens ook hoger beroep ingesteld. [geïntimeerden] vragen het hof om [appellanten] alsnog te veroordelen tot verwijdering van de carport, tot vergoeding van de kosten van het Kadaster en tot vergoeding van de proceskosten van de procedure bij de rechtbank.
2.5.
Het hof oordeelt dat het hoger beroep van [appellanten] alleen slaagt voor zover daarmee gevraagd wordt om opnieuw een termijn vast te stellen voor verwijdering van de schutting en verplaatsing van de beukenhaag. Het hoger beroep van [geïntimeerden] wordt volledig verworpen. Het hof licht dat oordeel hierna toe. Daarbij wordt eerst een kort overzicht gegeven van de feiten.

3.De feiten

3.1.
[appellanten] zijn eigenaar van het perceel met woning aan [adres1] in [woonplaats] . Het kadastrale perceel van [appellanten] heeft [nummer1] . Het perceel van [appellanten] grenst aan de zuidzijde aan het perceel van [geïntimeerden] en aan het perceel van [naam1] en [naam2] (hierna: [naam1 en naam2] ). Het perceel met woning van [geïntimeerden] ligt aan de [adres2] te [woonplaats] en heeft als kadastraal [nummer2] . Het perceel met woning van [naam1 en naam2] ligt aan de [adres3] en heeft als kadastraal [nummer3] . Het gaat om royale percelen van meer dan 1.000 m2 die gelegen zijn in het buitengebied van [woonplaats] . De kadastrale kaart van de percelen is als volgt:
3.2.
De genoemde kadastrale percelen waren aanvankelijk alle onderdeel van een kadastraal perceel dat eigendom was van Meatpoint B.V. (hierna: Meatpoint). Op 18 november 2020 heeft een aanwijs plaatsgevonden ten behoeve van de splitsing van het kadastrale perceel van Meatpoint in (onder meer) de percelen met [nummer1] , [nummer2] en [nummer3] .
3.3.
Op 12 november 2020 – dus kort voor de genoemde aanwijs – hebben [appellanten] hun perceel als bouwkavel gekocht van Meatpoint. Ter uitvoering van die overeenkomst heeft Meatpoint in april 2021 kadastraal perceel [nummer1] geleverd aan [appellanten] In juni 2021 heeft Meatpoint perceel [nummer2] (ook als bouwkavel) overgedragen aan [geïntimeerden]
3.4.
[appellanten] hebben in 2021 op hun perceel een woonhuis en een carport laten bouwen. Ook [geïntimeerden] hebben dat jaar op hun perceel een woning laten bouwen. Daarbij is op het perceel van [geïntimeerden] ook een fundering voor een bijgebouw aangebracht. Deze fundering ligt aan de noordzijde van het perceel van [geïntimeerden] , vlak bij de grens met het perceel van [appellanten]
3.5.
Op enig moment hebben [appellanten] bij de grens tussen hun perceel en het perceel van [geïntimeerden] over een afstand van ongeveer 12 meter een schutting geplaatst. De schutting liep aan de oostzijde ongeveer 5 meter door tussen het perceel van [appellanten] en [naam1 en naam2] Verder hebben [appellanten] aan hun zijde van de schutting enkele haardhokken geplaatst (hokken voor opslag van haardhout). De achterzijde van deze haardhokken is geïntegreerd in de schutting (de haardhokken worden hierna samen met de overige schuttingdelen aangeduid als ‘de schutting’). In september 2023 hebben [appellanten] de schutting laten verlengen zodat deze doorloopt tot nabij de oostzijde van de percelen van [appellanten] en [naam1 en naam2] De totale lengte van de schutting van [appellanten] bedraagt daarmee ongeveer 38 meter.
3.6.
In januari 2023 hebben [appellanten] en [geïntimeerden] gezamenlijk een beukenhaag laten plaatsen nabij de erfgrens. De beukenhaag ligt tussen de carport van [appellanten] en de door [appellanten] geplaatste schutting.
3.7.
