Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2455

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.316.457/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 11 lid 4 ParticipatiewetArt. 21 ParticipatiewetArt. 31 lid 1 ParticipatiewetArt. 31 lid 2 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelarrest over schadevergoeding verlies verdienvermogen en gevolgen Participatiewet

In deze civiele zaak staat de schadevergoeding wegens verlies van verdienvermogen centraal, waarbij het hof eerdere tussenarresten heeft gewezen over de uitgangspunten voor de berekening. Het hof heeft vastgesteld dat het inkomen zonder ongeval gelijk is aan 110% van het minimumloon en dat het feitelijke inkomen met ongeval bepalend is voor de schade, waarbij eigen schuld wordt toegepast voor het niet zoeken van werk na 1 juli 2012.

De discussie spitst zich toe op de vraag of en hoe rekening moet worden gehouden met een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, die volgens de wet een gezinsuitkering is en terugvordering door de gemeente mogelijk maakt. Het hof oordeelt dat het aanvullende karakter van de bijstand betekent dat deze niet als inkomen in de schadeberekening moet worden meegenomen, maar erkent het praktische probleem dat dubbele vergoeding kan ontstaan als de gemeente niet terugvordert.

Het hof verwijst daarom de periode van bijstandsontvangst (1 juli 2012 tot 1 oktober 2026) naar de schadestaat, zodat de gemeente kan bepalen of terugvordering plaatsvindt en Allianz eventueel het teruggevorderde bedrag moet vergoeden. Daarnaast wordt rekening gehouden met het wegvallen van toeslagen na ontvangst van schadevergoeding en met de fiscale aspecten zoals box 3-heffing.

Verder behandelt het hof de redelijkheid van de gevorderde buitengerechtelijke kosten en stelt deze aanzienlijk lager vast dan gevorderd. Het hof geeft partijen de gelegenheid om de berekening van het verschuldigde bedrag op basis van deze uitgangspunten op te stellen en zal in een eindarrest de definitieve toewijzing doen.

Uitkomst: Het hof wijst schadevergoeding toe met verwijzing naar schadestaat voor de periode van bijstandsuitkering en matigt buitengerechtelijke kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.316.457/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 184625
arrest van 21 april 2026
in de zaak van
[appellant],
die woont in [woonplaats] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. Chr.D. de Vos te Assen,
tegen
Allianz Benelux N.V.,
die is gevestigd in Rotterdam,
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna:
Allianz,
advocaat: mr. H.A. Kragt te Arnhem.

1.Het verdere verloop van de procedure bij het hof

1.1
Naar aanleiding van het arrest van 9 september 2025 heeft [appellant] een akte na tussenarrest (met een productie) genomen en heeft Allianz een antwoordakte (met een productie) genomen.
1.2
Vervolgens heeft het hof een datum vastgesteld voor dit arrest.

