3.99.Het derde en het vierde punt 344 betreffen meerwerk van de firma ELG en hangen samen met het multiflow systeem. ViMa c.s. heeft dit gebrek niet separaat aan HaSa doorgegeven en de exacte kosten van herstel zijn niet bekend. Dit punt deelt daarom het lot van de hiervoor besproken punten 344.
3.100. ViMa c.s. heeft in haar toelichting op de diverse onderdelen van de restgebreken tekeningen in het geding gebracht. ViMa c.s. zegt daar zelf over dat die tekeningen zonder toelichting, die ViMa c.s. volgens haar eigen stellingen lastig kan geven, niet veel informatie voor het hof zullen opleveren. ViMa c.s. biedt aan door een getuigenverhoor een toelichting te geven. Ook aan deze bewijsaanbiedingen gaat het hof voorbij. Het is aan ViMa c.s. te stellen wat er uit die tekeningen kan worden afgeleid in relatie tot de grondslag van haar vordering. Dat heeft ViMa c.s. niet gedaan. Voor bewijslevering is dan geen plaats.
3.101. Deze vordering heeft betrekking op door ViMa geplaatste Hilti ankers, die volgens ViMa c.s. geplaatst moesten worden in verband met gebreken in het door HaSa uitgevoerde werk. ViMa c.s. bevestigt allereerst de aanname van het hof, dat de vordering met betrekking tot de stekeinden geen onderdeel uitmaakt van de schikking met RWE. ViMa c.s. heeft vervolgens alsnog de bij de antwoordconclusie van 21 oktober 2020 behorende producties 135 en 136 aan het hof overgelegd. Zoals het hof in 3.14 van dit arrest heeft vermeld, heeft ViMa c.s. haar eis op dit onderdeel verminderd. ViMa c.s. heeft een nieuw overzicht in het geding gebracht (productie 150 bij de akte van 4 juni 2024). Als productie 151 bij die akte heeft ViMa c.s. eenzelfde overzicht in digitale vorm overgelegd, met onderliggende stukken. In dat overzicht is vermeld in welke gevallen het gaat om vervanging van verkeerd geplaatste stekeinden, in welke gevallen het gaat om alsnog geplaatste stekeinden waar deze ontbraken en in welke gevallen een stekeinde is geplaatst, omdat de ankerplaat niet, of niet op de juiste plaats, was aangebracht. ViMa heeft de meeste van deze Hilti ankers laten plaatsen terwijl HaSa nog op het werk aanwezig was. Niet in alle gevallen heeft ViMa HaSa voor de gebreken een ingebrekestelling gestuurd. De ingebrekestellingen die wel zijn verzonden, heeft ViMa c.s. in haar overzichten verwerkt. Voor de aansprakelijkheid van HaSa is dit volgens ViMa c.s. niet van belang, omdat vaststaat dat HaSa niet de bevoegdheid en/of toestemming had om de Hilti ankers te plaatsen. Volgens ViMa c.s. heeft HaSa haar aansprakelijkheid op dit onderdeel ook erkend in de overeenkomst van 17 juni 2011. In die overeenkomst is het bedrag van de vordering van ViMa op dit onderdeel nog niet opgenomen.
3.102. HaSa stelt in haar antwoordakte van 4 juni 2024 dat er blijkbaar vanwege ViMa te weinig ankerplaten zijn geplaatst, of ankerplaten niet goed zijn geplaatst. HaSa sluit niet uit dat ViMa een fout heeft gemaakt in het bestek of dat er later in overleg met RWE wijzigingen in het bestek zijn doorgevoerd. HaSa vraagt zich verder af waarom zij niet is aangesproken om de vermeende fouten te herstellen. HaSa betwist dat zij in verzuim is geraakt en dat de gevorderde kosten voor haar rekening komen.
