ECLI:NL:GHARL:2026:1944

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.355.410
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:2 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming strook grond naast woonwagenstandplaats na falend beroep op huur- en gebruiksrecht

De Gemeente is eigenaar van het perceel waarop appellant zonder toestemming een strook grond gebruikt naast zijn woonwagenstandplaats. Appellant huurt de standplaats van een woningcorporatie, maar heeft geen huurrecht of gebruiksrecht op de betwiste strook grond. De rechtbank had ontruiming toegewezen, het hof ’s-Hertogenbosch wees dit af wegens rechtsverwerking, maar de Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug.

In hoger beroep stelt het hof vast dat appellant zonder recht de grond houdt. Zijn stelling dat de Gemeente stukken achterhoudt wordt verworpen. Het beroep op huurrecht faalt omdat de huurovereenkomst geen betrekking heeft op de strook grond. Ook een gebruiksrecht is onvoldoende onderbouwd, mede omdat de vermeende toestemming dateert van vóór de huurperiode van appellant.

Het hof erkent dat er sprake is van een langdurige gedoogsituatie, maar acht de korte ontruimingstermijn onaanvaardbaar. Daarom bepaalt het hof een redelijke termijn van een jaar voor ontruiming, zonder dwangsom. Appellant wordt niet onredelijk benadeeld, en psychische schade is niet onderbouwd. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en vervangen door deze nieuwe beslissing.

Uitkomst: Appellant moet het perceel binnen een jaar ontruimen zonder dwangsom; eerdere korte termijn wordt verworpen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.410
zaaknummer Hoge Raad 24/01014, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 200.306.246, rechtbank Oost-Brabant zittingsplaats Eindhoven 368668
arrest van 31 maart 2026
in het geding zoals verwezen naar dit hof bij arrest van de Hoge Raad van 11 april 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. P.J.A. van de Laar
hierna: [appellant]
en
Gemeente Eindhoven
die is gevestigd in Eindhoven
advocaat: mr. J.W.M. Hagelaars
hierna: de Gemeente

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Het verloop van de procedure tot aan de verwijzing naar dit hof blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2025. [1] Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de oproeping tot voortprocederen van de Gemeente van 2 juni 2025
• de memorie na verwijzing van de Gemeente, met producties
• de antwoordmemorie na verwijzing van [appellant] , met producties
• het proces-verbaal (verslag) van de mondelinge behandeling die op 11 maart 2026 is gehouden.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
Voor de feiten verwijst het hof naar rechtsoverwegingen 6.2.1 tot en met 6.2.9 van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2023. [2] Kort samengevat gaat deze zaak over het volgende.
2.2
De Gemeente is eigenaar van het perceel kadastraal bekend als gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , [nummer1] (hierna: perceel [sectie] [nummer1] ) en van het aangrenzende perceel kadastraal bekend als gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , [nummer2] (hierna: perceel [sectie] [nummer2] ).
2.3
De Gemeente heeft delen van perceel [sectie] [nummer2] aan een woningcorporatie, Wooninc. B.V. (hierna: Wooninc), ter beschikking gesteld voor de verhuur van woonwagenstandplaatsen. De woningcorporatie heeft een standplaats op dat perceel verhuurd aan [appellant] , die op de standplaats een woonwagen met bijbehorende bouwwerken heeft geplaatst.
2.4
De Gemeente heeft in 2018 en 2020 laten controleren of bij de standplaats sprake is van illegaal in gebruik genomen grond. De Gemeente heeft [appellant] naar aanleiding daarvan in 2019 en 2020 bericht dat hij zonder toestemming gebruikmaakt van perceel [sectie] [nummer1] , de daar aanwezig bouwwerken dient te verwijderen, en elk gebruik van perceel [sectie] [nummer1] blijvend dient te beëindigen. [appellant] heeft geen gehoor gegeven aan de verzoeken c.q. sommaties van de Gemeente.
