ECLI:NL:GHARL:2025:8062

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.333.184/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil tussen broers over beëindiging samenwerking in agrarisch bedrijf en deskundigenprocedure

In deze zaak gaat het om een langdurig geschil tussen twee broers over de beëindiging van hun samenwerking in een agrarisch bedrijf. De broers hebben in 2015 een overeenkomst gesloten voor een deskundigenprocedure tot vaststelling van de koopprijs, maar er zijn verschillende geschillen ontstaan die hebben geleid tot meerdere juridische procedures. Het hof heeft te maken met een verzoek van de verzoeker om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen, terwijl de verweerder dit verzoek afwijst op basis van verschillende bezwaren, waaronder misbruik van bevoegdheid en strijd met de goede procesorde.

De broers zijn in 2010 een vennootschap onder firma aangegaan met als doel jongvee op te fokken. Door een mishandeling in 2015 is de verhouding tussen hen verstoord, wat heeft geleid tot de wens om de vennootschap te beëindigen. In juli 2015 hebben zij afspraken gemaakt over de beëindiging van de vennootschap, maar er zijn geschillen ontstaan over de uitvoering van deze afspraken. De rechtbank Overijssel heeft in een eerdere procedure bepaald dat de verzoeker een deskundige moet aanwijzen voor de waardebepaling van de onderneming.

Het hof heeft in deze beschikking geoordeeld dat het verzoek van de verzoeker tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht niet toewijsbaar is, omdat de vennootschap inmiddels is ontbonden en het hof de toedeling en vereffening aan zich houdt. De verzoeker heeft geen voldoende belang meer bij het verzoek, waardoor het hof dit afwijst. De zaak betreft een zakelijk geschil tussen de broers, waarbij de proceskosten voor de verzoeker worden vastgesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.333.184/02
beschikking van 16 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna: [verzoeker] ,
advocaat: mr. J.M. van Rongen,
en
[verweerder],
die woont in [woonplaats] ,
verweerder,
hierna: [verweerder] ,
advocaat: mr. A.A. Bos.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift,
  • het verweerschrift,
  • namens [verzoeker] toegezonden productie 8,
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 5 juli 2024 is gehouden,
  • namens [verweerder] toegezonden producties 5 t/m 8,
  • het verslag (proces-verbaal) van de voortgezette mondelinge behandeling die op 20 november 2024 is gehouden.