Op 27 oktober 2023 heeft het Kadaster in opdracht van [geïntimeerden] een grensreconstructie uitgevoerd. Uit het relaas van bevindingen van het Kadaster blijkt dat de eerste (meest westelijke) betonnen paal van de schutting van [appellanten] 0.14 meter over de erfgrens staat. De paal staat dus op het perceel van [geïntimeerden] Verder blijkt uit het relaas dat de carport van [appellanten] 0.20 meter over de erfgrens is geplaatst en dat het uiteinde van de dakconstructie van de carport reikt tot 0.43 meter over de erfgrens.
3.8.
Op 7 maart 2024 heeft het Kadaster nog een grensreconstructie uitgevoerd, deze keer in opdracht van [appellanten] Ook uit deze reconstructie blijkt dat de schutting en de carport deels op het perceel van [geïntimeerden] staan. De overbouw van de carport is weer vastgesteld op 0.20 meter en grensoverschrijding van de eerste betonnen paal van de schutting is weer vastgesteld op 0.14 meter. Het relaas van bevindingen van het Kadaster van 7 maart 2024 bevat de volgende afbeelding (de onderbroken lijn is de kadastrale grens; de kruisende doorgetrokken lijn is de schutting; de schuur (‘schr’) is het bijgebouw op het naastgelegen perceel van [naam1 en naam2] ; de woning [adres2] is de woning op het perceel van [geïntimeerden] ):
3.9.
[geïntimeerden] hebben [appellanten] op 15 april 2024 gedagvaard in de procedure bij de rechtbank. Ook [naam1 en naam2] zijn een procedure tegen [appellanten] begonnen. In die procedure vorderen [naam1 en naam2] onder meer dat het deel van de schutting dat op hun perceel staat, door [appellanten] wordt verwijderd.
3.10.
[appellanten] hebben de rechtbank tevergeefs verzocht om de procedures van [geïntimeerden] en [naam1 en naam2] gevoegd of tegelijk te behandelen. Op 23 oktober 2024 is eindvonnis gewezen in de procedure tussen [appellanten] en [naam1 en naam2] In dat vonnis is de vordering van [naam1 en naam2] tot verwijdering van de schutting afgewezen. [2]
3.11.
In deze procedure tussen [appellanten] en [geïntimeerden] is op 15 januari 2025 eindvonnis gewezen. De rechtbank heeft [appellanten] veroordeeld om de schutting van het perceel van [geïntimeerden] te verwijderen en om de beukenhaag te verplaatsen naar de kadastrale grens. [geïntimeerden] hebben het vonnis niet laten betekenen en zij hebben [appellanten] bericht dat zij de uitkomst van het hoger beroep afwachten.

4.De beoordeling

Het hoger beroep van [appellanten]
De schutting
4.1.
De rechtbank heeft [appellanten] veroordeeld om het deel van de schutting dat op het perceel van [geïntimeerden] staat, van dat perceel te verwijderen. [appellanten] vragen het hof om die veroordeling ongedaan te maken. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat de schutting [geïntimeerden] hindert bij het realiseren van een bijgebouw en bij toekomstig onderhoud aan dat bijgebouw. Volgens [appellanten] hebben [geïntimeerden] helemaal geen concrete plannen voor de bouw van een bijgebouw. De grens wordt, aldus [appellanten] , ook slechts met enkele centimeters overschreden. Het verplaatsen van de schutting tot op de eigen grond van [appellanten] levert [geïntimeerden] dus geen noemenswaardig voordeel op. [geïntimeerden] kunnen er bovendien voor kiezen om het bijgebouw verder van de erfgrens te plaatsen, aldus [appellanten] De rechtbank heeft volgens [appellanten] ten onrechte aangenomen dat het belang van [geïntimeerden] bij verwijdering van de schutting zwaarder weegt dan het financiële belang van [appellanten] bij de handhaving ervan (grieven II, III en IV).
4.2.
Het hof verwerpt deze grieven. [geïntimeerden] wijzen erop dat er bij de bouw van hun woning al een fundament is gelegd voor het bijgebouw en dat dit fundament zich bevindt vlak bij de grens met het perceel van [appellanten] (parallel aan de kadastrale grens). [geïntimeerden] wijzen er ook op dat het bijgebouw al ingetekend was in de diverse ontwerpplannen. Op of bij het fundament ligt – zoals het hof geconstateerd heeft en zoals [appellanten] zelf ook opmerken – een onafgewerkte vloer waar allerlei bouwmateriaal is opgestapeld. Gelet daarop is voldoende aannemelijk geworden dat [geïntimeerden] van plan zijn om binnen afzienbare tijd op het fundament een bijgebouw te realiseren.