2.5
De Gemeente heeft bij de rechtbank gevorderd, voor zover nog van belang, dat [appellant] wordt veroordeeld tot ontruiming van perceel [sectie] [nummer1] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom. De rechtbank heeft de vordering toegewezen. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft het vonnis vernietigd en de vordering afgewezen, omdat het verweer van [appellant] dat sprake is van rechtsverwerking, slaagt. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch vernietigd, omdat de Gemeente zich onvoldoende heeft kunnen uitlaten over het beroep op rechtsverwerking. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.6
Het hof zal beslissen dat [appellant] perceel [sectie] [nummer1] moet ontruimen op een termijn van een jaar na betekening van dit arrest, zonder dwangsom. In zoverre blijft het bestreden vonnis niet in stand. Het hof licht zijn beslissing hierna toe, waarbij de grieven (bezwaren) thematisch worden behandeld.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Grondslag vordering en verweer
3.1
De Gemeente vordert de ontruiming van perceel [sectie] [nummer1] door [appellant] . Zij beroept zich op artikel 5:2 BW Pro. Dat artikel bepaalt dat de eigenaar van een zaak bevoegd is haar van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen (revindicatie). [appellant] voert primair het verweer dat hij perceel [sectie] [nummer1] niet houdt zonder recht. Hij stelt huurder te zijn, dan wel een gebruiksrecht te hebben. Subsidiair voert [appellant] aan dat de Gemeente haar recht om tot ontruiming over te gaan heeft verwerkt. Het hof overweegt als volgt.
[appellant] houdt zonder recht
3.2
[appellant] betwist niet dat de Gemeente eigenaar is van perceel [sectie] [nummer1] . Net als de rechtbank stelt het hof voorop dat uitgangspunt is dat degene die zich jegens de rechthebbende beroept op een recht om een goed te houden of te gebruiken, zoals een huurrecht, de stelplicht en bewijslast heeft met betrekking tot de feiten waaruit dat recht volgt. [3] [appellant] stelt dat de bewijslast op de Gemeente moet worden gelegd, omdat de Gemeente in strijd met de waarheidsplicht (art. 21 Rv Pro) stukken achterhoudt die zijn recht kunnen bewijzen. Het hof gaat daar niet in mee. De Gemeente heeft aangegeven dat zij diverse malen in haar archief heeft gezocht en ook in het aan haar toegezonden deel van het archief van het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, maar dat zij geen stukken is tegengekomen waaruit blijkt van toestemming voor het gebruik van perceel [sectie] [nummer1] . Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring van de Gemeente.
3.3
[appellant] beroept zich in de eerste plaats op een huurrecht van perceel [sectie] [nummer1] . De Gemeente betwist dat zij perceel [sectie] [nummer1] ter beschikking heeft gesteld aan de verhuurder van [appellant] , Wooninc. [appellant] wijst erop dat de overeenkomst tussen de Gemeente en Wooninc niet in het geding is gebracht (ondanks verzoeken van [appellant] dat wel te doen). Volgens [appellant] schendt de Gemeente zodoende de waarheidsplicht, omdat volgens hem uit die overeenkomst mogelijk blijkt dat perceel [sectie] [nummer1] aan hem is (mee)verhuurd. Het hof volgt dit niet. De rechtsverhouding tussen [appellant] als huurder en Wooninc als verhuurder wordt bepaald door de huurovereenkomst van 16 juli 2009. Daaruit blijkt dat aan [appellant] door Wooninc is verhuurd “
de standplaats en berging (…) staande en gelegen aan: [adres1]”. [appellant] heeft onvoldoende gesteld waaruit zou volgen dat deze beschrijving mede perceel [sectie] [nummer1] omvat. Het gelijk van [appellant] kan ook niet worden afgeleid uit de kadastrale informatie of de bestemming van het betreffende (deel van) perceel [sectie] [nummer1] . Integendeel, daaruit volgt dat perceel [sectie] [nummer1] , locatie [adres2] , ruim 96.000 m2 beslaat, en dat de bestemming ‘openbaar groen(voorziening)’ is, wat het standpunt van [appellant] niet ondersteunt. Dat [appellant] een huurrecht zou hebben valt bovendien niet te rijmen met zijn stelling dat hij toestemming heeft gekregen van de Gemeente om de grond te gebruiken. [appellant] stelt dat de Gemeente – in de persoon van de heer [naam1] – aan zijn moeder, die aanvankelijk de standplaats huurde, en daarmee ook aan [appellant] zelf, heeft toegezegd dat hij/zij de strook grond op perceel [sectie] [nummer1] mocht gebruiken. Waarom die toestemming van de Gemeente gegeven zou zijn of nodig zou zijn als zijn moeder de strook grond op perceel [sectie] [nummer1] van meet af aan huurde, valt niet in te zien. Uit die en andere verklaringen van [appellant] volgt dat [appellant] zich ervan bewust was dat de strook grond op