Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2638

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
200.347.340
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 1 CMRArt. 17 lid 4 onder d CMRArt. 25 CMRArt. 31 lid 1 Weens VerdragenverdragArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aansprakelijkheid vervoerder voor waardevermindering kipfilet door verontreinigde trailers

Plukon c.s. vorderden schadevergoeding van DFDS wegens waardevermindering van kipfilet die tijdens drie internationale wegtransporten naar Frankrijk werd geweigerd vanwege verontreinigingen in de trailers. De rechtbank wees de vordering af, en Plukon c.s. gingen in hoger beroep.

Het hof stelde vast dat de kip niet fysiek was aangetast door de maden, metaaldeeltjes of houtsplinters in de trailers en dat de weigering door de verwerker gerechtvaardigd was op grond van publiekrechtelijke en contractuele eisen. Volgens het hof vereist artikel 17 lid 1 CMR Pro een fysieke beschadiging voor aansprakelijkheid, wat hier ontbrak.

Subsidiair stelde Plukon c.s. dat DFDS tekort was geschoten in haar nevenverbintenis om schone trailers te leveren. Het hof oordeelde dat het inzetten van verontreinigde trailers niet tot aansprakelijkheid leidt zolang de hoofdverbintenis (onbeschadigde aflevering) niet is geschonden.

De incidentele vordering van DFDS werd niet behandeld omdat de hoofdzaak werd afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde Plukon c.s. tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering van Plukon c.s. af en bevestigt dat DFDS niet aansprakelijk is voor waardevermindering zonder fysieke beschadiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.347.340
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 304395
arrest van 28 april 2026
in de zaak van

1.Plukon Goor B.V.(hierna: Plukon)

die is gevestigd in Goor
2. de vennootschap naar buitenlands recht
MSIG Europe SE(hierna: MSIG), voorheen MS Amlin Insurance SE
die is gevestigd in Amstelveen
(tezamen hierna: Plukon c.s.)
advocaat: mr. V.R. Pool
tegen:
DFDS Logistics Nijmegen B.V. (hierna: DFDS)
die is gevestigd in Nijmegen
advocaat: mr. D. Komen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Plukon c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) op 19 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken [1] . Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, tevens akte wijziging partijnaam
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 11 maart 2026 is gehouden.
1.2.
DFDS heeft bezwaar gemaakt tegen de productie die Plukon c.s. voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan het hof hebben verzonden, omdat daar naar haar mening nieuwe feiten, grieven en dergelijke in staan. Mocht dit het geval zijn, dan zal het hof bezien of die feiten en dergelijke buiten beschouwing moeten worden gelaten. Maar dat is geen reden om de productie in het geheel niet toe te laten. De productie is dan ook ter zitting toegelaten waarmee het bezwaar is verworpen. De reactie van DFDS op het proces-verbaal is toegevoegd aan het dossier en zal slechts ter sprake komen, indien dat voor de beslissing relevant is.