4.3.
[geïntimeerden] wijzen er terecht op dat de afstand tussen het genoemde fundament en de erfgrens (zeer) beperkt is. Dat laatste staat overigens ook niet ter discussie. Vlak bij het fundament (en parallel daaraan) staat de schutting van [appellanten] De schutting staat daarbij tot een afstand van 14 cm over de erfgrens. [geïntimeerden] hebben gelet daarop voldoende aangetoond dat de grensoverschrijding van de schutting hen in aanmerkelijke mate zal hinderen bij de bouw van het bijgebouw. Verder is voldoende duidelijk dat de grensoverschrijding eventueel onderhoud van de achterzijde van het bijgebouw op z’n minst kan bemoeilijken. [appellanten] hebben opgemerkt dat [geïntimeerden] er ook voor kunnen kiezen het bijgebouw verder van de erfgrens te plaatsen. [geïntimeerden] brengen daartegen in dat het fundament voor het bijgebouw er al lag toen [appellanten] overgingen tot plaatsing van de schutting, en dat het dus juist op de weg van [appellanten] had gelegen om bij het plaatsen van de schutting afdoende rekening te houden met de reeds aanwezige fundering. Het had naar het oordeel van het hof, zoals [geïntimeerden] menen, op de weg van [appellanten] gelegen om, voordat zij overgingen tot plaatsing van de schutting, zeker te stellen dat de erfgrens daarbij niet overschreden werd. [appellanten] hebben destijds echter nagelaten het Kadaster in te schakelen; zij zijn, zo begrijpt het hof, afgegaan op een of meer metalen pinnen die geruime tijd daarvoor door Meatpoint of de aannemer in de grond waren geplaatst.
4.4.
Volgens [appellanten] zouden zij voor het verwijderen of verplaatsen van de schutting aanzienlijke kosten moeten maken. Het is, aldus [appellanten] , onmogelijk om slechts een deel van de schutting te verplaatsen. Als de schutting van de grond van [geïntimeerden] verwijderd moet worden (een deel van ongeveer 12 meter lang), dan zou ook het resterende deel van de 38 meter lange schutting verwijderd of verplaatst moeten worden. De kosten van verwijdering bedragen volgens [appellanten] € 13.801,53. De kosten voor verplaatsing bedragen volgens hen € 33.214,17 of meer. Dat de kosten van verplaatsing zo hoog zijn, komt volgens [appellanten] onder meer doordat in dat geval bijvoorbeeld ook de tuintegels aangepast moeten worden. Het zou ook niet mogelijk zijn om de huidige schutting geheel of gedeeltelijk opnieuw te gebruiken. Ter onderbouwing van dit alles verwijzen [appellanten] naar de overgelegde offertes van [naam3] van 7 mei 2024 (producties 5 en 6 bij conclusie van antwoord, tevens eis in voorwaardelijke reconventie; productie h3 bij memorie van grieven).
4.5.
Het hof is van oordeel dat de belangen van [geïntimeerden] bij verwijdering van de schutting van hun perceel, zwaarder wegen dan de belangen van [appellanten] bij handhaving van de schutting op de huidige plaats. [geïntimeerden] hebben in beginsel het recht om op het reeds aanwezige fundament een bijgebouw te realiseren. Hun belang om daarbij hun eigen grond volledige te gebruiken, weegt in de gegeven omstandigheden zwaarder dan het financiële belang en de eventuele andere belangen van [appellanten] bij handhaving van de schutting. Van misbruik van recht door [geïntimeerden] is in zoverre dus geen sprake. Dit geldt ook als er met [appellanten] van uitgegaan wordt dat [geïntimeerden] aanvankelijk niet tegen de schutting geprotesteerd hebben, dat [geïntimeerden] aanvankelijk ook meenden dat de schutting op het perceel van [appellanten] stond, en dat de kosten van verwijdering of verplaatsing van de schutting zo aanzienlijk zijn als [appellanten] naar voren hebben gebracht. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet blijkt dat er een technische of praktische reden is die meebrengt dat niet volstaan kan worden met verwijdering of verplaatsing van
een deelvan de schutting. De keuze van [appellanten] om in geval van een veroordeling tot verwijdering van de schutting van het perceel van [geïntimeerden] over te gaan tot verplaatsing van de gehele schutting, is kennelijk vooral of alleen ingegeven door de wens van [appellanten] om te voorkomen dat er een ‘knik’ in de schutting komt. Dat [appellanten] bij toewijzing van de vordering van [geïntimeerden] forse kosten zullen maken om de schutting te verplaatsen, is dan ook deels te beschouwen als een gevolg van die eigen keuze.