In reactie op productie 151 van ViMa c.s. stelt HaSa dat de vordering kennelijk is gebaseerd op het plaatsen van 11.920 ankers. Volgens HaSa is uitgesloten dat zij zoveel ankers zou zijn vergeten, omdat ViMa dan geen goedkeuring zou hebben gegeven voor het betonneren. Verder wijst HaSa erop dat ‘auf Nachweis’ betekent ‘wanneer bewezen of aangetoond’. Het moet dus gaan om aan HaSa toe te rekenen fouten, die tijdig aan haar zijn gemeld, zonder dat HaSa van haar herstelmogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Daarvan is volgens HaSa geen sprake.
3.103. Het hof stelt voorop dat HaSa de door ViMa c.s. aangehaalde afspraak in de overeenkomst van 17 juni 2011 niet betwist. HaSa betwist ook niet dat die afspraak betrekking heeft op alle drie de onderdelen van deze vordering van ViMa c.s.. HaSa wijst naar het oordeel van het hof terecht op de uitleg van de toevoeging ‘auf Nachweis’ in de overeenkomst van 17 juni 2011. In de overeenkomst van 17 juni 2011 is een lijst opgenomen van bij HaSa in te houden bedragen. Op die lijst van 22 posten is bij een aantal posten vermeld ‘auf Nachweis’. De post waar het hier om gaat is als volgt opgenomen: “Kosten für Hilti Hit für das nachträgliche Einbauen von vergessener bewehrung.” ViMa c.s. heeft al in haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 gesteld dat deze bepaling inhoudt dat HaSa haar aansprakelijkheid voor het plaatsen van de Hilti ankers erkent. Het hof volgt die uitleg. Dat daar achter is gezet “auf Nachweis’ doet naar het oordeel van het hof niet af aan die erkenning van aansprakelijkheid, maar betekent dat ViMa c.s. de werkelijke kosten van het plaatsen van de Hilti ankers zal moeten aantonen. Dat heeft ViMa c.s. in ieder geval gedaan met productie 150 en 151. Die overzichten met de daarin opgenomen bedragen heeft HaSa onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat ViMa een fout heeft gemaakt in het bestek of het bestek is gewijzigd heeft HaSa niet geconcretiseerd. HaSa miskent ook dat het niet alleen om vergeten stekeinden gaat, maar ook om niet juist geplaatste stekeinden en Hilti ankers die nodig waren in verband met niet of niet juist geplaatste ankerplaten. HaSa stelt nog dat het gevorderde bedrag kennelijk is gebaseerd op het plaatsen van 11.920 ankers. HaSa stelt vervolgens: “
In AZ 30 positie 1.4.2030 factureert ViMa 4.762 ankers en onder nummer 1.4.2040 nog eens 801 waardoor het totaal maximum neerkomt op 4.572. Gesteld dat HaSa deze kosten kunnen worden toegerekend, dient de vordering met dit aantal verminderd te worden.” Zonder verdere uitleg is dit voor het hof onbegrijpelijk. Rekenkundig kan het hof HaSa niet volgen. Het hof ziet ook geen evidente rekenfout in de stelling van HaSa besloten liggen. Bovendien is zonder uitleg ook niet goed te begrijpen waarom de vermelde facturen tot vermindering van dit onderdeel van de vordering van ViMa zouden moeten leiden.
HaSa heeft nog betwist dat zij in verzuim is geraakt, maar ook dat passeert het hof. HaSa heeft namelijk niet betwist dat zij niet bevoegd was om Hilti ankers te plaatsen. Evenmin heeft HaSa gesteld dat herstel op een andere manier dan door het plaatsen van Hilti ankers mogelijk was. Daarmee staat vast dat alsnog deugdelijk nakomen voor HaSa onmogelijk was. Dan treedt het verzuim op grond van artikel 6:81 BW direct in zonder dat eerst aan de eisen van artikel 6:82 BW en artikel 6:83 BW moet zijn voldaan. De slotsom is dat het hof dit onderdeel van de vordering van ViMa c.s. zal toewijzen.
