Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2737

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
24/1564
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:29 AwbArt. 2.17 lid 4 Wet IB 2001Art. 30hb AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vaststelling en verdeling belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang 2017

Belanghebbende was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 die was vastgesteld op een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 430.425. De rechtbank Gelderland had de aanslag verminderd naar € 292.768 en de Inspecteur veroordeeld tot proceskostenvergoeding. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Het geschil betrof de juiste hoogte van het gemeenschappelijk belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en de verdeling daarvan tussen belanghebbende en haar partner. Ook was in geschil of de Inspecteur alle relevante stukken had overgelegd en of de belastingrente correct was vastgesteld.

Het Hof oordeelde dat de Inspecteur niet tekort was geschoten in zijn verplichtingen tot overlegging van stukken. Het Hof verwierp de stellingen van belanghebbende over een hogere verkrijgingsprijs en schuldovername door haar partner, omdat deze niet aannemelijk waren gemaakt. Wel stelde het Hof vast dat de rechtbank ten onrechte de verdeling van het gemeenschappelijk inkomen had afgewezen en dat deze volgens de door belanghebbende voorgestane 1,5% voor haar en 98,5% voor haar partner moest worden vastgesteld.

De aanslag werd dienovereenkomstig verminderd tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 8.783 voor belanghebbende. De belastingrente werd aangepast en de verzuimboete gehandhaafd. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal € 4.402.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2017 verminderd tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 8.783 voor belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24 /1564
uitspraakdatum: 21 april 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[plaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juli 2024, nummer ARN 21/2127, ECLI:NL:RBGEL:2024:8490, in het geding tussen belanghebbende
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 430.425. Bij beschikking is € 9.062 aan belastingrente berekend en is een verzuimboete opgelegd van € 369.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 292.768, en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.030 aan proceskosten aan belanghebbende en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht moet vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. P.C.L.L. Steeghs, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. [naam1] , alsmede mr. [naam2] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. Ter zitting is de zaak van belanghebbende gezamenlijk behandeld met het hoger beroep van [partner] , de fiscaal partner van belanghebbende, met het zaaknummer BK-ARN 24 /1565.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is fiscaal partner van [partner] (hierna: de partner). Zij waren tot
14 december 2020 eigenaar van een woning aan de [woonadres] te [plaats] . Belanghebbende heeft een zoon [zoon] (hierna: de zoon).
2.2.
De partner van belanghebbende is houder van alle aandelen in [holding] B.V. (hierna: [holding] ). [holding] had tot 1 december 2020 (onder meer) een pand aan de [vestigingsadres1] en [vestigingsadres2] te [plaats] in haar bezit. [holding] houdt sinds de datum van oprichting, 23 mei 2017, alle aandelen in [werkmaatschappij1] B.V. (hierna: [werkmaatschappij1] ).
2.3.
Tot 20 juli 2017 hield de partner van belanghebbende tevens alle aandelen in [werkmaatschappij2] B.V. (hierna: [werkmaatschappij2] ). De verkrijgingsprijs van de aandelen [werkmaatschappij2] bedroeg € 20.000. Het eigen vermogen van [werkmaatschappij2] op 31 december 2016 bedroeg blijkens de (concept)balans van [werkmaatschappij2] per die datum € 880.859.
2.4.
Tot de gedingstukken behoort een kredietovereenkomst tussen [naambank] N.V. (hierna: [naambank] ) enerzijds en [werkmaatschappij2] en [holding] anderzijds van 1 maart 2017. De kredietovereenkomst betreft een voortzetting van een bestaande kredietovereenkomst van 5 januari 2017. Uit onderdeel 2.3. van deze overeenkomst volgt dat [werkmaatschappij2] , [holding] en de partner van belanghebbende hoofdelijk verbonden zijn voor de schulden uit hoofde van de kredietovereenkomst. Betreffende deze hoofdelijke aansprakelijkheid is in de kredietovereenkomst verder nog het volgende vermeld:

Hoofdelijke verbondenheid
[de partner van belanghebbende], wonende te [plaats] , verklaart hierbij hoofdelijk verbonden te zijn voor alle vorderingen die de bank heeft of later zal hebben op basis van deze kredietovereenkomst op alle partijen genoemd op de eerste pagina onder 1. Dit betekent dat de bank [de partner van belanghebbende] kan verplichten deze vorderingen te voldoen. Bovenstaande verklaring is een aanvulling op, wijziging en/of voortzetting van de hoofdelijke verbondenheid uit de kredietovereenkomst van 5 januari 2017.”
