Uitspraak
[appellante] ),
[geïntimeerde] ),
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
2.2 [appellante] heeft daarom gevorderd dat op de door haar aangevoerde gronden wordt uitgesproken (voor recht wordt verklaard) dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, en daarnaast een bedrag van € 413.741,42, vermeerderd met wettelijke rente, als vergoeding van haar immateriële schade, van kosten van beveiliging, en van de kosten van haar advocaten en adviseurs. Het gaat volgens [appellante] om € 15.000 als vergoeding voor immateriële schade, € 10.499,40 als vergoeding voor beveiligingskosten,
€ 33.435,69 als vergoeding voor kosten ter vaststelling van schade, en
€ 358.562,54 als vergoeding van alle juridische kosten die [appellante] heeft gemaakt (inclusief onderzoekskosten), verminderd met € 3,756,21 aan al betaalde proceskosten.
[appellante] heeft tot zekerheid van het verhaal van haar vorderingen conservatoir beslag gelegd op onroerende zaken van [geïntimeerde] .
€ 30.445,15 aan juridische kosten en vermeerderd met kosten voor een deskundigenrapport en beslagkosten, met wettelijke rente) toegewezen en verder afgewezen. De tegenvorderingen van [geïntimeerde] zijn afgewezen. [geïntimeerde] is in de proceskosten in conventie en in reconventie veroordeeld.
3.De feiten
.’ Er is geen
klager door het indienen van een klacht bij de Raad van Toezicht misbruik heeft gemaakt van het tuchtrecht van de NVM. De Raad van Toezicht komt tot dit oordeel omdat klager zijn klacht baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij weet of behoort te weten dat die feiten en omstandigheden op geen enkele wijze kunnen leiden tot gegrondheid van de ingediende klacht. De Raad van Toezicht acht aannemelijk, gezien de voorgeschiedenis, dat de klacht voornamelijk is ingediend
€ 10.449,40 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade gevraagd. De politierechter heeft € 1.500,- aan immateriële schadevergoeding toegewezen en [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van € 3.067,60 aan proceskosten. [geïntimeerde] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
4.De beoordeling in het principaal en het incidenteel hoger beroep
4.2 [appellante] heeft een verklaring voor recht gevorderd die kort gezegd inhoudt dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank heeft die vordering niet toegewezen. [appellante] heeft daartegen niet kenbaar gegriefd; het feit dat zij in haar memorie van grieven heeft gevorderd haar vorderingen alsnog toe te wijzen is daarvoor niet voldoende, omdat daarmee onder de gegeven omstandigheden onvoldoende kenbaar is voor [geïntimeerde] dat [appellante] tegen die (impliciete) afwijzing opkomt. Het hof zal er daarom vanuit gaan dat die afzonderlijke vordering niet meer ter beoordeling voorligt.
4.5 Het enkele feit dat men een ander ten onrechte in rechte heeft betrokken en dientengevolge in het ongelijk is gesteld, kan wel grond voor een veroordeling in de proceskosten van die ander zijn, maar geen grond voor een veroordeling daarnaast tot betaling van aanvullende bedragen aan proceskosten dan uit toepassing van de artikelen 237-241 Rv volgt, ook niet onder de noemer buitengerechtelijke kosten. [4] Voor volledige vergoeding van proceskosten is slechts plaats als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Daarvan kan eerst sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past, gelet op het recht op toegang tot de rechter, terughoudendheid. [5] Deze maatstaf geldt ook voor misbruik door een verweerder. [6] De strikte maatstaf voor afwijking van de wettelijke regeling inzake proceskostenvergoeding geldt in de verhouding tussen de procespartijen. Verhaal van kosten van rechtsbijstand op grond van een door een derde die niet in die procedure betrokken was gepleegde onrechtmatige daad is onderworpen aan de algemene regels inzake aansprakelijkheid en schadevergoeding. [7]
€ 158.000,- heeft terugbetaald zoals blijkt uit overgelegde bankafschriften, voldoende aangetoond dat sprake is van een lening (en van schade). Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] is terecht door de rechtbank gepasseerd, omdat door hem voor het mogen leveren van tegenbewijs onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld. Ook het hof ziet om die reden geen grond om [geïntimeerde] tot dat tegenbewijs toe te laten. De onderbouwing van het verweer van [geïntimeerde] dat de advocaatkosten niet voorgeschoten/geleend maar geschonken zijn is daarvoor onvoldoende, gelet op de onderbouwing door [appellante] .
“gelet op de voorgeschiedenis heeft [appellante] het door [geïntimeerde] ingediende verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor begrijpelijkerwijs geïnterpreteerd als een nieuwe poging om de procedure te vertragen en haar op kosten te jagen. Niet is gebleken dat het voorlopig getuigenverhoor zou hebben geleid tot versmalling van het debat. Integendeel, het horen van [naam1] blijkt, blijkens het in dit arrest overwogene, niet terzake dienend. Bovendien is onbestreden gesteld dat het verzoek pas kort voor de mondelinge behandeling is ingetrokken zodat niet kan worden gezegd dat de werkzaamheden met betrekking tot het verweerschrift ten onrechte zijn gemaakt. Ook deze kosten doorstaan de dubbele redelijkheidstoets. Het beroep op schending van de schadebeperkingsplicht faalt
€ 69.268,12. De rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van deze kosten (voor wat betreft de als onrechtmatig beoordeelde gedragingen) afgewezen omdat [appellante] onvoldoende heeft gespecifieerd welke kosten noodzakelijk zijn geweest naast de kosten van de advocaat en de kosten zich niet laten verifiëren aan de hand van agenda, e-mails of andere bescheiden.