Uitspraak
[appellant],
Allianz,
1.Het verdere verloop van de procedure bij het hof
2.Het oordeel van het hof
- voor de situatie zonder ongeval moet ervan worden uitgegaan dat [appellant] vanaf 1 juli 2004 een inkomen zou hebben gehad gelijk aan 110% van het minimumloon;
- voor de situatie met ongeval moet zowel voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2012 als voor de situatie vanaf 1 juli 2012 (tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd) worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] ;
- als over de periode vanaf 1 juli 2012 sprake is van schade vanwege verlies verdienvermogen (doordat het inkomen met ongeval lager is dan het inkomen zonder ongeval) dient [appellant] de helft van deze schade zelf te dragen, omdat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door geen werk meer te zoeken.
- het hof ziet in de door Allianz aangevoerde argumenten geen reden om terug te komen op zijn beslissing in het tussenarrest van 20 februari 2024 over het causaal verband;
- de eisvermeerdering van [appellant] is wat betreft de pensioenschade niet toelaatbaar, maar wat betreft de afgifte van een aantal garanties (belasting-, participatiewet-, huur- en zorgtoeslaggarantie) wel toelaatbaar;
- [appellant] mag nog reageren op het door Allianz in het geding gebrachte rapport van haar partijdeskundige [naam2] LRGD QC van Sedgwick (hierna: [naam2] ).
mr. [naam3] van De Bureaus (hierna: [naam3] ). Allianz heeft vervolgens weer op dat rapport gereageerd en heeft in dat verband verwezen naar een bijgevoegd stuk van [naam2] . Op dat stuk van [naam2] heeft [appellant] niet kunnen reageren. Het hof zal hem daar ook niet toe in de gelegenheid stellen, omdat het stuk van [naam2] niet meer dan een beknopte reactie betreft op het rapport van [naam3] , waarop Allianz uiteraard mocht reageren.
- € 59.911,- voor de periode 1 juli 2012 tot 1 januari 2025;
- € 160.833,- voor de periode vanaf 1 januari 2025.
Per 1 januari 2024 bedraagt de wettelijke rente over de verschenen schade volgens de deskundige € 28.233,-.
‘
De conclusie is dat in de situatie na ongeval tot 1 juli 2012 kan worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] . Voor de situatie vanaf 1 juli 2012 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd moet ook worden uitgegaan van het feitelijk inkomen. Maar als over die periode sprake is van schade, doordat het feitelijk inkomen lager is dan het hypothetisch inkomen, dient hij de helft van die schade zelf te dragen.’
De rekenkundige verwerking van de eigen schuld die Allianz bepleit, in navolging van haar partijdeskundige [naam2] , wijkt daarvan af. Waar het hof voor de fictieve situatie uitgaat van het volledige hypothetische inkomen (110% van het minimumloon) en aangeeft dat het percentage eigen schuld over het verschil tussen dat hypothetische inkomen en het feitelijke inkomen (de schade) moet worden berekend, past [naam2] het percentage eigen schuld ten onrechte toe op het hypothetisch inkomen, dat daarmee halveert tot 55% van het minimumloon. Dat er dan, gelet op de hoogte van het minimumloon, geen of nauwelijks (afhankelijk van de vraag of voor de fictieve situatie met de volledige bijstandsuitkering of met de helft ervan wordt gerekend) schade resteert, ligt voor de hand.
‘
Vervolgens had betrokkene voor het gezinsinkomen willen zorgen en hiervoor fulltime hebben gewerkt. Zijn echtgenote zou dan het volledige huishouden hebben gedaan.’
Nu het gezin in de hypothetische situatie met 110% van het minimumloon zou hebben moeten rondkomen, dient volgens Allianz voor de feitelijke situatie te worden uitgegaan van de volledige gezinsbijstand.
feitelijkesituatie te abstraheren van deze realiteit. Het hof zal dan ook de volledige bijstandsuitkering aan [appellant] toerekenen indien er rekening gehouden moet worden met de bijstandsuitkering. De vraag of en in hoeverre met de uitkering rekening moet worden gehouden, zal het hof hierna bespreken.