3.104. ViMa c.s. heeft alsnog de bij de antwoordconclusie van 21 oktober 2020 behorende producties 137, 138 en 139 aan het hof overgelegd. Zoals het hof in 3.15 van dit arrest heeft vermeld, heeft ViMa c.s. haar eis op dit onderdeel verminderd. ViMa c.s. heeft als productie 155 bij haar akte van 4 juni 2024 een nieuw overzicht van de ‘Rest-/MängelPunkte’ in het geding gebracht, in digitale vorm met alle onderliggende stukken daarin verwerkt. In haar akte heeft ViMa c.s. uitgelegd hoe dit bestand moet worden gelezen. In kolom D van dit overzicht staat de klacht, dan wel het gebrek omschreven. Volgens ViMa c.s. zijn alle in productie 155 opgenomen gebreken en/of klachten aan HaSa toe te rekenen. Het hof kan in de antwoordakte van HaSa van 13 augustus niet lezen dat HaSa betwist dat de vermelde gebreken en klachten aan haar zijn toe te rekenen. HaSa stelt dat er sprake is van dubbeltellingen, omdat er opnieuw verkeerd geplaatste, ontbrekende of defecte ankerplaten op de lijst staan. Welke dat zijn concretiseert HaSa niet, terwijl ViMa in punt 28.1 van haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 al had gesteld dat alle restgebreken niet bij de eerdere vorderingen aan de orde zijn gekomen. Waarom en op welke onderdelen er desondanks sprake zou zijn van een dubbeltelling heeft HaSa onvoldoende onderbouwd. HaSa vindt het opvallend dat het merendeel van de meldingen van na 31 januari 2012 is. HaSa wijst er daarbij op dat partijen in mei 2012 de zogeheten ‘gele lijsten’ hebben opgesteld en dat partijen in juni 2012 uitgebreid met elkaar hebben gesproken. Daarbij is volgens HaSa ook besproken dat ViMa nog zaken aan een Gutachter zou voorleggen. Volgens HaSa had ViMa meer dan genoeg tijd om deze restgebreken met HaSa te bespreken. Het hof laat deze opmerkingen verder buiten beschouwing, omdat HaSa er geen voldoende concrete gevolgtrekking aan verbindt. HaSa maakt nog een punt van het ontbreken van ingebrekestellingen. Het hof heeft ViMa c.s. in het eerste tussenarrest gevraagd om toe te lichten dat het gaat om gebreken ten aanzien waarvan HaSa in verzuim verkeert. ViMa c.s. heeft voor een groot aantal van de restgebreken de daarmee corresponderende ingebrekestelling overgelegd. In die gevallen heeft HaSa naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd weersproken dat zij in verzuim verkeert. Dat geldt ook voor gebreken die bij ViMa zijn gemeld nadat HaSa haar verplichtingen had opgeschort en het werk had verlaten. Uit 3.34 van het eerste tussenarrest volgt dat dit in ieder geval voor 4 juni 2012 is geweest. Voor de RMP vanaf nummer 1530 mocht ViMa aannemen dat HaSa door die mededeling zonder ingebrekestelling in verzuim verkeerde, omdat die opschorting van HaSa onterecht was. ViMa c.s. erkent dat zij voor de RMP met nummers 729, 732, 777, 1067, 1212, 1284, 1286, 1288, 1290, 1319, 1477 en 1507 geen ingebrekestelling aan HaSa heeft gestuurd. Uit het overzicht van productie 155 blijkt dat deze RMP aan ViMa zijn gemeld voordat HaSa het werk had verlaten. Hoe HaSa met betrekking tot deze RMP in verzuim is geraakt, heeft ViMa c.s. niet toegelicht, ondanks dat het hof daar uitdrukkelijk om heeft gevraagd. Daardoor heeft ViMa c.s. op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan en komt het hof niet toe aan bewijslevering. De vordering van ViMa c.s. is voor deze RMP niet toewijsbaar.