2.5.
Op 5 juli 2017 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd bij [holding] naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen over de jaren/tijdvakken 2012 tot en met 2015. Eveneens op 5 juli 2017 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek bij [werkmaatschappij2] aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen over de jaren/tijdvakken 2014 tot en met 2015.
2.6.
Bij verkoopovereenkomst getekend op 20 juli 2017 heeft de partner van belanghebbende de aandelen [werkmaatschappij2] verkocht aan [naam4] (hierna: [naam4] ). In de verkoopovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 2. Koopsom
De koopsom voor 100% van de aandelen in de vennootschap bedraagt € 1.000 (zegge: duizend euro). (…)
Artikel 6. Overnamebalans en gebeurtenissen na balansdatum
De koop van de aandelen vindt plaats naar de toestand van de vennootschap per overnamebalansdatum. De overnamebalansdatum stellen koper en verkoper vast op 31 december 2016. Aan deze overeenkomst is de overnamebalans (jaarrekening 2016) gehecht (bijlage 1). Koper heeft inzage gehad in de balans en administratie van de vennootschap om de juistheid van de overnamebalans vast te kunnen stellen. Koper is op de hoogte van de gebeurtenissen na de overnamebalansdatum en is op de hoogte van de (ook) na balansdatum ontstane schulden (waaronder begrepen openstaande facturen, claims en aanhangige procedures). Koper en verkoper wensen ter voorkoming van misverstanden zowel in deze overeenkomst als in de akte van levering van de aandelen te vermelden dat de vennootschap op dit moment de navolgende schulden bezit (alle bedragen zijn in euro's inclusief BTW en exclusief rente, incasso- en procedurekosten tenzij anders wordt vermeld)
(…)
Schuldeiser / crediteur
Bedrag
(…)
[schuldeiser1] gevestigd te [vestigingsplaats]
€ 380.178,92”
2.7.
Bij akte verleden op eveneens 20 juli 2017 zijn de aandelen [werkmaatschappij2] geleverd aan [naam4] .
2.8.
Op 14 november 2017 is het faillissement van [werkmaatschappij2] uitgesproken.
2.9.
[naambank] heeft bij brief van 21 november 2017 aan de curator in het faillissement van [werkmaatschappij2] de in 2.4. genoemde kredietfaciliteit met onmiddellijke ingang opgezegd en de eventuele leningen opgeëist. [naambank] heeft de curator verzocht een vordering op [werkmaatschappij2] van € 1.403.735,92 op de lijst van (voorlopig) erkende schuldeisers te zetten.
2.10.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2018 uitgenodigd om aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 te doen. Bij brief van 10 juli 2018 heeft de Inspecteur vervolgens belanghebbende aangemaand om aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 te doen. Als uiterste termijn voor het doen van aangifte is in die brief 24 juli 2018 genoemd. Belanghebbende heeft niet voor die datum een aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 ingediend.
2.11.
Bij brief van 12 december 2018 heeft de Inspecteur aan de partner van belanghebbende onder meer laten weten voornemens te zijn een voorlopige aanslag IB/PVV 2017 aan belanghebbende en haar partner op te leggen naar een gemeenschappelijk belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van in het totaal € 860.850. De Inspecteur heeft verder in de brief vermeld dat het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang gelijkelijk zal worden verdeeld over de partner van belanghebbende en belanghebbende. De Inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 8 februari 2019 een voorlopige aanslag IB/PVV opgelegd aan belanghebbende naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.595 negatief en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 430.425.
2.12.
