ECLI:NL:GHARL:2025:7820

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
200.349.952/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

De vraag of het werkgeversdeel van de pensioenpremie behoort tot het loon bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van de arbeidsovereenkomst

In deze zaak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, waarin zijn vordering tot uitbetaling van het werkgeversdeel van de pensioenpremie bij niet genoten vakantiedagen werd afgewezen. [appellant] was in dienst bij de Gemeente Meppel en had bij het einde van zijn dienstverband nog 472,85 verlofuren openstaan. Hij stelde dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie ook moet worden meegenomen in de berekening van de waarde van een verlofdag. De Gemeente betwistte dit en stelde dat het werkgeversdeel niet tot het loon behoort. Het hof heeft geoordeeld dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie niet onder het loon valt bij de uitbetaling van niet genoten vakantiedagen. Het hof baseerde zich op eerdere jurisprudentie, waaronder een uitspraak van 7 augustus 2018, waarin werd vastgesteld dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie geen vergoeding is die de werkgever aan de werknemer verschuldigd is. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde [appellant] in de proceskosten. De uitspraak benadrukt dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie niet als loon wordt beschouwd en dat de werknemer geen recht heeft op uitbetaling daarvan bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.952/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen 10889561
arrest van 9 december 2025
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiser
advocaat: mr. R.A. Severijn
en
de gemeente Meppel (de Gemeente)
die is gevestigd in Meppel
en bij de kantonrechter gedaagde was
advocaat: mr. G.H. Boelens

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, (hierna: de kantonrechter) op 29 oktober 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven met wijziging van eis
  • de memorie van antwoord
  • het arrest van 26 augustus 2025 waarbij een enkelvoudige mondelinge behandeling is bepaald
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 oktober 2025 is gehouden
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
Het gaat in deze zaak over de vraag of het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie behoort tot het loon in het geval dat de werknemer vraagt om uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst.
2.2
Dit geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond.
2.3
[appellant] is [in] 2008 in dienst getreden bij de Gemeente. [in] 2023 is aan de arbeidsovereenkomst een einde gekomen door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. [appellant] is nadien in dienst getreden bij een detacheringsbureau waar hij nog aanvullend pensioen heeft opgebouwd.
2.4
Bij het einde van het dienstverband had [appellant] nog 472,85 verlofuren niet genoten. Die verlofuren zijn aan hem door de Gemeente uitbetaald op basis van het salaris dat [appellant] laatstelijk verdiende bij de Gemeente.
2.5
Bij brief van 21 november 2023 heeft [appellant] (via de FNV) aan de Gemeente meegedeeld dat ook de waarde van het IKB en de waarde van het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie meegenomen dienen te worden in de waarde van een verlofdag.
2.6
De Gemeente heeft daarop het ontbrekende IKB gedeelte alsnog uitbetaald. Met betrekking tot het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie heeft zij zich in een brief van 6 december 2023 op het standpunt gesteld dat een werknemer geen recht heeft op rechtstreekse uitbetaling daarvan, maar dat het bedrag moet worden afgedragen aan het pensioenfonds.
De Gemeente deelt in die brief mee dat zij dit gaat doen. Nadat was gebleken dat dit niet meer mogelijk was omdat het dienstverband reeds was beëindigd, heeft de Gemeente zich op het standpunt gesteld dat het werkgeversgedeelte niet meetelt bij de berekening van de waarde van een vakantiedag.
2.7
Omdat verdere correspondentie tussen partijen niet leidde tot overeenstemming, is [appellant] een procedure begonnen bij de kantonrechter. Daarin vorderde hij betaling door de Gemeente van een bedrag van € 2.702,95 bruto aan salaris, te vermeerderen met wettelijke rente en wettelijke verhoging.