Het hof heeft ViMa c.s. in het eerste tussenarrest, overeenkomstig haar aanbod in de antwoordconclusie van 21 oktober 2020, in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting te geven dat de herstelkosten daadwerkelijk zijn gemaakt ten aanzien van gebreken waarvan HaSa in verzuim verkeerde. Het hof leest die toelichting niet in de akte van ViMa c.s. van 4 juni 2024. Uit de overzichten die ViMa c.s. bij dit onderdeel van haar vordering heeft overgelegd is voor het hof niet af te leiden tot welke herstelkosten de RMP hebben geleid die op grond van het voorgaande niet toewijsbaar zijn.
Omdat HaSa onvoldoende heeft weersproken dat zij gehouden is de daadwerkelijke herstelkosten te betalen van de restgebreken, met uitzondering van de RMP met nummers 729, 732, 777, 1067, 1212, 1284, 1286, 1288, 1290, 1319, 1477 en 1507, zal het hof aan de deskundige vragen of zij in staat is uit de administratie van ViMa te destilleren welke daadwerkelijke herstelkosten ViMa heeft gemaakt om de restgebreken, met uitzondering van de RMP met nummers 729, 732, 777, 1067, 1212, 1284, 1286, 1288, 1290, 1319, 1477 en 1507, te herstellen.
De bonus voor het Machinenhaus
3.105. HaSa doet een beroep op verrekening van haar vordering wegens een bonus voor het Maschinenhaus met enig bedrag dat zij aan ViMa c.s. zal moeten betalen. Uit dit arrest en het eerste tussenarrest volgt dat HaSa in ieder geval enig bedrag aan ViMa c.s. verschuldigd is. Het hof zal daarom reeds nu de vordering van HaSa op dit onderdeel bespreken. Voor de standpunten van partijen verwijst het hof naar 3.61 van het eerste tussenarrest.
3.106. In het verslag van 4 juni 2012 staat dat ViMa de aanspraak van HaSa van € 2.800.000 als bonus voor het Maschinenhaus niet erkent, maar dat HaSa volhardt in deze vordering. HaSa heeft in een brief van 6 juni 2012 aan ViMa onder meer geschreven dat zij de aanspraak op deze bonus handhaaft. Daarop hebben partijen opnieuw met elkaar gesproken op 12 juni 2012. In het verslag dat van die bespreking is gemaakt staat op pagina twee:
“Punkt 17 “Back to Back Maschinenhaus”
Der Bonus auf Lohnnachtrag für das Maschinenhaus würden wird zahlen.”
ViMa c.s. heeft er in haar akte van 25 juni 2014 in punt 5.20 op gewezen dat met de woorden “
Bonus auf Lohnnachtrag für das Maschinenhaus” niet de door HaSa bedoelde bonus voor het Maschinenhaus is bedoeld. ViMa heeft ook gesteld dat HaSa de grondslag van dit deel van haar vordering en de opbouw van het gevorderde bedrag op geen enkele wijze heeft onderbouwd. ViMa wijst er ook op dat het gegeven dat zij in het kader van het bereiken van een totaalafspraak bereid zou zijn geweest de bonus te betalen niet betekent dat zij die vordering onvoorwaardelijk heeft erkend. Het hof stelt voorop dat door HaSa volgens het verslag van 4 juni 2012 en haar brief van 6 juni 2012 duidelijk is gesteld dat zij meent recht te hebben op betaling van een bonus van € 2.800.000 voor het Maschinenhaus. Wat voor bonus dat is en wanneer de betaling van die bonus is overeengekomen en welke voorwaarden daarvoor gelden blijkt niet. Dat voor ViMa niet duidelijk is geweest op welke grondslag dit was en hoe dat bedrag is opgebouwd kan het hof echter ook niet afleiden uit het verslag van 4 juni 2012. Dat in het verslag van 12 juni 2014 een andere bonus wordt bedoeld blijkt ook nergens uit. ViMa c.s. stelt dat het verslag van 12 juni 2014 nooit aan HaSa is gestuurd en dat dit verslag alleen voor intern gebruik is opgesteld. Daaruit kan volgens ViMa c.s. daarom niet worden afgeleid dat partijen overeenstemming hebben bereikt op enig punt. Volgens HaSa is op 12 juni 2012 alsnog overeenstemming bereikt over de betaling van de door haar bedoelde bonus van € 2.800.000. Het hof zal HaSa toelaten tot het bewijs van deze stelling. In het geval HaSa niet slaagt in dat bewijs komt HaSa geen beroep op verrekening toe. Voor het bestaan van de aanspraak op deze bonus op andere gronden dan de gestelde overeenstemming op 12 juni 2012 heeft HaSa onvoldoende gesteld. Om proceseconomische redenen zal het hof HaSa de bewijslevering in een later stadium van de procedure toestaan.