Belanghebbende heeft op 30 april 2019 een aangifte IB/PVV 2017 gedaan naar een gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang van € 589.156 waarvan toegerekend aan belanghebbende € 9.156, en aan haar partner € 580.000. Onderdeel van het gemeenschappelijk belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van belanghebbende en haar partner zijn reguliere voordelen van € 608.156, en een vervreemdingsvoordeel van negatief € 19.000 (€ 608.156 - € 19.000 = € 589.156).
2.13.
De Inspecteur heeft overeenkomstig de in 2.12. vermelde aangifte met dagtekening 22 juni 2019 een voorlopige aanslag IB/PVV 2017 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 9.156.
2.14.
Ter beëindiging van een tussen [naambank] enerzijds en [holding] anderzijds bestaand geschil is in het proces-verbaal van de zitting van 24 augustus 2020 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (afdeling civiel, handel) een vaststellingsovereenkomst tussen partijen neergelegd, inhoudende dat [holding] , belanghebbende en haar partner een schuld aan [naambank] moeten hebben afgelost op uiterlijk 30 november 2020, bij gebreke waarvan [naambank] zal overgaan tot executoriale verkoop van de registergoederen aan de [vestigingsadres1] , [vestigingsadres2] en [woonadres] te [plaats] .
2.15.
Op 6 oktober 2020 heeft belanghebbende een nadere aangifte IB/PVV 2017 gedaan naar een gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang van € 153.251 dat geheel is toegerekend aan de partner van belanghebbende.
2.16.
Met dagtekening 20 oktober 2020 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2017 aan belanghebbende opgelegd naar een gemeenschappelijk belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 860.850, waarvan aan belanghebbende en haar partner ieder € 430.425 is toegerekend. Daarbij heeft de Inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 369, omdat zij niet tijdig aangifte heeft gedaan.
2.17.
Op 15 december 2020 is het faillissement van [werkmaatschappij2] opgeheven wegens gebrek aan baten.
2.18.
Na het faillissement van [werkmaatschappij2] is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek onder de naam [naam onderzoek] begonnen naar onder meer mogelijke faillissementsfraude bij [werkmaatschappij2] . Tot de gedingstukken behoren een overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] afkomstig van de FIOD, en een zaaksdossier tegen de partner van belanghebbende als verdachte, eveneens afkomstig van de FIOD.
2.19.
In het overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] is – voor zover hier van belang – in onderdeel 5.7. het volgende opgenomen ter zake van een schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] B.V. (hierna: [schuldeiser1] ):
5.7.
Verklaring getuige [schuldeiser1] inzake opgenomen schuld in koop- verkoopovereenkomst [werkmaatschappij2] en overname (bevoordelen schuldeiser in faillissement).
Vraag: Kwam [werkmaatschappij2] bij [schuldeiser1] vaak partijen metalen afleveren?
[getuige1] ....Ik weet niet hoe vaak[werkmaatschappij2]
leverde, in de periode dat wij constateerden dat er bij ons fraude is gepleegd door[werkmaatschappij2]
kwam[werkmaatschappij2]
regelmatig bij ons.
(…)
Vraag: Wat wist u van het feit dat [belanghebbende] [werkmaatschappij2] ging verkopen?
[getuige2] en [getuige1] : Nee.
Mededeling: In deze overeenkomst staan schuldeisers vermeld welke door de nieuwe verkoper [naam4] zouden worden overgenomen. Vraag: Wat kunt u verklaren over deze lijst van schuldeisers?
[getuige2] : Wij staan ertussen.
Mededeling: In deze overeenkomst staat u als schuldeiser [schuldeiser1] vermeld welke door de nieuwe verkoper [naam4] zouden worden overgenomen met daarbij vermeld een openstaand bedrag van € 380.178,92.
Vraag: Is dit bedrag juist en hoe is dit bedrag tot stand gekomen?
[getuige2] : Ik weet niet of het bedrag op dat moment juist is, maar wij hebben een vordering van die grootte.
Vraag: Welke periode is deze schuld ontstaan?