2.8
De kantonrechter heeft die vordering afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vordering alsnog wordt toegewezen. Daarbij heeft [appellant] de grondslag van zijn vordering uitgebreid, in die zin dat hij subsidiair aanspraak maakt op uitbetaling van een (schade)vergoeding gelijk aan het werkgeversdeel van de pensioenpremie en meer subsidiair die aanspraak grondt op de redelijkheid en billijkheid. Hij voert daarvoor aan dat als het werkgeversdeel van de pensioenpremie niet behoort tot uit te betalen loon voor niet genoten vakantiedagen, sprake is van een situatie bedoeld in art. 6:78 BW en dat hij dan met toepassing van de regels van ongerechtvaardigde verrijking recht heeft op vergoeding van zijn nadeel tot het bedrag van de verrijking van de Gemeente. De verrijking bestaat daarbij uit het financiële voordeel dat de Gemeente heeft doordat zij niet het werkgeversdeel van de pensioenpremie hoeft af te dragen over het loon verschuldigd voor niet genoten vakantiedagen. Door die verrijking lijdt hij schade die bestaat uit een mindere pensioenopbouw. Althans dient de achterliggende gedachte van de ongerechtvaardigde verrijking te worden toegepast op gronden van redelijkheid en billijkheid, aldus [appellant] .
De Gemeente heeft in hoger beroep verweer gevoerd tegen toewijzing van de vordering van [appellant] .
2.9
Het hof zal beslissen dat de vordering van [appellant] niet toewijsbaar is en dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Hoe het hof tot dat oordeel is gekomen wordt hierna toegelicht.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

de vermeerdering van eis
3.1
De uitbreiding van de grondslag van de vordering heeft plaatsgevonden in de memorie van grieven en is dus tijdig gedaan. De Gemeente heeft tegen de vermeerdering geen bezwaar gemaakt en ook het hof heeft daar ambtshalve geen bezwaar tegen, zodat de uitbreiding meegenomen zal worden in de beoordeling.
de grieven
3.2
[appellant] heeft zes grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter. De strekking van die grieven is dat zijn vordering alsnog wordt toegewezen en dat het hof opnieuw beoordeelt of die vordering toewijsbaar is op de daarvoor in hoger beroep aangevoerde gronden.
behoort het werkgeversdeel van de pensioenpremie tot het loon bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van de arbeidsovereenkomst?
3.3
Artikel 7:641 lid 1 BW bepaalt dat een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak heeft op vakantie, recht heeft op uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak.
3.4
Partijen zijn het erover eens dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad en het HvJEU volgt dat de waarde van niet genoten vakantiedagen gelijk dient te zijn aan het bedrag van het laatstverdiende loon over een gelijke periode als de niet genoten vakantiedagen.
Zij zijn het er verder over eens dat uit de jurisprudentie volgt dat het begrip “loon” ruim opgevat dient te worden en dat daaronder verstaan dient te worden het overeengekomen loon en alle looncomponenten die intrinsiek samenhangen met de taken die de werknemer zijn opgedragen zijn in het kader van zijn arbeid.
3.5
Er bestaat daarbij tussen hen geen verschil van mening over dat bij toepassing van de hiervoor vermelde uitgangspunten, de werknemer bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van het dienstverband, ook aanspraak heeft op uitbetaling van het door de werkgever op het loon ingehouden bedrag aan werknemersbijdrage in de pensioenpremie.
Waar zij van mening over verschillen is of de werknemer ook aanspraak heft op uitbetaling van het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie. Volgens [appellant] behoort ook die waarde tot het loon waarop aanspraak bestaat bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van de dienstbetrekking. De Gemeente betwist dat.
3.6
De vraag of het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie deel uitmaakt van het loon bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij het einde van het dienstverband is eerder door dit hof beantwoord, laatstelijk in een uitspraak van 7 augustus 2018 [1] . Toen heeft het hof geoordeeld dat het werkgeversgedeelte niet behoort tot dat loon. Overwogen is toen, voor zover hier van belang:
Het werkgeversdeel van de pensioenpremie
5.12
In HR 18 december 1953, NJ 1954, 242 is bepaald dat onder loon moet worden verstaan de vergoeding door de werkgever aan de werknemer verschuldigd ter zake van de bedongen arbeid. Naar dat arrest is ook in latere uitspraken verwezen (bijv. HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3681). Het werkgeversdeel van de pensioenpremie die voldaan wordt aan het bedrijfspensioenfonds van BAT, is een betaling aan een derde en is geen vergoeding die de werkgever aan de werknemers is verschuldigd. De werknemer heeft er wel recht op dat deze bijdrage wordt voldaan, maar heeft niet zelf recht op dit bedrag en kan het dan ook niet zelf voor andere doeleinden aanwenden. In lijn met deze gedachtegang viel het werkgeversdeel destijds niet onder het in aanmerking te nemen loon bij de berekening van de ontslagvergoedingen op basis van de kantonrechtersformule en thans evenmin onder de definitie van loon in het besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding. Dit hof heeft bij arrest van 26 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3412 eerder beslist dat het werkgeversdeel pensioenbijdrage niet onder het vakantieloon valt.