perceel [sectie] [nummer1] (in elk geval aanvankelijk) niet tot de gehuurde standplaats behoorde. [appellant] kon, anders dan hij betoogt, dan ook niet aan de feitelijke situatie bij de standplaats het vertrouwen ontlenen dat de strook grond wél bij de standplaats hoorde toen hij die standplaats in 2009 zelf ging huren van een derde partij (Wooninc). De omschrijving in de huurovereenkomst tussen [appellant] en Wooninc wijst er ook juist op dat de strook grond níet bij de gehuurde standplaats hoort. Het hof volgt om die reden ook niet de stelling dat [appellant] niet op de hoogte was van de begrenzing van het gehuurde. De Gemeente heeft daarbij gemotiveerd gesteld dat alle standplaatsen min of meer even groot zijn en bewoners heel goed weten waar de standplaats begint en eindigt. Dat [appellant] (extra) huur betaalt voor het gebruik van perceel [sectie] [nummer1] aan Wooninc is gesteld noch gebleken. De Gemeente heeft perceel [sectie] [nummer1] niet aan [appellant] verhuurd. Dat de Gemeente of Wooninc niettemin de indruk zou hebben gewekt dat [appellant] dat perceel heeft (mee)gehuurd is onvoldoende onderbouwd. Op grond van het voorgaande verwerpt het hof het beroep van [appellant] op een huurrecht.
3.4
[appellant] stelt verder dat hij een gebruiksrecht althans toestemming tot gebruik heeft verkregen, wat de Gemeente betwist. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet voldoende heeft onderbouwd dat de Gemeente hem de grond van perceel [sectie] [nummer1] in gebruik heeft gegeven. Volgens [appellant] is er toestemming gegeven voor dat gebruik door de heer [naam1] , die destijds alle woonwagenzaken van de Gemeente regelde en volgens [appellant] ook bevoegd was tot uitgifte van grond. De Gemeente heeft erop gewezen dat [naam1] in 2003 met pensioen is gegaan, lang voordat [appellant] in 2009 zijn standplaats ging huren. Ter zitting bij het hof is duidelijk geworden dat [appellant] doelt op toestemming die de Gemeente, die aanvankelijk zelf de verhuurder van de woonwagenstandplaatsen was, in 1989/90 heeft gegeven aan zijn moeder, die toen huurder was van deze standplaats, waarvan [appellant] naar eigen zeggen getuige is geweest. Wat hier verder van zij – volgens de Gemeente stelde [naam1] afspraken met de bewoners altijd zwart op wit en ontbreekt het hier aan stukken –, het betreft in ieder geval geen toezegging aan [appellant] , die ook niet huurt van de Gemeente maar van Wooninc. [appellant] wijst nog op een door de Gemeente aan zijn moeder verstrekte vergunning van 30 januari 1990, waarmee de omheining en een (later afgebroken) schuur op perceel [sectie] [nummer1] indertijd zijn gelegaliseerd. Die vergunning schept echter geen (privaatrechtelijk) gebruiksrecht, laat staan voor [appellant] zelf. Dat wordt niet anders door de brief van 31 augustus 1989 van de directeur van de Dienst Bouw- en Woningtoezicht van de Gemeente aan de moeder van [appellant] , waarin sprake is van een aan de bewoners “uitgegeven” groenstrook. De Gemeente heeft toegelicht dat sprake is van een standaardtekst die niet is toegespitst op de situatie van de moeder van [appellant] , en dat als er afspraken met de Gemeente zouden zijn gemaakt over het gebruik van de grond, een en ander schriftelijk zou zijn vastgelegd inclusief de voorwaarden waaronder dat gebruik kan worden beëindigd, wat niet is gebeurd. [appellant] heeft ter zitting bij het hof nog aangevoerd dat het ontbreken van schriftelijke afspraken betekent dat zijn gebruiksrecht niet kan worden beëindigd, maar hij ziet er aan voorbij dat het ontbreekt aan feiten waaruit het bestaan van dat gebruiksrecht voor hem kan worden afgeleid. Daar komt nog bij, dat voor zover de moeder van [appellant] uit de verklaringen en gedragingen van de Gemeente destijds al een gebruiksrecht heeft mogen afleiden, [appellant] er niet zonder meer van heeft mogen uitgaan dat de Gemeente ook bereid zou zijn hem eveneens de grond in gebruik te geven toen hij de standplaats van Wooninc ging huren. [appellant] heeft niet concreet de stelling ingenomen dat [naam1] tegen zijn moeder heeft gezegd dat een door hem toegezegd gebruiksrecht ook zou gelden voor degene die na zijn moeder de standplaats zou huren, al aangenomen dat [naam1] een dergelijke toezegging namens de Gemeente had kunnen doen. Verder wist [appellant] dat het ging om grond die eigendom was van de Gemeente en had hij dan ook, als hij met het oog op eventuele investeringen niet in onzekerheid over het gebruik wilde blijven verkeren, bij de Gemeente navraag moeten doen of aan hem een gebruiksrecht zou worden gegeven. [appellant] heeft niet gesteld dat hij dat heeft gedaan en daarop een bevestigend antwoord van de Gemeente heeft gekregen.