De verrekening op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011
3.107. In 3.90 van het eerste tussenarrest heeft het hof overwogen dat HaSa erkent dat ViMa op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 aanspraak heeft op verrekening van een bedrag van € 651.039,54. Partijen zijn het erover eens dat op dit bedrag € 256.854 en € 54.723,60 in mindering moet worden gebracht, zodat een ten gunste van ViMa c.s. te verrekenen bedrag van € 448.909,14 resteert (zie 3.89 van het eerste tussenarrest). ViMa c.s. vordert betaling van dit bedrag. Uit 3.90 van het eerste tussenarrest volgt dat HaSa stelt dat op dit bedrag in mindering moet worden gebracht de vertragingskosten wegens het werken met glijbekisting bij de ronde silowanden van in totaal (€ 364.500 + € 121.500 =) € 486.000. Dat betekent volgens HaSa dat ViMa c.s. geen vordering wegens verrekening meer heeft op haar, maar dat HaSa een vordering heeft op ViMa van € 37.090,86.
3.108. De boordeling van deze twee vorderingen hangt af van de vraag of HaSa recht heeft op betaling van de gestelde vertragingsschade wegens het werken met glijbekisting. Uit 3.51 van dit arrest volgt dat betaling van de vertragingstoeslag door ViMa aan HaSa voor vertraging als gevolg van het werken met glijbekisting is afgesproken onder de voorwaarde dat RWE akkoord zou gaan met de betaling aan ViMa van een moeilijkheidstoeslag van € 340 per ton voor de glijbekisting. Het hof heeft in 3.48 van dit arrest beslist dat het aan de deskundige zal vragen om te onderzoeken of RWE die toeslag heeft betaald of niet. De verdere beoordeling van de vordering van ViMa c.s. op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 is – net als de verdere beoordeling van de vordering van HaSa op grond van de overeenkomst van 31 augustus 2011 van de uitkomst van het deskundigenonderzoek afhankelijk.
De benoeming van een deskundige
3.109. In het eerste tussenarrest heeft het hof aangekondigd dat het van plan is de eerder door de rechtbank benoemde deskundige opnieuw te benoemen ter beantwoording van:
- de verdere beoordeling van het resterende deel van de kleine bouwplaatsen, onderdeel van vordering 1 van HaSa;
- de beoordeling van vordering 3 van HaSa;
- de beoordeling van de vordering van ViMa c.s. met betrekking tot de kosten als gevolg van schade aan en vermissing van bekistingsmateriaal.
3.110. Beide partijen kunnen zich vinden in het benoemen van [naam2] tot deskundige. Beide partijen vinden dat vooralsnog met de benoeming van één deskundige kan worden volstaan. ViMa c.s. wijst er op dat zij bij enkele schadevorderingen niet beschikt over facturen van derden. Voor die posten stelt ViMa c.s. voor om bij betwisting door HaSa een deskundige op het gebied van bouwkosten te benomen, om de redelijkheid van de gevorderde bedragen te beoordelen. Het hof ziet geen aanleiding om reeds nu een bouwkosten deskundige te benoemen.