5.13 [
geïntimeerde] heeft betoogd dat op grond van Hof den Haag 28 januari 2014 ECLI:NL:GHDHA:2014:72, Ktr Amsterdam 29 juni 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX1486 en CRvB 22 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4017, in het licht van het genoemde arrest Williams/British Airways en de verdere hiervoor reeds aangehaalde arresten van het HvJ-EU, hij ook aanspraak heeft op uitbetaling van het werknemersdeel[bedoeld is: het werkgeversdeel]
in de pensioenpremie.
5.14
Het hof is van oordeel dat, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, bedoeld werkgeversdeel niet tot het vakantieloon moet worden gerekend. [geïntimeerde] had gedurende het bestaan van zijn arbeidsovereenkomst recht op opbouw van zijn pensioen. Dit pensioen was ondergebracht bij het bedrijfspensioenfonds en op grond van de pensioentoezegging heeft hij aanspraak op uitbetaling van een pensioen op de pensioendatum waarbij de hoogte wordt bepaald door zijn middelloon en door de duur van zijn dienstverband. Of de pensioenpremie daadwerkelijk volledig is voldaan is, naar ter zitting van het hof ook is erkend, niet bepalend voor de hoogte van de pensioenaanspraak. (…).
5.15
Gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst heeft [geïntimeerde] nooit aanspraak kunnen maken op uitbetaling van het werkgeversdeel pensioenpremie. [geïntimeerde] heeft betoogd dat indien de arbeidsovereenkomst was gecontinueerd en hij, bij een latere einddatum dan nu is overeengekomen, zijn vakantiedagen had kunnen opnemen, zijn pensioenopbouw gedurende die periode was voortgezet en hij voor die gemiste pensioenopbouw gecompenseerd dient te worden door uitbetaling van het werkgeversdeel.
5.16
Het hof overweegt dat uit dit betoog volgt dat de pensioenschade waarop [geïntimeerde] doelt, voortvloeit uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en niet uit het niet opnemen van de vakantiedagen. (…) Het hof acht in het licht van het voorgaande niet aangetoond dat, gelet op de aard van de tussen partijen overeengekomen pensioenvoorziening, het werkgeversdeel van de pensioenpremie in intrinsiek verband staat met het al dan niet verrichten van werkzaamheden door [geïntimeerde]. Deze premie staat meer in verband met het bestaan van de arbeidsovereenkomst als zodanig en dient daarom niet te worden meengenomen in de berekening van het vakantieloon van [geïntimeerde]. (…) Uit de aangehaalde jurisprudentie van het HvJ-EU volgt dat het normale loon dat had moeten worden doorbetaald tijdens de jaarlijkse vakantie met behoud van loon bepalend is voor de berekening van de financiële vergoeding voor de aan het einde van arbeidsverhouding niet-opgenomen vakantie-uren (zie arrest Greenfield, punt 51). Daaruit volgt niet dat het vakantieloon meer moet bedragen dan het normale loon. Dat zou ook in strijd zijn met het doel en de strekking van de artikel 7 van de richtlijn 2003/88, zoals uitgelegd door het HvJ-EU dat werknemers geen financiële belemmeringen mogen ondervinden om de door de richtlijn toegekende vakantie daadwerkelijk te kunnen genieten. Indien een niet genoten vakantiedag tegen een hogere vergoeding aan het einde van de arbeidsovereenkomst kan worden verzilverd dan het loon dat tijdens de vakantie moet worden doorbetaald, zou dat juist kunnen leiden tot perverse prikkels om geen vakantie op te nemen.
