Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2007

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
24/347
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Wet WOZBesluit proceskosten bestuursrechtRichtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024Art. 17 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over proceskostenvergoeding in WOZ-zaak tegen gemeente Gooise Meren

Belanghebbende stelde beroep in tegen de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld door de heffingsambtenaar van de gemeente Gooise Meren. De rechtbank Midden-Nederland had het beroep gegrond verklaard en de WOZ-waarde verminderd, maar kende een relatief lage proceskostenvergoeding toe.

In hoger beroep richtte belanghebbende zich uitsluitend op de hoogte van de proceskostenvergoeding, stellende dat de rechtbank onjuist het lage bezwaartarief en een te lage wegingsfactor hanteerde. Het hof oordeelde dat de proceskostenvergoeding ten volle moet worden getoetst en dat het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 hierbij leidend is.

Het hof verhoogde het tarief voor de bezwaarfase en de wegingsfactor voor de bezwaar- en beroepsfase naar het gemiddelde, conform het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024. De totale proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €3.200 voor bezwaar en beroep en €467 voor de hogerberoepsfase, plus vergoeding van het betaalde griffierecht.

Daarnaast verwierp het hof de stelling van belanghebbende dat artikel 30a Wet WOZ onrechtmatig is en wees op de beperkte bevoegdheid van het bestuursorgaan om te oordelen over de uitbetaling op een bankrekening. Een vergoeding voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding werd niet toegekend omdat dit niet was verzocht en de overschrijding na sluiting onderzoek plaatsvond.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding aan belanghebbende wordt verhoogd tot in totaal €3.667 plus vergoeding van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/347
uitspraakdatum: 31 maart 2026
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 14 december 2023, nummer UTR 23/1570, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Gooise Meren(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 3.351.000.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, de beschikking verminderd tot € 3.117.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.
1.4.
Belanghebbende heeft op 30 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het Hof heeft partijen bij bericht van 23 juli 2025 gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Belanghebbende heeft verklaard van dat recht geen gebruik te willen maken. De heffingsambtenaar heeft binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft bij bericht van 27 januari 2026 aan partijen gemeld dat het gerechtshof het onderzoek heeft gesloten en dat zonder mondelinge behandeling schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2.Overwegingen

2.1.
Tussen partijen is slechts in geschil of de proceskostenvergoeding die de Rechtbank heeft toegekend juist is. Het geschil spitst zich toe op het door de Rechtbank gehanteerde tarief voor de bezwaarfase en de gehanteerde wegingsfactor voor de bezwaar- en beroepsfase.
2.2.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 14 december 2023 aan belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 566,50 toegekend, welke als volgt is berekend. Voor de bezwaarfase heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding van € 148 (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x € 296 x wegingsfactor 0,25) en voor de beroepsfase een proceskostenvergoeding van € 418,50 (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) x € 837 x 0,25) toegekend.
2.3.
Belanghebbende heeft gesteld – en de heffingsambtenaar niet weersproken – dat de Rechtbank ten onrechte van het ‘lage’ bezwaartarief is uitgegaan bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het Hof zal, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 [1] , het hoger beroep gegrond verklaren en bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase uitgaan van een tarief van € 666 per punt.
2.4.
Belanghebbende stelt verder dat de Rechtbank voor de bezwaar- en beroepsfase ten onrechte is uitgegaan van een wegingsfactor 0,25, zodat het hoger beroep ook om deze reden gegrond dient te worden verklaard.
2.5.
In een recente uitspraak van 14 oktober 2025, welk hoger beroep zag op het door de heffingsambtenaar aangehaalde ‘wegingsfactorenbeleid’ van rechtbank Midden-Nederland, heeft het Hof geoordeeld dat het bij de beoordeling van de door een rechtbank toegekende proceskostenvergoeding – indien deze vergoeding in hoger beroep in geschil is – deze ten volle dient te toetsen. [2] Het Hof heeft in die uitspraak vervolgens – in afwijking van hetgeen de rechtbank Midden-Nederland had bepaald – de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase in overeenstemming met het richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (hierna: het Richtsnoer) vastgesteld.
2.6.
Gelet op het vorenstaande en aangezien de Rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard vanwege de vermindering van de WOZ-waarde op basis van inhoudelijke gronden, zal het Hof bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase – in overeenstemming met het Richtsnoer – een wegingsfactor van 1 (gemiddeld) hanteren. [3]
2.7.
Het Hof stelt de proceskostenvergoeding, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en berekend naar de tarieven van 2026, vast op € 1.332 (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x € 666 x wegingsfactor 1) voor de bezwaarfase en € 1.868 (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) x € 934 x wegingsfactor 1) voor de beroepsfase, dus tezamen € 3.200.
2.8.
Aangezien het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
2.9.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (1 punten (hogerberoepschrift) x wegingsfactor 0,5 [4] x € 934).
2.10.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 30a van de Wet WOZ onverbindend is wegens strijd met het verbod van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Het Hof verwerpt dat standpunt en verwijst daartoe naar onderdeel 3.6 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 [5] .
2.11.
Belanghebbende heeft daarnaast de aandacht van het Hof gevraagd voor artikel 30a, lid 4, van de Wet WOZ, op grond waarvan de uitbetaling van deze proceskostenvergoeding uitsluitend mag plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Belanghebbende acht deze bepaling onrechtmatig omdat er geen enkele rechtsgrond aanwezig is voor invoering hiervan. Ook stelt belanghebbende dat de bepaling in strijd is met artikel 17 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het Hof als bestuursrechter is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. [6] Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.
2.12.
Belanghebbende heeft in hoger beroep niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn. Na het sluiten van het onderzoek op 27 januari 2026 is in hoger beroep de redelijke termijn overschreden. Omdat deze overschrijding vóór de sluiting van het onderzoek ter zitting voorzienbaar was, zal het Hof niet ambtshalve een vergoeding van immateriële schade toekennen. [7]
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

3.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen omtrent de proceskostenvergoeding,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor de bezwaar- en beroepsfase tot een bedrag van € 3.200,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor de hogerberoepsfase tot een bedrag van € 467 en
– draagt de heffingsambtenaar op het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
(P.W.L. van den Bersselaar) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

3.Het Richtsnoer, onderdeel 1, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
4.Het Richtsnoer, onderdeel 1.3.c, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
6.Vgl. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324, rechtsoverweging 2.2.
7.Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.13.2.