HaSa heeft voor de aan de deskundige te stellen vragen verwezen naar haar aktes van 18 mei 2016, 22 juni 2016 en 14 september 2016. ViMa c.s. wijst er naar het oordeel van het hof terecht op dat in de laatste twee aktes van HaSa geen concrete voorstellen voor aan de deskundige te stellen vragen staan. Ook wijst ViMa c.s. er terecht op dat de opmerkingen die HaSa in die twee aktes maakt geen betrekking lijken te hebben op de vragen zoals het hof die aan de deskundige voor wil leggen. In haar akte van 18 mei 2016 stelt HaSa 12 algemene vragen voor en 44 specifieke vragen. Het hof begrijpt niet wat HaSa bedoelt met haar verwijzing naar deze vragen. Enige toelichting waarom deze 56 vragen relevant zijn voor de door het hof aan de deskundige te stellen vragen ontbreekt. Het hof gaat daarom voorbij aan de door HaSa voorgestelde vragen.
3.111. Het hof heeft naar aanleiding van de processtukken van na het eerste tussenarrest nog vragen toegevoegd aan de eerder door het hof voorgestelde vragen, zie daarvoor 3.48 en 3.104 van dit arrest.
3.112. Het hof zal de deskundige benoemen om aan de hand van de administratie van HaSa en de administratie van ViMa c.s. de volgende vragen te beantwoorden:
1. Met betrekking tot de kleine bouwplaatsen, zie 3.43 van het eerste tussenarrest:
a. Kunt u vaststellen dat van de facturen van HaSa met de nummers 349, 350, 408, 409, 410, 411 en 426 de in rekening gebrachte hoeveelheden daadwerkelijk zijn verwerkt?
b. Kunt u vaststellen dat de daadwerkelijke verwerkte hoeveelheden tegen de overeengekomen eenheidsprijzen en toeslagen zijn gefactureerd?
c. Heeft u voor de in die facturen in rekening gebrachte werkzaamheden een hoeveelhedenstaat en/of uitvoerdersbon aangetroffen? Zo ja, van welke datum zijn die en zijn die ondertekend namens ViMa?
d. Kunt u voor meerwerk dat met deze facturen in rekening is gebracht een opdracht namens ViMa voor dat meerwerk in de administraties terugvinden?
e. Kunt u vaststellen dat ViMa betalingen heeft gedaan aan HaSa met betrekking tot deze facturen? Zo ja, welke bedragen zijn op welke facturen betaald?
2. Met betrekking tot de factuur van 18 april 2012, zie 3.47 van het eerste tussenarrest:
a. Kunt u vaststellen dat de in rekening gebrachte hoeveelheden daadwerkelijk zijn verwerkt?
b. Kunt u vaststellen dat de daadwerkelijke verwerkte hoeveelheden tegen de overeengekomen eenheidsprijzen en toeslagen zijn gefactureerd?
c. Heeft u voor de in die facturen in rekening gebrachte werkzaamheden een hoeveelhedenstaat en/of uitvoerdersbon aangetroffen? Zo ja, van welke datum zijn die en zijn die ondertekend namens ViMa?
d. Kunt u voor meerwerk dat met deze factuur in rekening is gebracht een opdracht namens ViMa voor dat meerwerk in de administraties terugvinden?
e. Kunt u vaststellen dat ViMa betalingen heeft gedaan aan HaSa met betrekking tot deze factuur? Zo ja, welke bedragen zijn op voor welke werkzaamheden betaald?
3. Met betrekking tot de schade aan het bekistingsmateriaal, zie 3.69 van het eerste tussenarrest:
a. Kunt u vaststellen dat ViMa voor een bedrag van € 1.167.101,32 facturen van Doka heeft betaald ter vergoeding van schade aan en vermissing van bekistingsmateriaal?
b. Indien u dit niet tot het gehele bedrag, maar wel tot een deel van dat bedrag kunt vaststellen; welke bedragen heeft ViMa aan Doka vergoed wegens schade aan of vermissing van bekistingsmateriaal op basis van welke facturen van Doka?