3.7
De vraag ligt voor of het hof in het door partijen in deze zaak gevoerde debat aanleiding ziet terug te komen van deze uitspraak, of dat aanleiding bestaat om eerst nog prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, zoals door [appellant] nog heeft voorgesteld.
Het hof beantwoordt beide vragen ontkennend en licht dat als volgt toe.
3.8
Er is na voormelde uitspraak geen jurisprudentie ontstaan die aanleiding geeft om terug te komen op de uitspraak uit 2018. Integendeel:
i) De Hoge Raad heeft bij de beantwoording van prejudiciële vragen die aan hem waren voorgelegd in het kader van het werkgeversregres bedoeld in artikel 6:107a lid 2 BW geoordeeld dat
“het werknemersgedeelte van de pensioenpremie die de werkgever verplicht heeft afgedragen tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van een werknemer, valt onder het loonbegrip van art. 6:107a BW. Het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie valt niet onder dit loonbegrip.” [2] Weliswaar heeft deze uitspraak geen betrekking op het loon dat uitbetaald moet worden in het geval van uitbetaling van een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen, maar het hof ziet niet in waarom bij het werkgeversregres moet worden uitgegaan van een ander loonbegrip dan bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen. [appellant] heeft er wel op gewezen dat bij het werkgeversregres een “civiel plafond” geldt -kort gezegd: de werkgever kan ter zake doorbetaald loon aan de arbeidsongeschikte werknemer op de aansprakelijke partij niet meer verhalen dan het bedrag waarop de werknemer jegens de aansprakelijke partij aanspraak zou hebben als zijn loon niet was doorbetaald- en dat dit geen rol speelt voor het loon bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen, maar waarom het “civiel plafond” een relevant verschil maakt voor de beide loonbegrippen, is door [appellant] niet overtuigend toegelicht en ziet het hof ook niet in.
ii) Na voormelde uitspraak van de Hoge Raad heeft ook de Centrale Raad van Beroep in 2024 in lijn met die uitspraak geoordeeld dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie niet behoort tot het loon waarop aanspraak bestaat in geval van uitbetaling van niet genoten vakantiedagen. Over die vraag heeft hij met betrekking tot een ambtenaar het volgende geoordeeld: [3]
4.14
Ook het standpunt van appellant dat bij de vergoeding van vakantie-uren ten onrechte het werkgeversdeel van de pensioenpremie niet is uitbetaald, volgt de Raad niet. Voor deze component geldt dat de regeling in artikel 24 van het ARAR en artikel 2 van het BBR geen aanspraak geeft op vergoeding. Anders dan appellant stelt, vloeit uit de rechtspraak van het Hof, waaronder het arrest Schultz-Hoff [4] , niet voort dat de genoemde bepalingen in zoverre onverbindend zijn dan wel buiten toepassing moeten worden gelaten en dat deze component desondanks moet worden vergoed. In dat arrest heeft het Hof onder meer overwogen dat het bedrag van de financiële vergoeding bij het einde van het dienstverband aldus moet worden berekend dat de werknemer in een situatie wordt gebracht die vergelijkbaar is met die waarin hij zou hebben verkeerd wanneer hij tijdens zijn dienstverband van dit recht gebruik had gemaakt. Als appellant de vakantie-uren tijdens zijn dienstverband had opgenomen, had hij geen andere pensioenopbouw gehad. Bovendien is het werkgeversdeel van de pensioenpremie geen financiële vergoeding die door de betrokken ambtenaar wordt ontvangen. Deze premie is gedurende het dienstverband verschuldigd aan een derde partij, namelijk het pensioenfonds. Als appellant tijdens het dienstverband de desbetreffende vakantie-uren zou hebben opgenomen, had hij geen recht gehad op (afzonderlijke) betaling van deze vergoeding. In die situatie zou de pensioenopbouw niet anders zijn geweest dan nu het geval is.