[getuige2] en [getuige1] : Wij hebben een vordering op [belanghebbende] . Dit is ontdekt in maart 2017. Wij hebben toen ontdekt dat[werkmaatschappij2]
gefraudeerd heeft.[werkmaatschappij2]
kwam met een container op de weegbrug, heeft geleverd en wij kwamen een gewicht aan Non -Ferro tekort bij het laden van een partij. Wij hebben geconstateerd dat[werkmaatschappij2]
een andere partij heeft aangeleverd, met een minder gewicht dan dat in eerste instantie is gewogen. Dat hebben wij gezien op foto's van de containers op de weegbrug, wij zien dan de producten. Wij hebben door het tekort een voorraad opname gedaan en zo vastgesteld wat het tekort is.
Vraag: Met wie van [werkmaatschappij2] is deze schuld besproken en met wie zijn deze afspraken besproken?
[getuige2] . Met de heer [naam5] , [belanghebbende] heeft nooit toegegeven dat dit is gebeurt, [naam5] heeft geen bezwaar gemaakt tegen onze bevindingen. [naam5] heeft namens[werkmaatschappij2]
de afspraak gemaakt om terug te betalen en dat is ook gedeeltelijk betaald. Op dit moment staat er nog 250.000 euro van de schuld open (eind 2019).
Vraag: Zijn jullie bekend met de nieuwe directeur van [werkmaatschappij2] per 20 juli 2017, dhr [naam4] ?
[getuige2] en [getuige1] : Nee, kennen wij niet.
Vraag: Wat weten jullie van het faillissement van [werkmaatschappij2] per 14 november 2017?
Antwoord: Echt niets.
Mededeling: Wij tonen u DOC-15311, zijnde een credit nota van [schuldeiser1] gericht aan [werkmaatschappij2] d.d.
16-06-2017 Nettobedrag € 36.856. Vraag: Naar aanleiding waarvan is deze creditnota opgemaakt?
Antwoord: Dit is volgens ons een nota van [schuldeiser1] , wij maken die op als een leverancier bij ons een levering heeft gedaan. Dit is onze wijze van facturering.[werkmaatschappij2]
zal een partij hebben aangeleverd aan ons.
(…)
Vraag: Hoe en op welke wijze heeft u hier [werkmaatschappij2] op aangesproken en wie heeft u hierover gesproken?
[getuige2] : [naam5] , wij zagen geen heil in een rechtszaak, ik heb [naam5] er mee geconfronteerd en gezegd dat wij ons geld terug wilden hebben. Afgesproken is dat zij mochten doorleveren en dat wij bedragen daar op inhouden tot wij ons geld terug hebben. Ik heb met [belanghebbende] gesproken, hij legde de schuld bij anderen maar wilde het wel oplossen en blijven leveren. Daarom hebben wij deze afspraak gemaakt.
(…)
Vraag: Wie kwam er met het voorstel van afbetaling?
[getuige2] : [schuldeiser1] .
(…)
Vraag: Op 14 november 2017 is [werkmaatschappij2] failliet verklaard. Heeft u uw openstaande vordering ingediend bij de curator van [werkmaatschappij2] ?
[getuige2] . Nee, Wij hebben ook geen bericht hiervan ontvangen.
Vraag: Levert [belanghebbende] nog metalen aan [schuldeiser1] met zijn nieuwe onderneming [werkmaatschappij1] ?
[getuige2] : Ja, ferro, ik weet niet hoe vaak. Van de Non — ferro niet
Vraag: Hoe verloopt de afbetaling van de schuld tot op heden?
[getuige2] : Wij schrijven facturen uit aan [werkmaatschappij1] en [werkmaatschappij1] betaald de aflossing op de schuld aan ons.
2.20.
Tot de gedingstukken behoort een akte van levering van 14 december 2020 van de onroerende zaak aan de [woonadres] te [plaats] (de voormalige woning van belanghebbende en haar partner zie 2.1.) en een bijvoegde “NOTA VAN AFREKENING”. Uit de akte volgt dat de woning voor € 1.200.000 is verkocht. Uit de nota van afrekening volgt dat € 1.200.000 aan [naambank] is voldaan, welke betaling op de nota is aangemerkt als “aflossing hypotheek”.