2.Het oordeel van het hof

Wat heeft het hof eerder beslist
2.1
In het tussenarrest van 20 februari 2024 [1] heeft het hof over de schade van [appellant] wegens verlies verdienvermogen - kort gezegd - het volgende beslist:
- voor de situatie zonder ongeval moet ervan worden uitgegaan dat [appellant] vanaf 1 juli 2004 een inkomen zou hebben gehad gelijk aan 110% van het minimumloon;
- voor de situatie met ongeval moet zowel voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2012 als voor de situatie vanaf 1 juli 2012 (tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd) worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] ;
- als over de periode vanaf 1 juli 2012 sprake is van schade vanwege verlies verdienvermogen (doordat het inkomen met ongeval lager is dan het inkomen zonder ongeval) dient [appellant] de helft van deze schade zelf te dragen, omdat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door geen werk meer te zoeken.
2.2
In dat tussenarrest heeft het hof de heer [naam1] , rekenkundige bij het NRL (hierna: de deskundige), tot deskundige benoemd om met inachtneming van deze uitgangspunten de schade vanwege het verlies verdienvermogen te berekenen. De deskundige heeft op 4 februari 2025 gerapporteerd.
2.3
In het tussenarrest van 9 september 2025 [2] heeft het hof - kort gezegd - het volgende beslist:
- het hof ziet in de door Allianz aangevoerde argumenten geen reden om terug te komen op zijn beslissing in het tussenarrest van 20 februari 2024 over het causaal verband;
- de eisvermeerdering van [appellant] is wat betreft de pensioenschade niet toelaatbaar, maar wat betreft de afgifte van een aantal garanties (belasting-, participatiewet-, huur- en zorgtoeslaggarantie) wel toelaatbaar;
- [appellant] mag nog reageren op het door Allianz in het geding gebrachte rapport van haar partijdeskundige [naam2] LRGD QC van Sedgwick (hierna: [naam2] ).
Een nieuwe productie in het laatste processtuk van Allianz en een (verkapte) vermeerdering van eis
2.4
In zijn akte heeft [appellant] gereageerd op het rapport van [naam2] . Hij heeft daarbij verwezen naar een als productie overgelegd uitvoerig rapport van zijn eigen partijdeskundige
mr. [naam3] van De Bureaus (hierna: [naam3] ). Allianz heeft vervolgens weer op dat rapport gereageerd en heeft in dat verband verwezen naar een bijgevoegd stuk van [naam2] . Op dat stuk van [naam2] heeft [appellant] niet kunnen reageren. Het hof zal hem daar ook niet toe in de gelegenheid stellen, omdat het stuk van [naam2] niet meer dan een beknopte reactie betreft op het rapport van [naam3] , waarop Allianz uiteraard mocht reageren.
2.5
Het hof volgt Allianz niet in haar betoog dat slechts acht mag worden geslagen op het rapport van [naam3] voor zover daarin rekenkundige aspecten in aanmerking worden genomen. Het onderscheid tussen juridische en rekenkundige aspecten is, gelet op het geschil tussen partijen (een juridisch geschil over onder meer rekenkundige vragen), gekunsteld.
2.6
In een voetnoot in haar akte maakt [appellant] ook aanspraak op vergoeding van de kosten van [naam3] (€ 4.007,28), primair als onderdeel van een uit te spreken proceskostenveroordeling, subsidiair op grond van artikel 6:96 BW Pro. Omdat [appellant] deze eisvermeerdering niet eerder kon doen, ziet het hof geen reden die buiten beschouwing te laten. Het hof zal bij de beslissing op deze vordering uiteraard het verweer van Allianz betrekken.
Het deskundigenrapport en de kritiek daarop2.7 De deskundige heeft de schade vanwege verlies verdienvermogen in zijn rapport berekend op € 257.716,-. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
- € 36.972,- voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2012;
- € 59.911,- voor de periode 1 juli 2012 tot 1 januari 2025;
- € 160.833,- voor de periode vanaf 1 januari 2025.
Per 1 januari 2024 bedraagt de wettelijke rente over de verschenen schade volgens de deskundige € 28.233,-.
2.8
[appellant] meent dat in de berekening van de deskundige ten onrechte geen rekening is gehouden met mogelijke fiscale schade (vooral schade vanwege de ‘box 3 belasting’), met pensioenschade en met schade vanwege een mogelijke terugvordering van een in het verleden toegekende uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens [appellant] mag geen rekening worden gehouden met deze uitkering, omdat er rekening mee moet worden gehouden dat de gemeente de uitkering zal terugvorderen als hij schadevergoeding ontvangt. [appellant] wil dat de deskundige een herberekening maakt, waarin wordt uitgegaan van een terugvordering. Ook voert hij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het mogelijk vervallen van toekomstige aanspraken op huur- en zorgtoeslag. Dat is ook de reden dat hij alsnog de afgifte van diverse garanties heeft gevorderd.
2.9
Allianz is het ook niet eens met de bevindingen van de deskundige. Volgens haar heeft de deskundige zich er geen rekenschap van gegeven dat met een schadevergoeding door Allianz het gezinsinkomen van [appellant] (bestaande uit een uitkering op grond van de Participatiewet en diverse toeslagen voor [appellant] en zijn vrouw) op de tocht komt te staan. Ook miskent de deskundige volgens Allianz dat het feitelijke inkomen van [appellant] (zelfs wanneer geen rekening zou worden gehouden met de uitkering van zijn vrouw) lager is dan de helft van het fictieve inkomen (50% van 110% van het minimumloon). Verder meent Allianz dat de deskundige ten onrechte heeft gerekend met de helft van de gezinsbijstand. Ten slotte vindt Allianz dat de deskundige zowel voor de kapitalisatiedatum als voor de wettelijke rente 1 januari 2025 had moeten hanteren.
2.1
Het hof zal de kritiek van partijen op het deskundigenrapport hierna bespreken.
De rekenkundige verwerking van de eigen schuld2.11 Het hof heeft in rov. 5.18 van het tussenarrest van 20 februari 2024 het volgende beslist over (de wijze van verwerking van) de eigen schuld:

De conclusie is dat in de situatie na ongeval tot 1 juli 2012 kan worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] . Voor de situatie vanaf 1 juli 2012 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd moet ook worden uitgegaan van het feitelijk inkomen. Maar als over die periode sprake is van schade, doordat het feitelijk inkomen lager is dan het hypothetisch inkomen, dient hij de helft van die schade zelf te dragen.’
De rekenkundige verwerking van de eigen schuld die Allianz bepleit, in navolging van haar partijdeskundige [naam2] , wijkt daarvan af. Waar het hof voor de fictieve situatie uitgaat van het volledige hypothetische inkomen (110% van het minimumloon) en aangeeft dat het percentage eigen schuld over het verschil tussen dat hypothetische inkomen en het feitelijke inkomen (de schade) moet worden berekend, past [naam2] het percentage eigen schuld ten onrechte toe op het hypothetisch inkomen, dat daarmee halveert tot 55% van het minimumloon. Dat er dan, gelet op de hoogte van het minimumloon, geen of nauwelijks (afhankelijk van de vraag of voor de fictieve situatie met de volledige bijstandsuitkering of met de helft ervan wordt gerekend) schade resteert, ligt voor de hand.
2.12
De kritiek van Allianz op de rekenkundige verwerking door de deskundige van de eigen schuld, is gezien het voorgaande ongegrond.
De toepasselijke bijstandsnorm2.13 Voordat het hof ingaat op de vraag of rekening moet worden gehouden met de ontvangen uitkering op grond van de Participatiewet (hierna: ook bijstandsuitkering), zal het eerst ingaan op de vraag met welke uitkering rekening moet worden gehouden, met de door [appellant] en zijn vrouw ontvangen uitkering op basis van de gezinsnorm, of met de helft daarvan. De deskundige is bij de bepaling van de feitelijke situatie uitgegaan van de helft van de uitkering. Hij wijst er in dat verband op dat uit de jaaropgaven blijkt dat de uitkering fiscaal gescheiden wordt uitgekeerd. Om die reden heeft hij ook de helft van de ontvangen bijstandsuitkering aan [appellant] toegerekend.
2.14
Allianz is het niet eens met deze benadering. Volgens haar verhoudt dit rekenuitgangspunt zich niet met het feit dat [appellant] heeft aangegeven, dat hij kostwinner zou zijn geweest in de hypothetische situatie. Allianz verwijst in dat verband naar het rapport van de door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige Hulsen, die heeft genoteerd:

Vervolgens had betrokkene voor het gezinsinkomen willen zorgen en hiervoor fulltime hebben gewerkt. Zijn echtgenote zou dan het volledige huishouden hebben gedaan.’
Nu het gezin in de hypothetische situatie met 110% van het minimumloon zou hebben moeten rondkomen, dient volgens Allianz voor de feitelijke situatie te worden uitgegaan van de volledige gezinsbijstand.
2.15
Zoals Allianz zelf al aangeeft ziet de door haar aangehaalde opmerking van [appellant] op de hypothetische situatie. Het gaat hier echter niet om de hypothetische situatie, maar om de feitelijke situatie, dus om de vraag op welk inkomen [appellant] in die situatie daadwerkelijk aanspraak heeft. Voor het antwoord op die vraag zijn de relevante bepalingen uit en de strekking van de Participatiewet doorslaggevend. Op grond van artikel 11 lid 4 Participatiewet Pro komt het recht op (gezins)bijstand (op een hier niet relevante uitzondering na) aan de echtgenoten tezamen toe. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de vraag of de uitkeringsgerechtigde alleenstaand of gehuwd is (artikel 21 Participatiewet Pro) en bij de zogenaamde middelentoets worden de inkomsten van beide echtgenoten in aanmerking genomen (artikel 31 lid 1 Participatiewet Pro). Het inkomen van de ene echtgenoot heeft dus niet alleen gevolgen voor diens eigen aanspraken op een uitkering, maar ook op die van de andere echtgenoot. Datzelfde geldt voor het vermogen; het gezinsvermogen is bepalend voor de aanspraken op een uitkering.
2.16
Een belangrijk uitgangspunt bij de begroting van letselschade is dat de schade van het individuele slachtoffer moet worden begroot, los van diens gezinssituatie. Dat uitgangspunt past ook in de maatschappelijke opvatting waarin iemand, althans voor zijn financiële situatie, niet als onderdeel van een gezin, maar als een zelfstandig persoon wordt gezien en behandeld. Dat uitgangspunt stuit hier echter op de door de wetgever in de Participatiewet neergelegde realiteit dat voor het recht op een bijstandsuitkering de gezinssituatie van de bijstandsgerechtigde in hoge mate bepalend is. Het hof ziet onvoldoende reden om bij de begroting van de
feitelijkesituatie te abstraheren van deze realiteit. Het hof zal dan ook de volledige bijstandsuitkering aan [appellant] toerekenen indien er rekening gehouden moet worden met de bijstandsuitkering. De vraag of en in hoeverre met de uitkering rekening moet worden gehouden, zal het hof hierna bespreken.
Moet rekening worden gehouden met de bijstandsuitkering?2.17 De Participatiewet is een vangnet voor mensen die niet op eigen kracht in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De wet geeft hun, onder voorwaarden, het recht op een bijstandsuitkering die het eigen inkomen aanvult tot het niveau van het toepasselijke sociaal minimum. Gelet op deze vangnetfunctie heeft een gemeente de bevoegdheid om op elk moment te toetsen of een persoon (nog langer) voor bijstandverlening in aanmerking komt. Het ontvangen van een schadevergoeding uit een letselschadezaak kan van grote invloed zijn op het recht op bijstand, omdat in beginsel alle vermogens- en inkomstenbestanddelen van de bijstandsgerechtigde (en diens gezinsleden) op grond van artikel 31 lid 2 aanhef Pro en onder m Participatiewet tot de middelen van de bijstandsgerechtigde worden gerekend, tenzij de ontvangen schadevergoeding naar het oordeel van de gemeente verantwoord is. De gemeente kan een uitgekeerde bijstandsuitkering onder omstandigheden op grond van artikel 58 lid 2 aanhef Pro en onder f Participatiewet terugvorderen - in de woorden van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) - ‘
als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend aanspraak op bepaalde middelen had, maar daarover op dat moment feitelijk nog niet kon beschikken. Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie de bijstand terugvorderen.Dit hangt samen met het aanvullende karakter van de bijstand[onderstreping hof]. Voor het bepalen van de hoogte van het terugvorderingsbedrag moet achteraf een fictieve vermogensvaststelling plaatsvinden naar de situatie op de peildatum. Als de aanspraak na de aanvang van de bijstand is ontstaan, zoals in deze zaak, dan is de dag waarop de aanspraak is ontstaan de peildatum. Als uitgangspunt geldt dat de aanspraak op vergoeding van schade door een ongeval ontstaat op de datum van dat ongeval.’ [3]
2.18
De bijstandsuitkering heeft, gelet op de genoemde vangnetfunctie van de Participatiewet, dus een aanvullend karakter. Dat betekent dat bij de begroting van de schade vanwege verlies verdienvermogen