4.6.
Het hof merkt voor de duidelijkheid nog op dat [appellanten] niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken hebben dat de grens tussen de eigendommen van partijen, overeenkomt met de kadastrale grens tussen hun percelen. Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat de grens tussen de percelen van partijen samenvalt met de kadastrale grens. [appellanten] hebben overigens wel vraagtekens geplaatst bij het verslag van het Kadaster van de aanwijs en bij de verslagen van het Kadaster van de grensreconstructies. Volgens [appellanten] vermeldt het Kadaster telkens andere coördinaten. Daarbij wijzen [appellanten] onder meer op een door hen overgelegd document van ‘ [naam4] ’ (productie h10). [geïntimeerden] hebben in reactie op dat alles opgemerkt dat het Kadaster wel verschillende coördinaten noemt, maar dat de relevante coördinaten zich bevinden op dezelfde (grens)lijn. Dat dit laatste het geval is, vindt onder meer steun in het gegeven dat het Kadaster bij de grensreconstructies van 27 oktober 2023 en 7 maart 2024 voor de uiterste schuttingpaal dezelfde mate van overschrijding heeft vastgesteld (namelijk 0.14 meter; zie hierboven, onder 3.7 en 3.8). Voor zover het betoog van [appellanten] aldus begrepen moet worden dat de metingen van het Kadaster onjuist of tegenstrijdig zouden zijn, is dat betoog dan ook onvoldoende toegelicht en onderbouwd.
De beukenhaag
4.7.
[appellanten] menen dat de rechtbank de vordering tot verplaatsing van de beukenhaag ten onrechte heeft toegewezen. De rechtbank is er, zo betogen zij, ten onrechte van uitgegaan dat met het verplaatsen van de haag slechts beperkte kosten zijn gemoeid. De rechtbank zou dan ook ten onrechte tot de slotsom zijn gekomen dat het belang van [geïntimeerden] bij verplaatsing van de haag zwaarder weegt dan het belang van [appellanten] bij handhaving van de haag op de huidige locatie (grief V).
4.8.
Het hof verwerpt dit betoog. Vast staat dat de beukenhaag in het verlengde staat van de schutting en dat de haag daarmee niet op de erfgrens is geplaatst. [geïntimeerden] hebben er in beginsel dan ook recht op dat de haag verplaatst wordt naar de erfgrens. Dat de haag door partijen gezamenlijk is geplaatst en dat [geïntimeerden] er aanvankelijk van uitgingen dat de haag op de juiste plek stond, maakt dat nog niet anders. Er is namelijk onvoldoende grond om aan te nemen dat [geïntimeerden] op dit punt een recht hebben prijsgegeven of verwerkt. Het hof stelt op basis van de overgelegde foto’s en de waarnemingen bij de mondelinge behandeling verder vast dat het gaat om een haag van relatief beperkte omvang. Dat er voor verplaatsing van de haag dusdanig hoge kosten gemaakt zouden moeten worden dat verplaatsing niet van [appellanten] gevergd zou kunnen worden, valt bij gebrek aan een nadere onderbouwing dan ook niet in te zien. Naar het oordeel van het hof kunnen [geïntimeerden] in redelijkheid van [appellanten] verlangen dat de haag verplaatst wordt naar de erfgrens. Van misbruik van recht door [geïntimeerden] is dus geen sprake.
Termijn en de dwangsom
4.9.