3.5
Het hof leidt uit het voorgaande af dat er in elk geval vanaf het moment (in 2009) dat [appellant] de standplaats van Wooninc ging huren, sprake is geweest van een gedoogsituatie. Daar sluit op aan dat, volgens [appellant] , [naam1] heeft aangegeven dat de Gemeente lange tijd een beleid voerde dat er op was gericht om bewoners tegemoet te komen en de rust te bewaren op de woonwagenkampen, en dat dit beleid niet geheel strookte met de wet- en regelgeving. Daar sluit ook op aan dat, aldus [appellant] , het gebruik van de groenstroken bij de hoekpercelen ertoe diende dat de groenstroken niet (meer) als stortplaatsen werden gebruikt. Het ging dus om een praktische oplossing waar zowel de bewoners als de Gemeente mee waren geholpen. Die praktijk schept echter geen gebruiksrecht voor [appellant] tegenover de Gemeente.
Rechtsverwerking?
3.6
Het staat vast dat [appellant] exclusief gebruik maakt van (het omheinde deel van) perceel [sectie] [nummer1] . Uit het voorgaande volgt dat aan dat gebruik geen recht ten grondslag ligt. Dit betekent dat de Gemeente in beginsel bevoegd is de ontruiming te vorderen op de voet van artikel 5:2 BW Pro. Voor dat geval heeft [appellant] zich verweerd met een beroep op rechtsverwerking.
3.7
Het hof stelt in dit verband voorop dat gedurende bijna 30 jaar de bewoners van het hoekperceel [adres1] feitelijk gebruik hebben kunnen maken van (een omheind deel van) perceel [sectie] [nummer1] . Zoals de Gemeente heeft toegelicht, wijzigde haar beleid toen de gemeenten rond 2018, naar aanleiding van uitspraken van het EHRM, de opdracht vanuit het Rijk kregen om extra standplaatsen voor woonwagenbewoners te creëren. In dat kader is door de Gemeente ook gecontroleerd op illegale situaties op de woonwagenkampen, om alles in één keer goed te regelen. Daar is (onder andere) deze procedure uit voortgekomen. Zoals ter zitting bij het hof nader is toegelicht, onderzoekt de Gemeente nog of op perceel [sectie] [nummer1] een extra standplaats kan worden ingericht, dan wel een ontsluitingsweg ten behoeve van de bereikbaarheid van het woonwagenkamp (bijvoorbeeld voor hulpdiensten). Hoewel een beleidswijziging op zichzelf mogelijk is en daar in dit geval ook overtuigende redenen voor zijn gegeven, is hier naar het oordeel van het hof sprake van een drastische wijziging in een langdurige consistente houding van de Gemeente ter zake van de (haar bekende) situatie ter plaatse. Tegen die achtergrond rijst de vraag of de Gemeente van [appellant] heeft mogen eisen dat hij perceel [sectie] [nummer1] vrijwel onmiddellijk zou ontruimen (binnen vier weken/veertien dagen), zoals de Gemeente bij de sommaties vanaf 2019 en vervolgens in deze zaak heeft gedaan.