2.De beoordeling

2.1
[verzoeker] verzoekt een voorlopig deskundigenbericht te bevelen. [verweerder] is van mening dat dit verzoek moet worden afgewezen. Volgens hem dient het verzoek geen redelijk doel, is het verzoek in strijd met de goede procesorde althans is sprake van misbruik van bevoegdheid en staan zwaarwichtige bezwaren van [verweerder] aan toewijzing van het verzoek in de weg.
2.2
Aan het verzoek ligt het volgende feitencomplex ten grondslag. [verzoeker] is samen met zijn broer [verweerder] in 2010 een vennootschap onder firma aangegaan met als doel voor gezamenlijke rekening en risico jongvee op te fokken. In een schriftelijke overeenkomst van 25 maart 2014 (hierna: de vof overeenkomst) zijn de afspraken vastgelegd. De naam van de vennootschap onder firma is “ [naam] ” (hierna: vof [naam] ). Vof [naam] heeft tot doel het opfokbedrijf van jongvee uit te breiden naar een volwaardig melkveebedrijf.
Op 9 maart 2015 mishandelt [verzoeker] [verweerder] waarvoor [verzoeker] op 11 mei 2015 door de politierechter is veroordeeld. De verstoorde verhouding leidt ertoe dat beide broers hun vof [naam] willen beëindigen.
In juli 2015 hebben [verzoeker] en [verweerder] hun afspraken over de procedure tot beëindiging van de vof [naam] schriftelijk vastgelegd (hierna: de beëindigingsovereenkomst). De vof [naam] zal op een nader overeen te komen datum worden ontbonden (artikel 1). [verweerder] heeft vanaf 10 maart 2015 geen arbeid binnen de onderneming meer verricht. [verzoeker] heeft vanaf die datum alle werkzaamheden in de onderneming uitgevoerd en zal tot de beëindiging van de vof [naam] de werkzaamheden voortzetten (artikel 3). [verweerder] zal na ontbinding van de vof [naam] de onderneming voortzetten, tenzij hij geen financiering van de koopprijs kan krijgen (artikelen 1 en 2). De broers zullen over de koopprijs – het bedrag van overbedeling als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de vof overeenkomst – overleggen. Als over de koopprijs geen overeenstemming wordt bereikt, zal de koopprijs overeenkomstig de deskundigenprocedure in de vof overeenkomst worden vastgesteld (artikel 2).
Over de uitvoering van de beëindigingsovereenkomst en de vof overeenkomst zijn geschillen ontstaan. De broers hebben hun geschillen aan de rechter voorgelegd en inmiddels zijn er meerdere gerechtelijke procedures gevoerd.
In een gerechtelijke bodemprocedure die heeft geleid tot een op 3 mei 2023 door de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle gewezen eindvonnis is [verzoeker] onder meer veroordeeld een deskundige aan te wijzen voor de waardebepaling overeenkomstig artikel 15 van de vof overeenkomst. [verzoeker] is van het eindvonnis bij dit hof in hoger beroep gekomen (zaaknummer 200.333.184/01). In het licht van het vonnis van de rechtbank hebben partijen elk een deskundige benoemd en deze twee deskundigen hebben een derde deskundige aangewezen. De drie deskundigen hebben [verzoeker] en [verweerder] bij brief van 3 oktober 2023 en e-mail van 27 oktober 2023 gevraagd een gezamenlijke schriftelijke opdracht te verstrekken. Ten tijde van de voortgezette mondelinge behandeling van het verzoekschrift was die gezamenlijke opdracht nog niet gegeven.
2.3
[verzoeker] wil dat aan de door het hof te benoemen deskundigen “alle aspecten die uiteindelijk zullen leiden tot ontvlechting van de vennootschap en toedeling van de onderneming aan één van partijen” worden voorgelegd. In het verzoekschrift zijn vervolgens tien vragen, genummerd a t/m j, geformuleerd. [verweerder] maakt bezwaar tegen deze vragen en heeft twee vragen voor deskundigen geformuleerd.
2.4
Voor de beoordeling van een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht stelt het hof het volgende voorop.
Het verzoek van [verzoeker] tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht is bij het hof ingediend vóór 1 januari 2025. Dit betekent dat de per die datum in werking getreden regeling van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, niet van toepassing is en dat het verzoek beoordeeld dient te worden op basis van de rechtsregels zoals die voor de invoering van de genoemde wet reeds golden. [1]
Een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in art. 202 lid 2 Rv (oud) kan ertoe dienen een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen over feiten en omstandigheden die voor de beslissing van een geschil relevant kunnen zijn. Zij kan aldus beter beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen of voort te zetten. De rechter die heeft te oordelen over het verzoek een dergelijk onderzoek te gelasten dient het onderzoek in beginsel te gelasten, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is anders indien de rechter op grond van in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat:
- het verzoek in strijd is met de eisen van een goede procesorde,
- van de bevoegdheid dit verzoek te doen misbruik wordt gemaakt (bijvoorbeeld omdat verzoeker wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten),
- het verzoek afstuit op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. [2]
Daarnaast geldt ook voor een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht de in artikel 3:303 BW neergelegde regel dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt. [3]
2.5
Het hof heeft in het arrest van heden in de zaak met nummer 200.333.184/01 de vof [naam] op grond van artikel 7A:1684 BW ontbonden en houdt de toedeling en vereffening aan zich. In die bodemprocedure in hoger beroep zal het hof na ontvangst van de boedelbeschrijving en de financiële jaarstukken overgaan tot benoeming van deskundigen ter bepaling van de waarde van de onderneming en ter beantwoording van eventuele andere vragen waarvoor - in het kader van de afwikkeling van de vof [naam] - benoeming van deskundigen aangewezen zijn. Het hof stelt vast dat [verzoeker] gelet daarop geen voldoende belang meer heeft bij zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht. Het verzoek van [verzoeker] zal daarom worden afgewezen.
2.6
Het geschil waarvoor een voorlopig deskundigenbericht is verzocht gaat in de kern over de vraag wie van de twee vennoten de onderneming voortzet en welk bedrag de ene vennoot aan de andere moet betalen. Het is daarmee een zakelijk geschil. De omstandigheid dat de twee vennoten broers zijn doet daaraan niet af. Nu het verzoek wordt afgewezen zal het hof [verzoeker] veroordelen in de proceskosten. De twee mondelinge behandelingen van het verzoek heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van de dagvaardingszaken in hoger beroep. Het hof zal daardoor daarvoor 1 punt toekennen. Voor het verweerschrift wordt ook 1 punt toegekend.

3.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek af;
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , welke worden begroot op
  • € 362,- aan griffierecht;
  • € 2.428,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief II;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.H. de Witte, O.E. Mulder en A.A.J. Smelt en is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht,
2.HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8610, HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:482 en HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:272.
3.HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809, HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250 en HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347.