als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend aanspraak op bepaalde middelen had, maar daarover op dat moment feitelijk nog niet kon beschikken. Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie de bijstand terugvorderen.Dit hangt samen met het aanvullende karakter van de bijstand[onderstreping hof]. Voor het bepalen van de hoogte van het terugvorderingsbedrag moet achteraf een fictieve vermogensvaststelling plaatsvinden naar de situatie op de peildatum. Als de aanspraak na de aanvang van de bijstand is ontstaan, zoals in deze zaak, dan is de dag waarop de aanspraak is ontstaan de peildatum. Als uitgangspunt geldt dat de aanspraak op vergoeding van schade door een ongeval ontstaat op de datum van dat ongeval.’ [3]
in beginselgeen rekening moet worden gehouden met een bijstandsuitkering. Dat is ook in lijn met de maatschappelijke opvatting dat degene die schade veroorzaakt zelf voor die schade moet instaan en die schade niet kan afwentelen op de algemene middelen. Maar ook hier geldt dat een principieel uitgangspunt in de praktijk tot praktische problemen kan leiden. Als de benadeelde bij de afwikkeling van de schade al enige tijd een bijstandsuitkering heeft ontvangen en daarmee bij de afwikkeling geen rekening wordt gehouden is het mogelijk dat de gemeente geen (of niet volledig) gebruik maakt van haar terugvorderingsbevoegdheid. In dat geval ontvangt de benadeelde over de periode waarover hij een bijstandsuitkering heeft ontvangen meer schadevergoeding dan hij feitelijk aan schade heeft geleden.
nietals middelen wordt beschouwd tenzij ‘
met hetzelfde doel bijstand is verstrekt of hiervoor later bijstand wordt gevraagd’. In een e-mail van 20 november 2024 aan de deskundige schreef de gemeente dat het ontvangen van een schadevergoeding leidt tot toetsing en dat in dat kader zal worden beoordeeld of de uitkering beëindigd moet worden.
Om aspecten als huurtoeslag in de berekening op te nemen, is niet conform de opdracht van het hof. Een aspect als zorgtoeslag is ook niet in de berekening opgenomen en dit heeft te maken met de opdracht dat voor het inkomen na ongeval uitgegaan moet worden van het feitelijk inkomen. De feitelijke situatie is dat er een partner is, maar de partner moet worden
‘
Er wordt geen fiscale component berekend, omdat er in de situatie met gebeurtenis
Hij wordt daarin bijgevallen door [naam2] , terwijl [naam3] zich niet uitlaat over dit punt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat in dit geval geen sprake zal zijn van belastingschade vanwege de box 3 heffing over de te ontvangen schadevergoedingsuitkering.
20 februari 2024 heeft het hof al overwogen dat geen wettelijke handelsrente verschuldigd is, maar voor zover al wettelijke rente verschuldigd is de ‘gewone’ wettelijke rente volstaat.
Verder heeft het hof overwogen en beslist dat [appellant] nog aanspraak heeft op vergoeding van € 3.338,66 aan medische kosten. Bij dat bedrag is, conform de berekening van [appellant] zelf, al rekening gehouden met een betaald voorschot van € 5.000,-. Over de kosten is wettelijke rente verschuldigd. [appellant] dient die wettelijke rente te (laten) berekenen per 1 oktober 2026. Bij die berekening kan worden uitgegaan van de bedragen en de factuurdata die zijn vermeld in het als productie 51d bij memorie van grieven door [appellant] overgelegde overzicht. De wettelijke rente gaat steeds in 14 dagen na de factuurdatum.
1 oktober 2026. Het hof verwijst op dit punt naar wat het heeft overwogen over de vertaalkosten.
a. schade vanwege verlies verdienvermogen tot 1 juli 2012:
De berekening van de deskundige kan worden gevolgd. De schade bedraagt dus € 36.972,-. Over dit bedrag dient de wettelijke rente per 1 oktober 2026 te worden berekend;
b. schade vanwege verlies verdienvermogen vanaf 1 oktober 2026 tot aan pensioengerechtigde leeftijd:
In de fictieve situatie wordt uitgegaan van 110% van het minimumloon, vermeerderd met de toeslagen waarop (het gezin) [appellant] aanspraak heeft. In de feitelijke situatie wordt uitgegaan van een inkomen van nihil, te vermeerderen met eventuele toeslagen waarop (het gezin) [appellant] , rekening houdend met het vermogen per 1 januari van elk jaar, aanspraak heeft. [appellant] heeft aanspraak op 50% van het verschil. De kapitalisatiedatum is 1 oktober 2026.
c. Buitengerechtelijke kosten:
Medische kosten van € 3.338,66, te vermeerderen met de wettelijke rente per 1 oktober 2026 (berekend overeenkomstig rov. 2.28), vertaalkosten van € 15.000,-, met wettelijke rente per
1 oktober 2026 en kosten rechtsbijstand van € 20.000,-, met wettelijke rente per 1 oktober 2026.
Bij deze wijze van afdoening kan de afgifte van garanties achterwege blijven.