2.21.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang moet worden vastgesteld op € 585.536. Dit gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang bestaat uit reguliere voordelen (uit [werkmaatschappij2] ) van € 604.536 (te weten € 552.429 + € 52.107) en een negatief vervreemdingsvoordeel van € 19.000 in verband met de vervreemding van de aandelen [werkmaatschappij2] door de partner van belanghebbende. De Rechtbank heeft geoordeeld dat dit gemeenschappelijk inkomen bij helfte moet worden verdeeld over belanghebbende en haar partner. De Rechtbank heeft daarbij de door belanghebbende en haar partner voorgestane verdeling van 1,5% voor belanghebbende en 98,5% voor haar partner afgewezen. De oordelen van de Rechtbank hebben ertoe geleid dat de Rechtbank de aanslag heeft verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.028 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 292.768.
2.22.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een e-mail overgelegd van (een medewerker) van [schuldeiser1] aan zijn gemachtigde van 2 augustus 2021. In deze e-mail staat voor zover hier van belang het volgende:
“In 2017 heeft [schuldeiser1] schade geleden (groot E 387,550.00) door toedoen van [werkmaatschappij2] . In overleg met de bestuurder, [belanghebbende] , is besloten om de claim af te betalen middels inhoudingen op betalingen van leveringen Ferro en non-ferro schroot aan [schuldeiser1] . De inhoudingen gelden zowel voor leveringen ex [werkmaatschappij2] danwel voor leveringen geschiedt door andere vennootschappen van dezelfde bestuurder t.w. [partner] . Dit hebben wij als zodanig aan de belastingdienst vermeld.”

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de aanslag IB/PVV 2017 tot de juiste hoogte is vastgesteld. In dit kader is tussen partijen in geschil:
  • of het gemeenschappelijk belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang door de Rechtbank juist is vastgesteld; en
  • op welke wijze het gemeenschappelijk belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang moet worden verdeeld over belanghebbende en haar partner.
Verder is tussen partijen in geschil of de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft overgelegd, en of de beschikking belastingrente juist is vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de aanslag te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende bepleit daartoe dat het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang lager moet worden vastgesteld. Dit (lagere) gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang moet vervolgens voor 1,5% aan belanghebbende worden toebedeeld en voor 98,5% aan haar partner. Verder is belanghebbende van mening dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Ten slotte stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de belastingrente moet worden verlaagd.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang niet te hoog heeft vastgesteld, maar juist te laag. Omdat hij echter in deze zaak, anders dan in de zaak van de partner van belanghebbende, geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld, moet volgens de Inspecteur bij de verdeling van het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang in belanghebbendes geval worden uitgegaan van het door de Rechtbank vastgestelde gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang. Dit gemeenschappelijk inkomen moet bij helfte worden verdeeld. Verder is de Inspecteur van mening dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De beschikking belastingrente moet volgens de Inspecteur overeenkomstig de wettelijke bepalingen worden vastgesteld.

4.Beoordeling van het geschil

De op de zaak betrekking hebbende stukken
4.1.
Op grond van artikel 8:42, lid 1, van de Awb moet de inspecteur tijdig alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan hem ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter overleggen. Deze bepaling strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld en heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belastingplichtige zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Tot de op grond van artikel 8:42, lid 1, van de Awb over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren niet slechts de stukken die de inspecteur heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Daartoe behoren in beginsel ook stukken die de inspecteur wel ter beschikking staan of hebben gestaan maar die hij niet heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Als een stuk passages bevat die op de zaak betrekking hebben, is dit stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk. De verplichting om dit stuk over te leggen, ziet daardoor niet slechts op de voor de beoordeling van de zaak relevante passages. [1]
4.2.
Indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd stelt dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door de inspecteur moet worden overgelegd, moet aan dat verzoek worden tegemoetgekomen, op voorwaarde dat het bestaan van dat stuk aannemelijk is. Dit is slechts anders in gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van Pro de Awb en in uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht. [2]
4.3.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De stukken die Inspecteur volgens belanghebbende niet heeft overgelegd betreffen stukken van de FIOD met de nummers G2-001, DOC-043 A.04, DOC-026, DOC 155 en G- 003-01, die als onderbouwing dienen van de in onderdeel 6.3. van het overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] beschreven onttrekkingen uit [werkmaatschappij2] . De Inspecteur stelt dat hij van de FIOD alleen het overzichtsproces-verbaal [naam onderzoek] en het zaaksdossier van de partner van belanghebbende heeft gekregen en dus alle stukken die hij van de FIOD heeft gekregen, heeft overgelegd.