De rechtbank heeft [appellanten] veroordeeld om de schutting uiterlijk 1 april 2025 te verwijderen en om de beukenhaag uiterlijk 1 april 2025 te verplaatsen. Daarbij heeft de rechtbank, zo begrijpt het hof, voor beide veroordelingen een dwangsom opgelegd van € 50 per dag dat niet aan de veroordeling wordt voldaan (met een maximum van € 5.000 per veroordeling). Volgens [appellanten] is ten onrechte een dwangsom opgelegd. Zij verklaren dat zij eenvoudigweg aan een veroordeling zullen voldoen. Daarnaast merken zij op dat zij de werkzaamheden moeten laten uitvoeren door derden. Volgens [appellanten] is het in de gegeven omstandigheden dan ook onredelijk om een dwangsom op te leggen met de daarbij gestelde termijn (grief VI).
4.10.
Deze grief slaagt gedeeltelijk. Het hof is evenals eerder de rechtbank van oordeel dat oplegging van een dwangsom hier passend en geboden is. De enkele toezegging van [appellanten] dat zij aan een veroordeling zullen voldoen, acht het hof hier – gelet ook op de slechte verstandhouding tussen partijen – onvoldoende. [appellanten] wijzen er wel terecht op dat zij een redelijke termijn dienen te krijgen om aan de veroordeling te voldoen. De rechtbank heeft [appellanten] veroordeeld om uiterlijk op 1 april 2025 de schutting te verwijderen en de haag te verplaatsen. Aan het vonnis is geen uitvoering gegeven. Bekrachtiging van het vonnis zou meebrengen dat [appellanten] na betekening van de veroordeling geen tijd meer hebben om de schutting te verwijderen en de haag te verplaatsen, en om daarmee te voorkomen dat dwangsommen worden verbeurd. [geïntimeerden] hebben ook ingestemd met een aanpassing van de termijn. Het hof zal gelet op het voorgaande het vonnis van de rechtbank op dit punt vernietigen en [appellanten] een nieuwe, vergelijkbare termijn stellen. Daarbij zal het hof voor verwijdering van het schuttingdeel uitgaan van een termijn van drie maanden na betekening van dit arrest. Dat er meer tijd nodig zou zijn voor verwijdering van het schuttingdeel, valt niet in te zien. Voor verplaatsing van de haag zal het hof – gezien de datum van dit arrest en gelet op de tijd van het jaar waarin verplaatsing van een beukenhaag bij voorkeur dient plaats te vinden – uitgaan van een termijn van zes maanden na betekening van dit arrest. Het hof zal verder, om onzekerheid over de uitleg van de veroordeling zoveel mogelijk te voorkomen, de dwangsomveroordeling opnieuw formuleren en vaststellen, zodat daarbij niet langer sprake is van afzonderlijke dwangsommen voor de schutting en de haag. Het hof zal de dwangsom daarbij vaststellen op € 100 per dag of dagdeel dat niet aan de veroordeling voldaan wordt, met een maximum van € 10.000.
Overige grieven [appellanten]
4.11.
[appellanten] wijzen er met grieven I en VII op dat het vonnis van de rechtbank van 15 januari 2025 enkele kennelijke verschrijvingen bevat. Het gaat om verschrijvingen die de rechtbank met het herstelvonnis van 29 oktober 2025 al gecorrigeerd heeft. De genoemde grieven worden dan ook verworpen.
Het hoger beroep van [geïntimeerden]
De carport
4.12.
[geïntimeerden] vragen in dit hoger beroep om hun vordering tot verwijdering van de carport alsnog toe te wijzen. Volgens [geïntimeerden] heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat die vordering afstuit op misbruik van recht (artikel 3:13 BW Pro) (grief 1).
4.13.
Het hof verwerpt deze grief. Het hof oordeelt voor wat betreft de carport, evenals eerder de rechtbank, dat het beroep van [appellanten] op misbruik van bevoegdheid slaagt. [appellanten] wijzen erop dat hun carport in 2021 bij de bouw van de woningen is geplaatst en dat de carport is gebouwd door de aannemer die ook de woningen van partijen heeft gebouwd. Volgens [appellanten] heeft de aannemer kennelijk een fout gemaakt bij het plaatsen van de carport. [appellanten] betogen ook dat bij het aanwijzen van de erfgrens een fout is gemaakt. Door die fout zou de kadastrale grens afwijken van de erfgrens zoals men die aanvankelijk voor ogen had. Volgens [appellanten] hebben zij zelf bij dat alles zelf geen rol gespeeld. Een en ander is door [geïntimeerden] niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken. Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] dan ook voldoende aangetoond dat hen persoonlijk geen verwijt treft van het feit dat de carport over de erfgrens is gebouwd.