in beginselgeen rekening moet worden gehouden met een bijstandsuitkering. Dat is ook in lijn met de maatschappelijke opvatting dat degene die schade veroorzaakt zelf voor die schade moet instaan en die schade niet kan afwentelen op de algemene middelen. Maar ook hier geldt dat een principieel uitgangspunt in de praktijk tot praktische problemen kan leiden. Als de benadeelde bij de afwikkeling van de schade al enige tijd een bijstandsuitkering heeft ontvangen en daarmee bij de afwikkeling geen rekening wordt gehouden is het mogelijk dat de gemeente geen (of niet volledig) gebruik maakt van haar terugvorderingsbevoegdheid. In dat geval ontvangt de benadeelde over de periode waarover hij een bijstandsuitkering heeft ontvangen meer schadevergoeding dan hij feitelijk aan schade heeft geleden.
2.19
Allianz stelt in feite voor dat probleem op te lossen door bij de bepaling van de schade vanwege verlies arbeidsverleden over het verleden de ontvangen bijstandsuitkering als in de feitelijke situatie ontvangen inkomsten mee te nemen. Ook de deskundige hanteert dit uitgangspunt, zij het dat hij uitgaat van de helft van de ontvangen bijstandsuitkering. Het hof gaat daar niet in mee. Allereerst niet omdat daardoor het aanvullende karakter van de bijstandsuitkering miskend wordt. Het principiële uitgangspunt wordt op deze wijze geheel terzijde gesteld. Bovendien kan er niet van worden uitgegaan dat de gemeente geen gebruik zal maken van haar terugvorderingsbevoegdheid. De deskundige heeft daarover in het kader van zijn onderzoek informatie ingewonnen bij de gemeente. De gemeente heeft hem in een e-mail van 31 oktober 2024 onder meer geschreven dat een ontvangen schadevergoeding
nietals middelen wordt beschouwd tenzij ‘
met hetzelfde doel bijstand is verstrekt of hiervoor later bijstand wordt gevraagd’. In een e-mail van 20 november 2024 aan de deskundige schreef de gemeente dat het ontvangen van een schadevergoeding leidt tot toetsing en dat in dat kader zal worden beoordeeld of de uitkering beëindigd moet worden.
2.2
[appellant] wil het probleem oplossen door bij de begroting van zijn schade geen rekening te houden met de door hem ontvangen bijstandsuitkering. Bij die benadering is het mogelijk dat [appellant] over de periode in het verleden én een bijstandsuitkering ontvangt én een vergoeding van schade vanwege verlies verdienvermogen die is vastgesteld zonder dat daarbij rekening is gehouden met het ontvangen van die uitkering. Het hof vindt dat niet verantwoord, ook omdat het om een lange periode gaat en met de uitkering in die periode een substantieel bedrag is gemoeid.
2.21
Het hiervoor omschreven dilemma kan ook niet worden opgelost door afgifte van een Participatiewetgarantie. Wanneer het hof over de periode van de bijstandsverlening de oplossing van Allianz volgt, is zo’n garantie niet nodig; over deze periode wordt dan immers geen schade vanwege verlies arbeidsvermogen vergoed, zodat er voor de gemeente niets te verhalen valt. Zou het hof de oplossing van [appellant] volgen, dan is een garantie ook overbodig. [appellant] ontvangt dan immers teveel en wanneer hij het meerdere moet afdragen aan de gemeente is dat terecht en kan hij Allianz daarop niet aanspreken.
2.22
Het hof kiest ervoor om (alleen) voor de periode van de bijstandsuitkering de zaak te verwijzen naar de schadestaat. Het hof stelt het begin van die periode op 1 juli 2012 en het einde op 1 oktober 2026, waarbij het ervan uitgaat dat [appellant] per die datum aanspraak heeft op betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding vanwege verlies arbeidsvermogen dat zijn aanspraken op bijstand komen te vervallen. De gemeente kan vervolgens over het verleden de balans opmaken en bepalen of en in hoeverre zij de betaalde uitkering wil terugvorderen. Indien dat het geval is, kan [appellant] alsnog aanspraak maken op betaling door Allianz van het terug te vorderen bedrag. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de gemeente er bij de terugvordering rekening mee houdt dat [appellant] ook over de periode van de bijstandsverlening slechts aanspraak heeft op de helft van zijn schade (bestaande uit het verschil tussen een inkomen op basis van 110% van het minimumloon, te vermeerderen met de daarnaast te ontvangen toeslagen - daarover hierna meer - en de daadwerkelijk ontvangen toelagen).
2.23
Voor de periode tot 1 juli 2012 kunnen de ‘bijstandsperikelen’ buiten beschouwing blijven. Voor de periode vanaf 1 oktober 2026 ligt dat anders. Met ingang van die datum zal [appellant] geen aanspraak meer hebben op een bijstandsuitkering. In de feitelijke situatie is het inkomen (afgezien van toeslagen) nihil.
Spelen de toeslagen een rol?2.24 De deskundige heeft in zijn rapport geen rekening gehouden met de invloed van toeslagen. Op het verzoek van de advocaat van [appellant] naar aanleiding van het concept-rapport om de toeslagen in zijn onderzoek te betrekken heeft de deskundige geantwoord:

Om aspecten als huurtoeslag in de berekening op te nemen, is niet conform de opdracht van het hof. Een aspect als zorgtoeslag is ook niet in de berekening opgenomen en dit heeft te maken met de opdracht dat voor het inkomen na ongeval uitgegaan moet worden van het feitelijk inkomen. De feitelijke situatie is dat er een partner is, maar de partner moet worden
'losgekoppeld' van de berekening. Er is dus een soort spagaat, want uitgaande van een
alleenstaande zou de zorgtoeslag berekend kunnen worden, maar nu er een partner is, die niet (financieel) in de berekening opgenomen moet worden, lukt dit niet.’
2.25
Het staat de deskundige vrij om de voor de berekening van de schade vanwege verlies arbeidsvermogen relevante aspecten in zijn beschouwingen te betrekken, ook als die niet expliciet zijn vermeld, nog daargelaten dat de deskundige in geval van twijfel zich tot de raadsheer-commissaris kan wenden. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van het hof moet bij de begroting van de schade vanaf 1 oktober 2026 wel rekening worden gehouden met de gevolgen van het volledig wegvallen van inkomen uit arbeid en de daartegenover staande ontvangst van een schadevergoedingsuitkering op de aanspraken op toeslagen. [appellant] heeft met het rapport van [naam3] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanaf de ontvangst van het schadebedrag betreffende de eerste en de derde periode, dus vanaf 1 juli 2026, geen aanspraak meer zal hebben op zorgtoeslag en al helemaal niet op huurtoeslag, gelet op de geldende vermogensdrempels. Bij het bepalen van de gevolgen voor de toeslagen moet worden uitgegaan van de gezinssituatie van [appellant] . Het hof verwijst voor de motivering naar wat het hiervoor bij de toepasselijke bijstandsnorm heeft overwogen.
2.26
Voor de beide andere periodes kan een berekening van de consequenties voor de toeslagen achterwege blijven. Het hof gaat er daarbij vanuit dat die consequenties voor de periode tot 1 juli 2012 gering zijn. Indien de gemeente terugvordert, kunnen de consequenties van de toeslagen voor de periode van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2026 worden begroot in de schadestaatprocedure. Daarbij kan ervan worden uitgegaan dat [appellant] in de feitelijke situatie aanspraak heeft op de door hem daadwerkelijk ontvangen toeslagen, nu gesteld noch gebleken is dat de toegekende toeslagen zullen worden teruggevorderd vanwege een achteraf toegekende aanspraak op schadevergoeding. Integendeel, [naam3] geeft in zijn rapport expliciet aan dat toegekende toeslagen niet worden teruggevorderd omdat de vermogenstoets voor de toeslagen telkens per 1 januari van het desbetreffende jaar plaatsvindt.
Belasting op grond van box 32.27 Indien [appellant] als gevolg van de ontvangst van een schadevergoedingsuitkering vermogensrendementsbelasting verschuldigd is, heeft hij aanspraak op vergoeding van die schade. De deskundige heeft een vraag van de advocaat van [appellant] daarover naar aanleiding van het concept-rapport als volgt beantwoord:

Er wordt geen fiscale component berekend, omdat er in de situatie met gebeurtenis
geen inkomsten zijn. Een (eventuele) heffing Box 3 wordt verrekend met de vrijgevalllen
heffingskortingen.’
Hij wordt daarin bijgevallen door [naam2] , terwijl [naam3] zich niet uitlaat over dit punt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat in dit geval geen sprake zal zijn van belastingschade vanwege de box 3 heffing over de te ontvangen schadevergoedingsuitkering.
Buitengerechtelijke kosten2.28 [appellant] vordert ongeveer € 205.000,- aan kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, te vermeerderen met wettelijke handelsrente. In het tussenarrest van
20 februari 2024 heeft het hof al overwogen dat geen wettelijke handelsrente verschuldigd is, maar voor zover al wettelijke rente verschuldigd is de ‘gewone’ wettelijke rente volstaat.
Verder heeft het hof overwogen en beslist dat [appellant] nog aanspraak heeft op vergoeding van € 3.338,66 aan medische kosten. Bij dat bedrag is, conform de berekening van [appellant] zelf, al rekening gehouden met een betaald voorschot van € 5.000,-. Over de kosten is wettelijke rente verschuldigd. [appellant] dient die wettelijke rente te (laten) berekenen per 1 oktober 2026. Bij die berekening kan worden uitgegaan van de bedragen en de factuurdata die zijn vermeld in het als productie 51d bij memorie van grieven door [appellant] overgelegde overzicht. De wettelijke rente gaat steeds in 14 dagen na de factuurdatum.
2.29
Zoals het hof in het tussenarrest van 20 februari 2024 heeft overwogen, heeft [appellant] aanspraak op € 15.000,- aan vertaalkosten. Over dit bedrag zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 1 oktober 2026, omdat gesteld noch gebleken is dat [appellant] dit bedrag al heeft betaald en evenmin dat hij wanneer hij het alsnog betaalt daarover wettelijke rente verschuldigd is.
2.2
Over de kosten van de belangenbehartiger van [appellant] heeft het hof in het genoemde tussenarrest overwogen dat het gevorderde bedrag (ruim € 123.000,-) het hof als bovenmatig voorkomt, ook omdat alleen buitengerechtelijke kosten kunnen zijn gemaakt in de jaren 2008 - 2016 en in die jaren geen intensieve onderhandelingen hebben plaatsgevonden. Wel is in 2012 een deelgeschilprocedure gevoerd. Voor de kosten van het deelgeschil is al een vergoeding toegekend. Desondanks worden voor het jaar 2012 veel ‘uren geschreven’ en gevorderd betreffende dat deelgeschil. Ook op de specificaties betreffende andere jaren is het nodige op te merken.
2.21
Al met al kan de vordering van [appellant] de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan. Het is wel aannemelijk dat de belangenbehartigers van [appellant] buiten rechte enige werkzaamheden hebben verricht. Het hof zal die werkzaamheden, alles afwegende, schatten op € 20.000,- (inclusief btw). Over dit bedrag is wettelijke rente verschuldigd vanaf
1 oktober 2026. Het hof verwijst op dit punt naar wat het heeft overwogen over de vertaalkosten.
Hoe nu verder?
2.22
Nu de resterende knopen zijn doorgehakt, kan de balans worden opgemaakt. Dat is in eerste instantie aan partijen. Het hof zal allereerst [appellant] in de gelegenheid stellen om op basis van de beslissingen van het hof te laten berekenen welk bedrag Allianz hem per saldo verschuldigd is. De (redelijke) kosten van het door [appellant] op te stellen berekeningsrapport komen voor rekening van Allianz. Het berekeningsrapport dient de volgende componenten te hebben:
a. schade vanwege verlies verdienvermogen tot 1 juli 2012:
De berekening van de deskundige kan worden gevolgd. De schade bedraagt dus € 36.972,-. Over dit bedrag dient de wettelijke rente per 1 oktober 2026 te worden berekend;
b. schade vanwege verlies verdienvermogen vanaf 1 oktober 2026 tot aan pensioengerechtigde leeftijd:
In de fictieve situatie wordt uitgegaan van 110% van het minimumloon, vermeerderd met de toeslagen waarop (het gezin) [appellant] aanspraak heeft. In de feitelijke situatie wordt uitgegaan van een inkomen van nihil, te vermeerderen met eventuele toeslagen waarop (het gezin) [appellant] , rekening houdend met het vermogen per 1 januari van elk jaar, aanspraak heeft. [appellant] heeft aanspraak op 50% van het verschil. De kapitalisatiedatum is 1 oktober 2026.
c. Buitengerechtelijke kosten:
Medische kosten van € 3.338,66, te vermeerderen met de wettelijke rente per 1 oktober 2026 (berekend overeenkomstig rov. 2.28), vertaalkosten van € 15.000,-, met wettelijke rente per
1 oktober 2026 en kosten rechtsbijstand van € 20.000,-, met wettelijke rente per 1 oktober 2026.
Bij deze wijze van afdoening kan de afgifte van garanties achterwege blijven.
2.23
[appellant] dient het rapport bij akte in het geding te brengen. Allianz kan bij akte reageren. In het vervolgens te wijzen arrest - naar verwachting het eindarrest - zal het hof het verschuldigde bedrag toewijzen en de zaak voor wat betreft (50% van) de schade vanwege verlies verdienvermogen in de periode van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2026 verwijzen naar de schadestaat. Het hof gaat er vanuit dat partijen er aan zullen meewerken dat vóór 1 oktober 2026 arrest kan worden gewezen.

3.De beslissing

Het hof:
3.1
verwijst de zaak naar de rol van 2 juni 2026 voor akte aan de zijde van [appellant] ;
3.2
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.E. Wichers en J.C.J. Dute, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Voetnoten

3.CRvB 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1406, met verwijzing naar CRvB 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:430.