4.4.
Het Hof acht de ontkenning van de Inspecteur dat hij geen andere dan genoemde stukken van de FIOD heeft gekregen geloofwaardig. De Hof overweegt hierbij dat belanghebbende niets heeft aangedragen dat het vermoeden rechtvaardigt dat de Inspecteur wel over de meer stukken van de FIOD (heeft) beschikt. De Inspecteur was daarnaast niet gehouden de door belanghebbende genoemde stukken bij de FIOD op te vragen. [3] Van een schending van artikel 8:42, lid 1, van de Awb door de Inspecteur is dan ook geen sprake.
Omvang van het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang
4.5.
De Inspecteur heeft het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang bij aanslag vastgesteld op € 860.850 waarvan hij de helft heeft toegekend aan belanghebbende en de helft aan haar partner. De Rechtbank heeft het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd en vastgesteld op € 585.536. Dit gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang bestaat uit reguliere voordelen van € 604.536 en een negatief vervreemdingsvoordeel van € 19.000. De reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang hebben betrekking op de uitdeling door [werkmaatschappij2] aan belanghebbende van twee rekening-courantvordering van [werkmaatschappij2] op respectievelijk [holding] van € 552.429 en de partner van belanghebbende van € 52.107. Het negatieve vervreemdingsvoordeel hangt samen met de vervreemding van de aandelen [werkmaatschappij2] door de partner van belanghebbende aan [naam4] .
4.6.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang door de Rechtbank te hoog is vastgesteld. Belanghebbende voert daartoe allereerst aan dat, indien het Hof van oordeel is dat de partner van belanghebbende geen aanspraak kan maken op een terbeschikkingstellingsverlies in verband met de aflossing van de schuld door belanghebbende aan de [naambank] , omdat sprake is van een onzakelijke terbeschikkingstelling, de verkrijgingsprijs van de aandelen [werkmaatschappij2] moet worden verhoogd met een informele kapitaalstorting van € 532.265. Dit leidt ertoe dat het negatieve vervreemdingsvoordeel verder moet worden verminderd met dit bedrag. Verder stelt belanghebbende dat haar partner een schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] van € 380.179 heeft overgenomen. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat deze schuldovername ertoe leidt dat het bedrag aan reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang met dit bedrag moet worden verminderd, omdat deze schuldovername is verrekend met de rekening-courantvordering van [werkmaatschappij2] op [holding] en de partner van belanghebbende. Subsidiair bepleit belanghebbende dat deze schuldovername tot een informele kapitaalstorting heeft geleid die de verkrijgingsprijs van de aandelen [werkmaatschappij2] heeft verhoogd met een bedrag van € 380.179. Deze informele kapitaalstorting zou er dan toe moeten leiden dat het negatieve vervreemdingsvoordeel verder moet worden verminderd met dit bedrag.
4.7.
De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende dat het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang dat de Rechtbank heeft vastgesteld verder moet worden verminderd gemotiveerd betwist. Reeds omdat volgens de Inspecteur de partner van belanghebbende geen verhaalsrecht had op [werkmaatschappij2] , kan geen sprake zijn van een informele kapitaalstorting van belanghebbende in [werkmaatschappij2] en een groter verlies uit aanmerkelijk belang. Daarnaast is de Inspecteur van mening dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar partner een schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] heeft overgenomen, zodat ook in zo verre geen aanleiding bestaat voor de door belanghebbende bepleite vermindering van het door de Rechtbank vastgestelde gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang.
