Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, op de griffie binnengekomen op 17 oktober 2025
- het verweerschrift met producties met daarin een verzoek in incidenteel hoger beroep
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met één productie.
2.De kern van de zaak
2.3. Zowel [appellant1] als ALN hebben hoger beroep ingesteld van de bestreden beschikking. Het hof verwerpt het hoger beroep van [appellant1] en ALN. De beschikking van de kantonrechter blijft in stand. Het hof legt dit oordeel hierna uit. Het hof zal eerst de feiten vaststellen en daarna het oordeel van de kantonrechter en de verzoeken in hoger beroep weergeven.
3.De feiten
3.2. Op 1 juli 2011 is [appellant1] bij ALN in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van International Sales Engineer voor 38 uur per week tegen een maandsalaris van € 6.498,61 bruto.
“Wanneer we door het UWV in het gelijk worden gesteld, roven we gezamenlijk de reorganisatiepot leeg en hijsen we de piratenvlag. Ook zullen we intern en extern uit de doeken doen wat er zich in Nijmegen heeft afgespeeld. Of daarbij ook sociale media mag worden ingezet, moet nog worden uitgezocht.De geldigheid van mijn voorstel loopt nog tot morgen 12 uur (zoals aangegeven). Het staat je vrij om het niet te accepteren, maar daarna gaan we een héél ander traject volgen. (…)PS. Mijn einddatum moet trouwens worden aangepast naar 1 januari 2025. Daarvoor zal Alfa Laval de aanvullende compensatie betalen. Ik ga namelijk niet nog een half jaar tegen jouw kop zitten aankijken en me ergeren aan de ellende die jij en je kornuiten hebben veroorzaakt.”
4.Het oordeel van de kantonrechter
5. De verzoeken in hoger beroep
primair:
a) te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden hersteld maar eindigt - door de ook in deze procedure te onderschrijven ontbinding, al dan niet met toevoeging van de h-grond - per 1 september 2025 en dat bij die ontbinding en dat einde een transitievergoeding – met de maximale verhoging (van 50%) verschuldigd is en blijft, groot
€ 52.496,37 bruto (t=1,5);
b) te verklaren voor recht dat [appellant1] vanaf oktober (het hof begrijpt:) 2024, voor de ontslagaanvraag, ziek/arbeidsongeschikt was en is en is gebleven en dat hij ook ziek uit dienst is gegaan;
c) het reeds gehonoreerde verzoek van [appellant1] om te bepalen dat ALN geen rechten kan en zal ontlenen aan het concurrentiebeding en relatiebeding, als eerder toegezegd en weggegeven, te bevestigen en op te nemen in de door het gerechtshof af te geven uitspraak;
d) te verklaren voor recht dat ALN ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en nagelaten en dat zij (ook) op die grond gehouden is een billijke vergoeding te voldoen aan [appellant1] , alsmede te verklaren voor recht dat [appellant1] recht heeft op een (het hof begrijpt:) billijke vergoeding, in plaats van herstel van zijn arbeidsovereenkomst;
e) ALN te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding of een schadevergoeding, ten aanzien van de pensioenschade en de compensatie van het pensioengat van [appellant1] van (na eisvermindering ter zitting) € 129.000 dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente;
f) ALN te veroordelen om de eerder geclaimde billijke vergoedingen van € 75.000 bruto en
€ 150.000 bruto aan [appellant1] te voldoen en netto uit te betalen binnen 2 weken na de te wijzen beschikking althans twee billijke vergoedingen toe te kennen ziend op de vergoeding in plaats van herstel en ziend op het ernstig verwijtbaar handelen van ALN, ook binnen twee weken netto uit te betalen;
g) te bepalen dat de advocaatkosten (van minimaal € 20.000), de materiele en immateriële schade en de reputatieschade (begroot op € 25.000) en het te weinig uitbetaalde loon tot 1 september 2025 en de overige vorderingen en gevraagde voorzieningen aan [appellant1] dienen te worden vergoed, al dan niet bij wijze van betaling van een billijke vergoeding, dan wel separaat voor een bedrag van in totaal € 50.000;
h) ALN te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.
6.De beoordeling door het hof
dat er ontbonden moest worden stond en staat voor [appellant1] en ALN wel vast. Partijen verschillen alleen over het antwoord op de vraag welk prijskaartje aan de ontbinding moet worden gehangen’.Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof de advocaat van [appellant1] , mede gelet op het verweer van ALN dat uit het beroepschrift volgt dat ook [appellant1] vindt dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden, om verheldering van het standpunt in hoger beroep gevraagd. De advocaat van [appellant1] heeft daarop toegelicht dat de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter terecht is ontbonden omdat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam was verstoord maar dat hij desondanks het verzoek om billijke vergoedingen onder meer op grond van artikel 7:683 lid 3 BW Pro handhaaft, omdat hij alles open wil houden. [appellant1] zelf daarentegen heeft betwist dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden. Het hof houdt het ervoor dat [appellant1] bestrijdt dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden en zal dit, in het licht van de gronden in het beroepschrift, beoordelen.
5 november 2024 (waar de functie in Aalborg is besproken) is [appellant1] uitgelegd dat iedereen die intern solliciteert, ook de vaststellingsovereenkomst moet tekenen omdat er anders een aanvraag bij het UWV moest worden ingediend.
7.De beslissing
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van ALN (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
€ 1.290 aan salaris van de advocaat van [appellant1] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II x 0,5)