ECLI:NL:GHARL:2026:1518

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
24/1312 en 24/1313
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a AWRArt. 7:1 AwbArt. 8 lid 2 Invorderingswet 1990Art. 8 lid 3 Invorderingswet 1990Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake ontvankelijkheid bezwaar tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting

Belanghebbende maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd aan [BV1], terwijl hij zelf niet de laatste bestuurder of aandeelhouder was. De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en de rechtbank bevestigde dit. Belanghebbende stelde dat hij op eigen naam bezwaar mocht maken vanwege een lopende strafzaak en mogelijke aansprakelijkheid.

Het hof oordeelt dat op grond van artikel 26a lid 1 AWR alleen de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar bezwaar kan maken tegen dergelijke aanslagen. Belanghebbende viel hier niet onder. Verwijzingen naar het EVRM en het evenredigheidsbeginsel leiden niet tot een ruimere uitleg. Belanghebbende kan in de strafprocedure de aanslagen betwisten en in een eventuele aansprakelijkheidsprocedure feiten aanvoeren.

Het hof stelt dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren maar ongegrond, maar vernietiging van de uitspraak wegens deze misslag niet nodig is omdat het belang van belanghebbende daarmee niet wordt gediend. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1312 en 24/1313
uitspraakdatum: 10 maart 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 mei 2024, nummers ARN 23/3632 en 23/3633, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Almelo(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft op eigen naam bezwaar gemaakt tegen de aan [BV1] (hierna: [BV1] ) opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de jaren 2015 en 2016.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de bezwaren van belanghebbende kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende niet het recht toekomt bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende niet gerechtigd was de beroepen in te stellen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord – via een digitale verbinding – mr. J.J. Weldam, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende was van oprichtingsdatum 2 oktober 2014 tot 17 februari 2020 enig aandeelhouder en bestuurder van [BV2] (hierna: [BV2] ). [BV2] was van 2 oktober 2014 tot 16 september 2016 medeaandeelhouder en (mede-)bestuurder van [BV1] . De overige aandelen in [BV1] waren in handen van [BV3]
2.2.
[BV2] heeft haar aandelen in [BV1] in 2016 (in twee tranches) overgedragen aan een derde en is per 16 september 2016 afgetreden als (mede-)bestuurder van [BV1] .
2.3.
[BV1] is op 1 mei 2017 opgehouden te bestaan. Belanghebbende was niet de laatste bestuurder of aandeelhouder van [BV1] .
2.4.
Op 2 juni 2020 heeft de Ontvanger naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2015 en 2016 ten name van [BV1] , overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de Invorderingswet 1990, bekendgemaakt door uitreiking – middels betekening door de belastingdeurwaarder – van de aanslagbiljetten aan het parket van het Openbaar Ministerie. Overeenkomstig artikel 8, lid 3, van de Invorderingswet 1990, is in een publicatie in de Staatscourant van 9 juni 2020 melding gemaakt van de betekening van de naheffingsaanslagen.
2.5.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de Inspecteur op 26 januari 2023.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of belanghebbende het recht toekomt op eigen naam bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hem het recht toe moet komen op eigen naam bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen. Belanghebbende voert daartoe aan dat tegen hem een strafzaak loopt die mede betrekking heeft op feiten waarop de naheffingsaanslagen zien en op eigen naam bezwaar moet kunnen maken tegen de naheffingsaanslagen om de juistheid van deze naheffingsaanslagen te kunnen betwisten. Daarnaast wijst belanghebbende erop dat hij ook mogelijk nog door de Ontvanger aansprakelijk kan worden gesteld voor de (onbetaalde) naheffingsaanslagen. Door het bezwaar en het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, hebben de Inspecteur en de Rechtbank volgens belanghebbende een te beperkte uitleg gegeven aan het bepaalde in artikel 26a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Het evenredigheidsbeginsel en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dwingen tot een ruimere uitleg op grond waarvan belanghebbende het recht toekomt op eigen naam bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat belanghebbende niet gerechtigd was bezwaar te maken.