Appellante ontving sinds 2012 een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). Na een auto-ongeluk in 2017 ontving zij een lumpsum schadevergoeding van € 87.500,-, waarvan € 52.500,- materiële en € 35.000,- immateriële schadevergoeding betreft. De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok de AIO in en vorderde bedragen terug, waarbij zij de gehele schadevergoeding als immateriële schadevergoeding aanmerkte en slechts een derde vrijliet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat de Svb onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het materiële deel niet geheel vrijgelaten is. Partijen zijn het eens over de verdeling tussen materiële en immateriële schadevergoeding en dat het immateriële deel volledig vrij moet blijven. De Svb kon niet aannemelijk maken dat de materiële schadevergoeding niet voor de bedoelde kosten is gebruikt.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het besluit tot intrekking vanaf 3 december 2017, herroept het intrekkingsbesluit en draagt de Svb op opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens krijgt appellante een vergoeding van € 4.922,- voor gemaakte proceskosten.