4.8.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar partner een verhaalsrecht had op [werkmaatschappij2] voor een bedrag van € 532.265. Voor een nadere motivering van dit oordeel verwijst het Hof naar rechtsoverwegingen 4.9. tot en met 4.12. van de uitspraak die het Hof heden heeft gedaan in de zaak van de partner van belanghebbende met het zaaknummer ARN 24 /1565. Dit maakt dat belanghebbende niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat de verkrijgingsprijs van de aandelen [werkmaatschappij2] moet worden opgehoogd met een informele kapitaalstorting van € 532.265, nu in dat standpunt besloten ligt dat de partner van belanghebbende wel een verhaalsrecht had op [werkmaatschappij2] voor dit bedrag.
4.9.
Ten aanzien van het standpunt van belanghebbende dat haar partner een schuld van [werkmaatschappij2] van [schuldeiser1] heeft overgenomen, overweegt het Hof als volgt. Het Hof begrijpt uit de verklaringen van [schuldeiser1] tegenover de FIOD (zie 2.19.) dat [schuldeiser1] in maart 2017 heeft ontdekt dat [werkmaatschappij2] had gefraudeerd bij de levering van metalen aan [schuldeiser1] en dat [schuldeiser1] [werkmaatschappij2] daarop vervolgens heeft aangesproken. Deze constatering van fraude heeft ertoe geleid dat [schuldeiser1] een vordering van ruim €380.000 verkreeg op [werkmaatschappij2] . Uit de stelling van belanghebbende dat verrekening heeft plaatsgevonden van de schuld aan [schuldeiser1] met de rekening-courant vorderingen van [werkmaatschappij2] op de partner van belanghebbende en [holding] , begrijpt het Hof dat belanghebbende stelt dat haar partner reeds voorafgaand aan de verkoop van de aandelen [werkmaatschappij2] de schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] in privé heeft overgenomen. Het Hof acht dit niet aannemelijk. Het Hof overweegt daartoe dat uit de verkoopovereenkomst van de aandelen volgt dat [werkmaatschappij2] op dat moment nog een schuld aan [schuldeiser1] had (zie 2.6.). Belanghebbende heeft niet gesteld dat deze schuld geen verband hield met de geconstateerde fraude. Het Hof ziet ook geen aanleiding om op dit punt aan de verkoopovereenkomst voorbij te gaan. De door belanghebbende overgelegde verklaring van [schuldeiser1] (zie 2.22.) kan, anders dan belanghebbende stelt, niet afdoen aan de inhoud van de verkoopovereenkomst. Uit die verklaring van [schuldeiser1] , alsmede verklaringen van [schuldeiser1] tegenover de FIOD, volgt weliswaar dat afgesproken is dat de schuld aan [schuldeiser1] zou worden voldaan door inhoudingen op betalingen van [schuldeiser1] voor leveringen door [werkmaatschappij2] en andere vennootschappen waarvan de partner van belanghebbende (middellijk) bestuurder was, maar uit die verklaringen kan zonder meer niet de conclusie worden getrokken dat de partner van belanghebbende de schuld aan [schuldeiser1] reeds vóór de overdracht van de aandelen in privé had overgenomen. Van een eventuele verrekening van deze schuld met de rekening-courant vorderingen van [werkmaatschappij2] op de partner van belanghebbende en/of [holding] heeft belanghebbende ook verder geen bewijs geleverd.
4.10.
Belanghebbende heeft daarnaast ook niet aannemelijk gemaakt dat haar partner de schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] in privé heeft overgenomen, nadat hij de aandelen [werkmaatschappij2] had overgedragen aan [naam4] . Van afspraken daarover tussen de partner van belanghebbende en [naam4] is niet gebleken. Ten slotte volgt uit door belanghebbende overgelegde facturen van [schuldeiser1] gericht aan [werkmaatschappij1] uit 2020 weliswaar dat een verrekening heeft plaatsgevonden door [schuldeiser1] , maar belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat niet haar partner, maar [werkmaatschappij1] de schuld van [werkmaatschappij2] aan [schuldeiser1] op enig moment op onzakelijk gronden heeft overgenomen van [werkmaatschappij2] . Gesteld noch aannemelijk geworden is dat [werkmaatschappij1] de door [schuldeiser1] verrekende bedragen tot de belaste winst heeft gerekend of dat met betrekking tot deze verrekende bedragen in 2020 of andere jaren winst uit aanmerkelijk belang is aangegeven.