3.8
Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend, omdat de gehanteerde termijnen voor ontruiming hier onaanvaardbaar kort zijn. Naar het oordeel van het hof is de gevorderde ontruiming toewijsbaar op een termijn van een jaar na betekening van dit arrest; een termijn die het hof overigens ontleent aan de – subsidiaire – stellingen van de Gemeente. Weliswaar heeft [appellant] er niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de Gemeente haar eigendom nooit meer zou opeisen, of dat hij het gebruik van perceel [sectie] [nummer1] zou mogen voortzetten zolang hij huurder van de naastgelegen standplaats zou zijn. Geen van de door [appellant] aangedragen argumenten kan (elk voor zich, dan wel in onderling verband beschouwd) een andere conclusie dragen. [appellant] wist immers dat de grond eigendom is van de Gemeente en heeft er rekening mee moeten houden dat het gebruik van die grond op enig moment zou eindigen. Maar gelet op de lange tijd van gedogen, de eerdere betrokkenheid van de moeder van [appellant] , en de ingrijpende koerswijziging van de Gemeente, acht het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de Gemeente haar eigendom heeft opgeëist zonder [appellant] een redelijke termijn te gunnen om zich op de gewijzigde situatie in te stellen. In zoverre had de gemeente dus in redelijkheid ook niet tot dadelijke opeising kunnen komen. Het hof zal dit rechtzetten door alsnog de redelijke termijn voor de ontruiming op een jaar te bepalen. Met de inachtneming van die termijn, mede gelet op het feit dat [appellant] al sinds de brief van 18 januari 2019 weet dat de Gemeente aanstuurt op de beëindiging van het gebruik, is de ontruiming niet onaanvaardbaar te achten. De door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen dus niet het oordeel rechtvaardigen dat de Gemeente haar recht heeft verwerkt om het gebruik door [appellant] van haar perceel te beëindigen na afloop van die termijn.
3.9
[appellant] heeft nog gesteld dat hij onredelijk wordt benadeeld in geval van ontruiming omdat het afbreken van wat hij heeft gebouwd op kapitaalvernietiging neerkomt en hij het geloof in de overheid kwijtraakt, wat bij hem tot psychische schade leidt. Het hof gaat hier niet in mee. De omheining van perceel [sectie] [nummer1] staat daar, zoals [appellant] ter zitting bij het hof heeft verklaard, sinds 1989. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [appellant] door het afbreken onredelijk wordt benadeeld. Dat geldt ook als een deel van de omheining net als de schuur in 2019 nieuw is gebouwd. [appellant] wist toen dat de Gemeente tot ontruiming wilde overgaan. [appellant] moet dan ook in zoverre de gevolgen van zijn eigen keuzes dragen. Het hof laat dan nog daar dat volgens de Gemeente de nieuwe schuur zonder vergunning is gebouwd (de vergunning uit 1990 is ‘uitgewerkt’). Van substantiële investeringen van [appellant] die door beleidswijziging van de Gemeente teloor zullen gaan blijkt (ook verder) niet. Voor het hof weegt ook mee dat [appellant] al die tijd – sinds 2009 – gebruik heeft gemaakt van perceel [sectie] [nummer1] zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Dat [appellant] , tot slot, psychische schade lijdt is niet onderbouwd. Het hof kan begrijpen dat [appellant] teleurgesteld is en dat hij hecht aan zijn woongenot, maar van onredelijke benadeling is geen sprake.
Geen dwangsom
3.1
Het hof zal aan de veroordeling geen dwangsom verbinden. Met de toewijzing van de vordering tot ontruiming beschikt de Gemeente over een titel om – langs de weg van reële executie – tot gedwongen ontruiming over te gaan. Een extra prikkel in de vorm van een dwangsom acht het hof niet aangewezen, ook al omdat [appellant] heeft gesteld dat hij uit eigen beweging aan een eventuele veroordeling zal voldoen.
De conclusie
3.11
Het hoger beroep slaagt deels, in die zin dat de termijn van ontruiming op een jaar na betekening van dit arrest zal worden gesteld en zonder dat daar een dwangsom aan wordt verbonden. Het hof zal voor de duidelijkheid het hele vonnis vernietigen en een nieuwe veroordeling uitspreken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, omdat er geen voldoende concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld en te bewijzen zijn aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing leiden. Omdat partijen ieder deels ongelijk hebben gekregen, bepaalt het hof dat iedere partij de eigen kosten moet dragen van het hoger beroep en van de eerste aanleg (compensatie van proceskosten).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven van 15 december 2021, en beslist:
4.2
veroordeelt [appellant] om binnen een jaar na betekening van dit arrest het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , [nummer1] , te ontruimen met al het zijne en de zijnen, en leeg en ontruimd ter beschikking te stellen aan de Gemeente en ontruimd te houden;
4.3
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en het hof;
4.4
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, A.A.J. Smelt, en M.B. Beekhoven van den Boezem, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561.
2.Hof ’s-Hertogenbosch 19 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4229.
3.Vgl. Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1185; Hoge Raad 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2565.