Belanghebbende stelde beroep in tegen de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld door de heffingsambtenaar van de gemeente Gooise Meren. De rechtbank Midden-Nederland had het beroep gegrond verklaard en de WOZ-waarde verminderd, maar kende een relatief lage proceskostenvergoeding toe.
In hoger beroep richtte belanghebbende zich uitsluitend op de hoogte van de proceskostenvergoeding, stellende dat de rechtbank onjuist het lage bezwaartarief en een te lage wegingsfactor hanteerde. Het hof oordeelde dat de proceskostenvergoeding ten volle moet worden getoetst en dat het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 hierbij leidend is.
Het hof verhoogde het tarief voor de bezwaarfase en de wegingsfactor voor de bezwaar- en beroepsfase naar het gemiddelde, conform het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024. De totale proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €3.200 voor bezwaar en beroep en €467 voor de hogerberoepsfase, plus vergoeding van het betaalde griffierecht.
Daarnaast verwierp het hof de stelling van belanghebbende dat artikel 30a Wet WOZ onrechtmatig is en wees op de beperkte bevoegdheid van het bestuursorgaan om te oordelen over de uitbetaling op een bankrekening. Een vergoeding voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding werd niet toegekend omdat dit niet was verzocht en de overschrijding na sluiting onderzoek plaatsvond.