2.De kern van de zaak

2.1.
Plukon c.s. houden DFDS aansprakelijk voor de schade die zij stellen te hebben geleden bij een drietal internationale wegtransporten met als lading verse kipfilet.
2.2.
Plukon c.s. hebben bij de rechtbank een schadevergoeding gevorderd van € 213.855,95, vermeerderd met expertisekosten en CMR rente.
2.3.
De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van Plukon c.s. is dat de afgewezen vordering alsnog wordt toegewezen. DFDS heeft bij de rechtbank een incidentele vordering ex artikel 843a Rv ingesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat DFDS daar geen belang bij heeft omdat de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen. In haar voorwaardelijke incidentele hoger beroep vraagt DFDS alsnog toewijzing van deze vordering.
2.4.
Het hof zal beslissen dat de rechtbank de vordering van Plukon c.s. terecht heeft afgewezen. Daarom behoeft de incidentele vordering van DFDS ook in hoger beroep geen behandeling. Het hof zal zijn oordeel hierna toelichten.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
In deze zaak staan de feiten vast die de rechtbank heeft opgesomd in rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.9 van haar (gepubliceerde) vonnis. Het hof verwijst daarnaar.
3.2.
Samengevat, gaat het om drie zendingen kipfilet die door DFDS in opdracht van Plukon over de weg zijn vervoerd naar [handelaar] in Frankrijk in 2022 en 2023. Die zendingen zijn door [handelaar] geheel of gedeeltelijk geweigerd. Eén zending vanwege enkele in de trailer aangetroffen maden (juli 2022), één vanwege aangetroffen metaaldeeltjes (april 2023) en één vanwege enkele aangetroffen houtsplinters (mei 2023). De kip bevond zich bij die transporten in plastic bakken, zogenoemde dolavs of bins. In iedere dolav gaat ca. 1000 kg verse kipfilet. Aan de binnenkant van de dolav was de kip verpakt in een plastic zak die aan de bovenkant was dichtgevouwen. De dolavs waren afgedekt met poly top hoezen.
3.3.
Plukon c.s. stellen dat [handelaar] contractueel en op grond van publiekrechtelijke voorschriften de kip vanwege de in de trailers aangetroffen verontreinig mocht weigeren, waarna de kip retour is gegaan en vervolgens door het tijdsverloop niet meer als verse kip verkocht kon worden maar alleen nog als diepgevroren product. Dat heeft tot een aanzienlijke waardevermindering geleid. Plukon c.s. houden DFDS voor die schade aansprakelijk, primair op grond van artikel 17 van Pro het op de vervoerovereenkomst toepasselijke CMR-verdrag (hierna ook: de CMR) en subsidiair op grond van nationaal recht. Plukon c.s. wijzen erop dat in de levensmiddelenbranche hoge eisen worden gesteld aan hygiënisch handelen. Dit komt tot uiting in de toepasselijke publiekrechtelijke regelgeving, maar ook in de overeenkomst tussen Plukon en [handelaar] . Gelet daarop was [handelaar] in haar verhouding tot Plukon gerechtigd de zendingen te weigeren. [handelaar] hoefde en mocht niet het risico aanvaarden dat bij de verwerking van de kipfilets, waarbij de dolavs worden “omgekieperd”, de verontreiniging via de verpakking in het productieproces terecht kon komen. DFDS heeft de standpunten van Plukon c.s. gemotiveerd bestreden.
3.4.
Het hof volgt Plukon c.s. in die zin dat [handelaar] als verwerker van verse levensmiddelen verplicht is het risico op verontreiniging te vermijden. Dat dit leidt tot hoge eisen aan het product en de wijze van aanlevering daarvan blijkt wel uit het door Plukon c.s. overgelegde (concept) contract tussen haar en [handelaar] . Het hof wil aannemen dat dit contract tegen de achtergrond van de publiekrechtelijke regelgeving voor de levensmiddelenbranche [handelaar] ten opzichte van Plukon de ruimte gaf de zendingen zonder meer te weigeren. Dat neemt niet weg dat de contractuele verhouding tussen Plukon en [handelaar] niet één op één kan worden doorgelegd naar die tussen Plukon en haar vervoerder DFDS. Die laatst bedoelde relatie wordt beheerst door de CMR. Dat verdrag gaat ervan uit dat de vervoerder aansprakelijk is voor een tekortschieten in zijn hoofdverplichting (vervoer) in geval van beschadiging of verlies van de lading en in geval van vertraging (artikel 17 lid Pro 1). Bepalend daarbij is of de schade, ook als die pas ontstaat of aan het licht komt nadat de vervoersovereenkomst is geëindigd, is veroorzaakt bij de uitvoering van die overeenkomst [2] .
3.5.
Vaststaat tussen partijen dat achteraf (toen de lading retour kwam bij Plukon) is vastgesteld dat de kip niet in aanraking is geweest met de maden, respectievelijk de metaaldeeltjes en de houtsplinters. De kip is dan ook verkocht, zij het diepgevroren. Door Plukon c.s. is ook niet gesteld dat er ten tijde van de aanbieding van de kip op het losadres een reëel risico bestond dat de kip, die zich in de dichtgevouwen zakken bevond, tijdens het vervoer in aanraking was gekomen met de in de trailer aangetroffen vervuiling. Tegen de overweging van de rechtbank (vonnis onder 2.2 en 5.10 slot) dat “fear of loss” hier niet speelt is geen grief aangevoerd. DFDS betoogt op grond van dit alles dat geen sprake is van een “beschadiging” van de kip in de zin van artikel 17 CMR Pro, nu geen sprake is geweest van een fysieke aantasting van de kipfilet. Plukon c.s. stellen zich primair op het standpunt dat dit ook niet is vereist en dat voor aansprakelijkheid onder de CMR voldoende is dat de kip in waarde is verminderd als gevolg van een gebeurtenis tijdens het vervoer. Het hof volgt dat standpunt niet.
3.6.
De Nederlandse tekst van artikel 17 lid 1 CMR Pro luidt, voor zover in dit geval relevant:

De vervoerder is aansprakelijk voor geheel of gedeeltelijk verlies en voor beschadiging van de goederen, welke ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering. (…).”
In de Engelse tekst staat: “the total or partial loss of the goods and (…) damage thereto” en in de Franse tekst is sprake van aansprakelijkheid “de la perte totale ou partielle, ou de l’avarie.”.
3.7.
Het CMR-verdrag bevat geen definitie van het begrip "beschadiging". Op grond van art. 31 lid 1 van Pro het Weens Verdragenverdrag moet het begrip "beschadiging" te goeder trouw worden uitgelegd naar de gewone betekenis van het woord, in de context waarin het wordt gebruikt en in het licht van het voorwerp en doel van het verdrag. Van beschadiging kan naar het oordeel van het hof in de gewone betekenis van het woord alleen sprake zijn in geval van een fysieke aantasting. Beschadiging is niet hetzelfde als het ruimere begrip schade. Deze uitleg is ook in lijn met de Engelse verdragstekst, omdat het volgens die tekst eveneens moet gaan om schade
aan de lading(namelijk: ‘thereto’). Plukon c.s. hebben onvoldoende overtuigende argumenten aangevoerd op grond waarvan, gelet op de context waarin het woord is gebruikt en het voorwerp en doel van het verdrag, voor het aannemen van een “beschadiging” al voldoende is dat een waardevermindering is opgetreden, ook als geen sprake is van een fysieke aantasting. Het hof ziet in de voorbeelden van beschadigingen zoals die worden opgesomd in artikel 17 lid 4 onder Pro d eerder extra aanwijzingen dat het om een fysieke aantasting moet gaan. De verwijzing door Plukon c.s. naar artikel 25 CMR Pro kan niet overtuigen, omdat de daar genoemde waardevermindering in geval van beschadiging aan de orde komt ter bepaling van de omvang van de schade. Voor vestiging van de aansprakelijkheid is echter een beschadiging vereist.
3.8.
De subsidiaire stelling van Plukon c.s. (grief 1) is dat de kip in kwaliteit is verminderd (en aldus toch wel fysiek is aangetast) door vochtverlies tijdens de retourrit naar het adres van Plukon in Nederland. Die redenering gaat niet op. De retourrit was het gevolg van de weigering van [handelaar] , waarvan hiervoor is geoordeeld dat die weigering niet het gevolg is van een beschadiging van de kip en dus geen gebeurtenis is waarvoor DFDS als vervoerder onder de CMR aansprakelijk is.
3.9.
Gelet op het voorgaande is DFDS niet op grond van de CMR aansprakelijk. Daarmee komt het hof toe aan de stelling van Plukon c.s. dat DFDS dan buiten de CMR om aansprakelijk is op grond van nationaal recht. Zij betogen daartoe dat DFDS is tekortgeschoten in haar nevenverbintenis om schone trailers ter beschikking te stellen. Ook in dit standpunt gaat het hof niet mee.
3.10.
In het Transfennica-arrest [3] heeft de Hoge Raad (rechtsoverweging 3.4.2) overwogen:

De CMR voorziet niet in een uitputtende regeling van de aansprakelijkheid van de vervoerder. Art. 17 CMR Pro regelt uitsluitend de aansprakelijkheid van de vervoerder voor verlies van of schade aan door hem vervoerde zaken, alsmede voor vertraging in de aflevering. Voor andere schade dan deze kan de vervoerder aansprakelijk zijn op grond van het toepasselijke nationale recht (vgl. met betrekking tot schade aan andere dan de vervoerde zaken HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1333, NJ 1995/114 (Cargofoor)).”
3.11.
In de onderhavige zaak is de vordering van Plukon c.s. erop gebaseerd dat tijdens het transport schade is ontstaan aan de vervoerde zaken. Het is die schade waarvan de vergoeding wordt gevorderd. Plukon c.s. stellen wel dat [handelaar] niet het risico mocht aanvaarden dat bij de verwerking van de kipfilets de verontreiniging via de verpakking in het productieproces terecht kon komen, maar anders dan in “Cargofoor”, ziet de vordering hier niet op schade aan goederen van derden (zoals [handelaar] ) die (via subrogatie) op basis van onrechtmatige daad wordt gevorderd, of kosten gemaakt ter voorkoming van dergelijke schade. Bij dat laatste valt te denken aan extra kosten als gevolg van inspectie en voorzichtig lossen van de lading (in plaats van het “omkieperen” als hiervoor genoemd in r.o. 3.3, wat plaatsvindt na het lossen van de lading).
3.12.
Anders dan in Transfennica gaat het ook niet om schade geleden door schending door de vervoerder van een contractuele nevenverbintenis (zoals in het geval van Transfennica: tot het verschaffen van juiste laadreferenties). Plukon c.s hebben tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat partijen ten aanzien van de inzet van schone trailers een afzonderlijke nevenverbintenis zijn overeengekomen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat DFDS zonder consequenties vervuilde trailers kan inzetten. Het werken met schone trailers kan echter niet anders worden gezien dan als werkwijze waardoor de vervoerder in staat is zijn hoofdverbintenis om de goederen zonder beschadiging en vertraging af te leveren na te komen. [4] . Net zoals dat geldt voor het inzetten van een bekwame chauffeur en een functionerende koelinstallatie. Laat de vervoerder dat na en leidt dit tot niet-nakoming van de hoofdverbintenis, dan wordt de aansprakelijkheid gereguleerd door de CMR. In dit geval heeft de eventuele inzet van een verontreinigde trailer niet geleid tot schending van de hoofdverbintenis, omdat de lading desondanks onbeschadigd is aangekomen.
3.13.
Plukon maakt nog de vergelijking met de casus in de DLG zaak [5] waarin de vervoerder aansprakelijk is gehouden voor waardevermindering van een partij paardenvlees omdat door de vervoerder in strijd met de instructie verzuimd was het paardenvlees voor keuring door de NVWA aan te bieden, zonder dat het paardenvlees fysiek was aangetast. Kenmerkend voor die zaak is naar het oordeel van het hof nu juist dat daar wel een zelfstandige nevenverbintenis was geschonden, namelijk die om de partij paardenvlees te laten keuren. Dat dit in de motivering van de rechtbank Rotterdam niet tot uiting is gekomen, leidt bij het hof niet tot een ander oordeel.
3.14.
Op grond van het voorgaande falen de grieven 1, 2, 4, 5 en 6. De vraag of Plukon voldoende schadebeperkend heeft opgetreden (grief 3) behoeft daarom geen bespreking, evenals de vraag of sprake is van eigen schuld wegens onvoldoende controleren van de trailers.
3.15.
Grief 7 (proceskosten) mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom ook geen bespreking. Aan het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep wordt niet toegekomen, omdat DFDS daar ook in hoger beroep geen belang bij heeft.
De conclusie
3.16.
Het hoger beroep van Plukon c.s. slaagt niet. Omdat Plukon c.s. in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in het hoger beroep veroordelen. Dit houdt in dat Plukon c.s. ook de nakosten moet vergoeden, ook al worden die kosten hieronder niet begroot. Het gaat bij de nakosten om de kosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak, waarvan de hoogte eveneens door het liquidatietarief wordt bepaald. [6] In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep blijft een proceskostenveroordeling achterwege.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van 19 juni 2024 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo;
4.2.
veroordeelt Plukon c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van DFDS:
€ 6.561,- aan griffierecht
€ 9.414,- aan salaris van de advocaat van DFDS (2 procespunten x het toepasselijke appèltarief VI)
4.3.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, J.E. Wichers en H.E. de Boer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Voetnoten

2.Zie r.o. 3.4.4 van het hierna te bespreken Transfennica-arrest
3.HR 18-12-2015: ECLI:NL:HR:2015:3624
4.In gelijke zin dit Hof in de zaak Sweetlife: 18-01-2022, GHARL:2022:294
5.Rechtbank Rotterdam 26 juni 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6332
6.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853