4. Met betrekking tot (de voorwaarde in) de overeenkomst van 31 augustus 2011, zie 3.51 van dit arrest:
a. Kunt u vaststellen dat RWE voor bouwdeel R2UET in verband met het werken met glijbekisting een meerwerktoeslag of moeilijkheidstoeslag heeft betaald van € 340 per ton?
5. Met betrekking tot de restgebreken:
a. Kunt u vaststellen welke herstelkosten ViMa daadwerkelijk heeft gemaakt om de restgebreken,
met uitzondering van de RMP met nummers 729, 732, 777, 1067, 1212, 1284, 1286, 1288, 1290, 1319, 1477 en 1507, te herstellen?
b. Indien u dit niet voor alle te onderzoeken restgebreken kunt vaststellen, kunt u dan per RMP nummer waarvoor u dat wel kunt vaststellen, aangeven wat de daadwerkelijk gemaakte herstelkosten zijn?
6. Heeft u naar aanleiding van uw onderzoek nog nadere vragen en/of opmerkingen waarvan u meent dat die voor de genomen of te nemen beslissingen van het hof van belang zijn? Zo ja, welke zijn dit en waarom acht u die van belang voor de beslissingen van het hof?
3.113. Partijen zijn verplicht om de deskundige volledige toegang tot hun administratie te geven. Ook zijn partijen verplicht de deskundige alle informatie, schriftelijke stukken of mondelinge toelichting, te geven waar de deskundige om vraagt, voor zover zij over de gevraagde informatie beschikken. De vraagstelling aan de deskundige heeft betrekking op zowel stelling waarvan HaSa de bewijslast heeft, als stellingen waarvan ViMa c.s. de bewijslast heeft. Daar zal het hof bepalen dat iedere partij de helft van het voorschot van de deskundige moet betalen.
Samenvatting tot nu toe en vervolg van de procedure
3.114. Het hof corrigeert de laatste zin van 3.67 van het eerste tussenarrest. ViMa c.s. stelt dat HaSa 6/7 deel van de schade aan het bekistingsmateriaal (totaal € 1.167.101,32) moet betalen, zie 3.34 van dit arrest.
3.115. Het hof komt terug van zijn beslissing in 3.68 van het eerste tussenarrest, voor zover daarin is beslist dat ViMa c.s. zal moeten aantonen dat de schade aan het bekistingsmateriaal voor het deel waarvan zij betaling van HaSa vordert aan HaSa kan worden toegerekend, zie 3.36 van dit arrest.
3.116. Het hof komt terug van zijn beslissing in 3.91 van het eerste tussenarrest dat ViMa c.s. geen kenbare grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat van de vordering van HaSa een bedrag van € 37.090,86 op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 toewijsbaar is, zie 3.38 van dit arrest.
3.117. Uit het eerste tussenarrest en dit arrest volgen de volgende beslissingen:
Ten aanzien van de vorderingen van HaSa
- Van vordering 1 is € 3.321.594,36 dat voor de grote bouwplaatsen is gefactureerd toewijsbaar;
- Van vordering 1 is van het deel dat ziet op de kleine bouwplaatsen een bedrag van € 331.399,92 toewijsbaar;
- Vordering 2 is toewijsbaar tot een bedrag van € 1.743.215,23;
- Vordering 4 is geheel toewijsbaar (€ 350.000,00);
- Vordering 10 (€ 34.000,00) is toegewezen en staat in hoger beroep niet ter discussie;
- De verrekening van € 216.723,58 (onderdeel 11) blijft in hoger beroep gehandhaafd;
- Vordering 5 (bonussen uit de overeenkomst van 17-11-2011, groot € 843.500) zal worden afgewezen;
- De vordering van € 2.800.000,00 vanwege bonussen voor het Machinenhaus zal worden afgewezen;
Ten aanzien van de vorderingen van ViMa c.s. de volgende beslissingen:
- Vordering A over de bevoegdheid tot verrekening kan worden toegewezen in het geval ViMa c.s. een vordering tot betaling van enig bedrag op HaSa zal blijken te hebben;
- Vordering D over de teruggave van de bankgarantie zal worden toegewezen;
- De vorderingen over de vergoeding van de kosten van de bankgarantie (voor een bedrag van € 850.850 onderdeel van vordering B en vordering C) zullen worden afgewezen;
- De vordering tot terugbetaling van bonussen van € 650.000 (onderdeel van vordering B) zal worden afgewezen.