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Belanghebbende heeft op eigen naam bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. De Inspecteur heeft vervolgens op naam van belanghebbende uitspraak op bezwaar gedaan. De belastingrechter is bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen een op naam van degene die beroep instelt gestelde uitspraak op bezwaar van de Inspecteur, indien die uitspraak op bezwaar betrekking heeft op een ingevolge de belastingwet genomen besluit, zoals een belastingaanslag. Dat geldt ook in gevallen waarin de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat degene die bezwaar heeft gemaakt daartoe niet bevoegd was. [1] Dit betekent dat de Rechtbank, nu overigens niet is gebleken dat het beroep op een andere grond niet-ontvankelijk was, het beroep van belanghebbende diende te ontvangen. Vervolgens had de Rechtbank moeten beoordelen of de Inspecteur terecht het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beklaagt zich in hoger beroep dus in zoverre terecht erover dat de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2.
Artikel 26a van de AWR beperkt de kring van belanghebbenden die rechtsmiddelen kan aanwenden tegen een belastingaanslag. Uit artikel 26a, lid 1, van de AWR in samenhang bezien met artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht volgt dat tegen de onderhavige naheffingsaanslagen, die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 8, lid 2, van de Invorderingswet 1990 (zie 2.4.), bezwaar kan worden gemaakt door de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar van [BV1] . Belanghebbende was niet de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar van [BV1] , zodat hem op grond van artikel 26a, lid 1, van de AWR niet het recht toe kwam op eigen naam bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen. De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.3.
Anders dan belanghebbende met zijn verwijzing naar artikel 6 van Pro het EVRM en het evenredigheidsbeginsel in de kern betoogt, leidt toepassing van artikel 26a, lid 1, van de AWR in dit geval niet tot een rechtstekort. De omstandigheid dat belanghebbende als voormalig (middellijk) bestuurder en aandeelhouder geen bezwaar kan maken tegen de aan [BV1] opgelegde naheffingsaanslagen, laat onverlet dat belanghebbende in de strafrechtelijke procedure de juistheid van de naheffingsaanslagen ter discussie kan stellen. [2] Er bestaat daarom geen aanleiding belanghebbende op grond van artikel 6 van Pro het EVRM, in afwijking van artikel 26a van de AWR, tot de kring van belanghebbenden te rekenen die rechtsmiddelen kan aanwenden tegen de naheffingsaanslagen.
4.4.
Ook de omstandigheid dat belanghebbende mogelijk door de Ontvanger aansprakelijk wordt gesteld voor de naheffingsaanslagen, maakt niet dat belanghebbende het recht moet hebben op eigen naam bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen. Belanghebbende kan namelijk in een mogelijke procedure betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling feiten en omstandigheden betreffende de naheffingsaanslagen aanvoeren die niet eerder aan de belastingrechter zijn voorgelegd of waarover die rechter geen onherroepelijke uitspraak heeft gedaan. [3]
4.5.
Uit hetgeen het Hof hiervoor heeft geoordeeld, volgt dat de Rechtbank het beroep van belanghebbende niet niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar ongegrond. Het Hof ziet echter geen reden de uitspraak van de Rechtbank vanwege deze misslag in het dictum van de uitspraak te vernietigen. Vernietiging van een door de voorgaande rechter gedane uitspraak wegens een misslag in het dictum is namelijk slechts aangewezen indien de belangen van de appellant daarmee kunnen worden gediend. [4] Met vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank is in dit geval geen redelijk belang gediend. Zowel een ongegrondverklaring van het beroep als een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de Rechtbank leiden ertoe dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand blijft en aan een inhoudelijke beoordeling van de naheffingsaanslagen niet wordt toegekomen.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 10 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vergelijk Hoge Raad 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:170 en Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2348.
2.Vergelijk Hoge Raad 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1080, r.o. 4.5.4.
3.Zie Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2722, r.o. 2.6.3.
4.Zie Hoge Raad 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033.