Belanghebbende diende bezwaar in tegen een BPM-aanslag en startte vervolgens een beroepsprocedure nadat het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar kende een immateriële schadevergoeding toe en veroordeelde de Inspecteur in proceskosten en griffierechtvergoeding. Het hoger beroep werd door het Hof kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. Belanghebbende tekende verzet aan tegen deze beslissing en stelde dat het niet betalen van griffierecht niet tot niet-ontvankelijkheid mocht leiden op grond van het Handvest van de EU en het evenredigheidsbeginsel.
Het Hof oordeelde dat nationale rechters verplicht zijn Unierecht toe te passen en verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is bepaald dat het heffen van griffierecht in Nederland de toegang tot de rechter niet ontnomen wordt, mits er mogelijkheden zijn voor betalingsonmacht. Omdat belanghebbende het griffierecht niet tijdig betaalde en geen beroep deed op betalingsonmacht, was het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard.
Verder werd overwogen dat het financiële belang van belanghebbende in de procedure minder dan € 1.000 bedroeg, zodat geen vergoeding van immateriële schade werd toegekend ondanks een overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en deed de uitspraak in het openbaar op 27 mei 2026.