4.11.
Uit hetgeen het Hof hiervoor in 4.5. tot en met 4.10. heeft overwogen, volgt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt de Rechtbank het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog heeft vastgesteld.
Verdeling van het gezamenlijk inkomen uit aanmerkelijk belang
4.12.
Belanghebbende en haar partner hebben bij de Rechtbank verzocht om het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang te verdelen volgens de bij de aangifte van 30 april 2019 reeds in acht genomen verdeling van 1,5% voor belanghebbende en 98,5% voor haar partner. Belanghebbende beklaagt zich er in hoger beroep in beginsel terecht over dat de Rechtbank dit verzoek niet heeft gehonoreerd. Met haar oordeel dat het verbod van reformatio in peius aan deze van de aanslag(en) afwijkende verdeling in de weg staat, heeft de Rechtbank miskend dat uit artikel 2.17, lid 4, van de Wet IB 2001 volgt dat de voor een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, zoals het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang, tot stand gekomen verdeling door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk kan worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag van de belastingplichtige en zijn partner onherroepelijk vaststaan.
4.13.
Overeenkomstig het verzoek van belanghebbende en haar partner zal het Hof het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang dat door de Rechtbank is vastgesteld op € 585.536, voor 1,5%, dat is € 8.783 toedelen aan belanghebbende.
Belastingrente
4.14.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de beschikking belastingrente moet worden verlaagd. Belanghebbende verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361. De Inspecteur is van mening dat de belastingrente juist is berekend.
4.15.
De Inspecteur heeft bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. Deze belastingrente is berekend over de periode 1 juli 2018 tot en met 3 augustus 2019. Gedurende deze periode was het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting vastgelegd in artikel 30hb van de AWR en bedroeg dit percentage 4%. Het Hof begrijpt dat belanghebbende met zijn verwijzing naar genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland bepleit dat dit percentage van de belastingrente te hoog is. Het Hof volgt belanghebbende daarin niet. Niet kan worden gezegd dat de wetgever dit percentage – in strijd is met hoger recht – te hoog heeft vastgesteld. [4] Het Hof merkt hierbij nog op dat in de door belanghebbende genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland en het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59 inzake het tegen die uitspraak ingestelde beroep in cassatie, niet het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting voor de periode 2018 en 2019 aan de orde was, maar het percentage van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting voor de jaren 2022 en 2023 dat gold volgens artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente. De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland is daarom niet relevant voor de vraag of het in dit geval gehanteerde percentage van de belastingrente te hoog is.
4.16.
Nu het hoger beroep ertoe leidt dat de aanslag moet worden verminderd, zal het Hof wel de beschikking belastingrente – met inachtneming van het bij wet bepaalde percentage van de belastingrente – dienovereenkomstig verminderen.
Boete
4.17.
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de verzuimboete. Het Hof acht deze boete passend en geboden.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Tevens ziet het Hof aanleiding om de door de Rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase opnieuw vast te stellen, nu de Rechtbank deze proceskostenvergoeding wegens samenhang heeft verdeeld over belanghebbende en haar partner en het Hof in de zaak van de partner met het zaaknummer ARN 24 /1565 de beslissing van de Rechtbank over de vergoeding van de proceskosten heeft vernietigd. Daar komt bij de belanghebbende er terecht over klaagt dat de Rechtbank ten aanzien van de kosten voor de bezwaarfase uit is gegaan van een te lage waarde per punt.
5.3.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934), de kosten voor de beroepsfase vast op € 1.868 (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934), en de kosten voor de bezwaarfase vast op € 666 (1 punt voor het bezwaarschrift). De totale proceskostenvergoeding bedraagt daarmee € 4.402.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens voor zover het betreft de beslissingen omtrent de boete en het griffierecht,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 8.783,
– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.402,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 138 vergoedt in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
De beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J. Hollander) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie onder andere Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672 en Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670.
2.Zie Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874 en Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670.
3.Zie Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, r.o. 2.3.2.
4.Zie ook Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, r.o. 4.11.6. en 4.11.7.