- De vordering tot betaling van de herstelkosten van € 64.959,50 van de buiten de bouwdelen gelegen UBZ kanalen (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.52 van dit arrest.
- De vordering tot betaling van de herstelkosten van € 614.889,14 voor de ankerplaten (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.71 van dit arrest.
- De vordering tot betaling van de herstelkosten van € 301.875,23 voor de roestvlekken op het beton (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.78 van dit arrest.
- De vordering tot betaling van de herstelkosten van € 11.500 voor de uitzettingsvoegenbanden (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.80 van dit arrest.
- De vordering tot betaling van de kosten van ELG en Alpine van € 574.610,12 (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.82 van dit arrest.
- De vordering tot betaling van de kosten van Franzen van € 158.843,04 (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.84 van dit arrest.
- De vordering tot betaling van de kosten van AQZ € 24.156,54 (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.86 van dit arrest.
- De vordering tot betaling van de kosten van IBA van € 42.885,96 (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.88 van dit arrest.
- De vordering tot betaling van de planningskosten van HTC van € 435.496,57 (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.90 van dit arrest.
- De vordering tot betaling van de afrekening van overige grebreken volgens de vaststellingsovereenkomst met RWE zal het hof afwijzen, zie 3.92 van dit arrest.
- De vordering tot betaling van de herstelkosten van € 117.873,36 voor de stekeinden (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.103 van dit arrest.
- De vordering tot betaling van de restgebreken zal het hof afwijzen voor zover die vordering betrekking heeft op de RMP met nummers 729, 732, 777, 1067, 1212, 1284, 1286, 1288, 1290, 1319, 1477 en 1507, zie 3.104 van dit arrest.
3.118. Het hof heeft in dit arrest verder de volgende beslissingen genomen.
3.119. HaSa zal worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat de door ViMa aangeleverde prefab-betonplaten die bij de Turbinentisch verwerkt zijn ondeugdelijk waren, omdat deze waren gescheurd. HaSa wil dit bewijs leveren door het horen van getuigen, zie 3.47 en 3.60 van dit arrest.
3.120. HaSa zal worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat partijen op 12 juni 2012 alsnog overeenstemming hebben bereikt over de betaling door ViMa van de door HaSa bedoelde bonus van € 2.800.000 voor het Maschinenhaus, zie 3.106 van dit arrest. HaSa wil dit bewijs leveren door het horen van getuigen.
3.121. ViMa c.s. zal worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat sprake is van gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden van HaSa aan de volgende inpandige UBZ kanalen:
- ROUBA, kanaal 6
- ROUBA, kanalen 3 en 5
- Kanaal 5
- ROUBA
- ROUBA, kanaal 4, uitbreidingsverbinding (2x vermeld)
- ROUBA, kanaal 4, trap (2x vermeld)
- ROUBA, kanaal 5
- ROUBA, kanaal 4.
ViMa wil dit bewijs leveren door het horen van getuigen, zie 3.56 en 3.57 van dit arrest.
3.122. Voordat aan verdere bewijslevering wordt toegekomen, zal het hof een deskundige benoemen. Om proceseconomische redenen zal de bewijslevering daarom plaatsvinden in een later stadium van de procedure.
3.123. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.