4.14.
Het hof neemt verder in aanmerking dat de grensoverschrijding van de carport [geïntimeerden] niet wezenlijk belemmert in het gebruik en genot van hun perceel. [geïntimeerden] verklaren weliswaar dat zij in de betreffende hoek van hun perceel een dierenverblijf willen realiseren, maar dat sprake is van een actueel plan dat zij binnen afzienbare tijd willen uitvoeren, acht het hof – gelet ook op het feit dat [geïntimeerden] kennelijk eerst nog het eerdergenoemde bijgebouw willen realiseren – niet aannemelijk. De grond van [geïntimeerden] bij de carport is nu in gebruik als (onder meer) terras, en de beperking die de grensoverschrijding nu voor [geïntimeerden] met zich brengt is – in aanmerking genomen ook de omvang van dat terras en de omvang van de rest van het perceel – (zeer) beperkt.
4.15.
Van belang is verder dat [appellanten] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de kosten van verplaatsing of inkorting van de carport, aanzienlijk zijn. De carport van [appellanten] staat aan de achterzijde voor 20 cm op het perceel van [geïntimeerden] (zie hierboven, onder 3.7 en 3.8). Het ongedaan maken van die grensoverschrijding zal daarom kennelijk – zoals [geïntimeerden] ter zitting bij het hof ook hebben opgemerkt – in elk geval een aanmerkelijke aanpassing van de (houten) constructie van de carport vergen.
4.16.
Het hof stelt gelet op het voorgaande vast dat het belang van [appellanten] bij handhaving van de carport op de huidige plek, veel groter is dan het belang van [geïntimeerden] bij het ongedaan maken van de grensoverschrijding. Dat geldt ook als in aanmerking wordt genomen het door [geïntimeerden] gepretendeerde belang van (iets) vrij(er) uitzicht en het gegeven dat in de gemeentelijke vergunning kennelijk per abuis ‘pergola’ in plaats van ‘carport’ is vermeld. De overschrijding is [appellanten] persoonlijk niet te verwijten. Naar het oordeel van het hof kunnen [geïntimeerden] in de gegeven omstandigheden, gelet op de genoemde onevenredigheid tussen de belangen van partijen, in redelijkheid niet van [appellanten] vergen dat de grensoverschrijding door de carport ongedaan wordt gemaakt (zie artikel 3:13 BW Pro).
4.17.
[geïntimeerden] hebben opgemerkt dat [appellanten] in elk geval het overstek van de carport kunnen inkorten of verwijderen. De vordering van [geïntimeerden] is echter ook in zoverre niet toewijsbaar. Bij het huidige gebruik belemmert het overstek [geïntimeerden] niet of nauwelijks in het gebruik van hun perceel. Daarnaast is aannemelijk dat inkorting van de carport niet kan plaatsvinden zonder aanpassing van onder meer de dakbedekking van de carport. Ook voor wat betreft het overstek geldt daarom dat het beroep van [appellanten] op misbruik van recht slaagt (artikel 3:13 BW Pro).
4.18.
Het hof merkt nog op dat [appellanten] erkennen dat de carport over de erfgrens is gebouwd. [appellanten] pretenderen ook niet enig recht te hebben op dat deel van het kadastrale perceel van [geïntimeerden] Dat de vordering tot verwijdering van de carport wordt afgewezen, betekent dus ook niet dat [appellanten] op enig moment door verjaring een eigendomsrecht of een ander recht krijgen op het perceel van [geïntimeerden] Het staat [geïntimeerden] in beginsel dus ook vrij om het deel van hun perceel dat onder de overstek van de carport ligt, op enig moment te gaan gebruiken voor bijvoorbeeld plaatsing van de achterwand van een dierenverblijf.
Kosten van het Kadaster
4.19.
[geïntimeerden] vragen het hof om [appellanten] alsnog te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de grensreconstructie van 27 oktober 2023 (grief 2). Het hof acht die vordering niet toewijsbaar. [appellanten] wijzen er terecht op dat zij – zoals ook blijkt uit het relaas van bevindingen van het Kadaster (productie 10) – niet voor de grensreconstructie waren uitgenodigd. Omdat [appellanten] niet bij de reconstructie aanwezig waren, hebben zij in maart 2024 nogmaals, op eigen kosten, een grensreconstructie laten uitvoeren. De kosten van de grensreconstructie van 27 oktober 2023 zijn alleen al om die reden geen kosten die hier als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro) vergoed dienen te worden. Ook voor het overige is er geen grond om [appellanten] te veroordelen die kosten te vergoeden.
Kosten van de procedure bij de rechtbank
4.20.
[geïntimeerden] vragen het hof om [appellanten] alsnog te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank. Volgens [geïntimeerden] dient hun vordering tot vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg te worden toegewezen omdat hun vorderingen voor toewijzing gereedlagen (en gereedliggen) en omdat de tegenvordering van [appellanten] is afgewezen (grief 3). Het hof verwerpt deze grief. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerden] slechts gedeeltelijk toegewezen. Dat oordeel blijft – ook voor zover dat oordeel in dit hoger beroep door [geïntimeerden] bestreden wordt – in stand. De rechtbank heeft bij de beslissing over de proceskosten in aanmerking genomen dat zowel [geïntimeerden] als [appellanten] hebben bijgedragen aan de noodzaak tot het voeren van de procedure. De rechtbank is – anders dan [geïntimeerden] menen – overigens ook niet toegekomen aan beoordeling van de tegenvordering van [appellanten] , dit omdat de voorwaarde waaronder die vordering is ingesteld niet vervuld was (en die voorwaarde is ook in hoger beroep niet vervuld). Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een compensatie van de proceskosten van de eerste aanleg gelet op die omstandigheden passend en geboden is.
Conclusie
4.21.
Het hoger beroep van [appellanten] leidt slechts op een ondergeschikt punt tot een andere uitkomst. Gelet op de uitkomst van de procedure zijn [appellanten] daarmee in het principaal hoger beroep aan te merken als overwegend in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal [appellanten] daarom veroordelen in de kosten van het principaal hoger beroep. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] wordt verworpen en het hof zal [geïntimeerden] daarom veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Onder de betalen proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. [3]
4.22.
Het hof zal, om onduidelijkheid over de dwangsomveroordelingen te voorkomen, het vonnis van de rechtbank (met het herstelvonnis) volledig vernietigen om vervolgens opnieuw op de vorderingen te beslissen.
4.23.
Het hof zal bepalen dat de veroordelingen in deze uitspraak ook ten uitvoer worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). Dat geldt overigens niet voor de veroordelingen die zien op de betaling van de proceskosten, nu daarop gerichte vorderingen kennelijk ontbreken.

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 15 januari 2025, zoals hersteld bij vonnis van 29 oktober 2025, en beslist als volgt:
5.2.
veroordeelt [appellanten] om:
( a)
binnen 3 maanden na betekening van dit arrestde schutting van het perceel van [geïntimeerden] te verwijderen,
en
( b)
binnen 6 maanden na betekening van dit arrestde in het verlengde van de schutting door partijen gezamenlijk geplaatste beukenhaag te verplaatsen naar de door het Kadaster aangegeven erfgrens;
5.3.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van
een dwangsom van € 100 voor elke dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat niet of niet volledig aan de onder 5.2 genoemde veroordeling wordt voldaan,
tot een maximum aan dwangsommen van € 10.000;
5.4.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] in principaal hoger beroep:
  • € 362,- aan griffierecht:
  • € 2.580,- aan salaris van de advocaat (2 punten x tarief II ad € 1.290,-);
5.5.
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] in incidenteel hoger beroep:
- € 1.290,- aan salaris advocaat (2 punten x factor 0,5 x tarief II ad € 1.290);
5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in eerste aanleg;
5.7.
verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, J.H. Kuiper en J.E. Wichers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 15 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:230. Het herstelvonnis van 29 oktober 2025 is niet gepubliceerd.
2.Rb Overijssel, zittingsplaats Zwolle 23 oktober 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5542.
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.