3.9
De CRvB week daarmee af van een eerdere uitspraak van 22 november 2017, de uitspraak waar [appellant] zich voor zijn standpunt op heeft beroepen. [5] In die uitspraak had de CRvB nog overwogen dat:
4.4.1
Zoals ook uit de in 4.2 genoemde uitspraak naar voren komt moet worden uitgegaan van een ruim loonbegrip, waarbij de werknemer wordt gebracht in een situatie die vergelijkbaar is met de situatie in een gewerkte periode. Een werknemer mag bij uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen niet in een nadeliger positie komen te verkeren dan bij in dienst blijven en het opnemen van die vakantiedagen (vergelijk ook Gerechtshof Den Haag, 28 januari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:72).
4.4.2.
Niet in geschil is dat [werkgever] over het loon voor tijdens het dienstverband opgenomen vakantiedagen het werkgeversdeel van de pensioenpremie moest afdragen aan het pensioenfonds. Dit betekent dat de werkgever ook over de niet-genoten vakantiedagen de werkgeversbijdrage pensioenpremie verschuldigd is. Dit strookt ook met het in 4.4.1 genoemde uitgangspunt. Indien een werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst aangaat en hij tegenover zijn nieuwe werkgever aanspraak maakt op vakantie zonder behoud van loon over het tijdvak waarover hij nog aanspraak had op niet-genoten vakantiedagen van zijn oude werkgever, moet hij over die dagen het volledige loon kunnen genieten. Onderdeel van dat volledige loon is de opbouw van pensioen in de vorm van de werkgeversbijdrage pensioenpremie van zijn oude werkgever. Dat de pensioenpremie over de na te betalen vakantiedagen in verband met het einde van de dienstbetrekking en – daaraan gekoppeld – het einde van de pensioendeelneming niet meer kan worden afgedragen aan het pensioenfonds waarbij de werknemer tijdens zijn dienstbetrekking was aangesloten en de betaling logischerwijs wordt gedaan aan de werknemer zelf, die met het aldus verkregen bedrag zelf een voorziening zal moeten treffen, doet daar niet aan af.
De in deze uitspraak gehanteerde lijn, nagevolgd door [appellant] , heeft de CRvB dus (kennelijk) verlaten.
3.1
[appellant] heeft in deze zaak, voortbordurend op de lijn die de CRvB in haar uitspraak van 2017 hanteerde, nog aangevoerd dat in artikel 7:641 lid 3 BW is bepaald:
“Indien de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst aangaat heeft hij tegenover de nieuwe werkgever aanspraak op vakantie zonder behoud van loon gedurende het tijdvak waarover hij (…) nog aanspraak op vakantie had”.
[appellant] voert aan dat als de werknemer pensioen wil opbouwen tijdens zijn vakantie zonder behoud van loon (welk pensioen wel zou zijn opgebouwd in geval hij de vakantie tijdens het dienstverband zou hebben genoten), die werknemer het werkgeversdeel van het pensioen nodig heeft om tijdens zijn onbetaalde vakantie in een situatie te worden gebracht die qua beloning vergelijkbaar is met de situatie tijdens de gewerkte periodes.
Ook dit argument gaat niet op, op grond van het volgende.
3.11
Het hof stelt voorop dat een werknemer die aan het einde van zijn dienstverband nog een aantal niet genoten vakantie-uren heeft, wel zijn volledige pensioenopbouw heeft gehad tijdens zijn dienstverband. Daarop is niet van invloed dat hij tijdens zijn dienstverband niet al zijn vakantiedagen heeft opgenomen. Immers, de werkgever heeft toen het werkgeversdeel van de pensioenpremie afgedragen over het tijdvak dat de werknemer werkte in plaats van dat hij vakantie had genomen. Door het niet uitbetalen van dat werkgeversdeel over niet genoten vakantiedagen, komt de werknemer dus niet in een economisch slechtere positie te verkeren, gerekend over de periode van dat dienstverband.
3.12
Hier doet niet aan af dat de werkgever het werkgeversgedeelte wel had moeten afdragen over de niet genoten vakantiedagen als de werknemer die alsnog zou hebben opgenomen tijdens een verlenging van het dienstverband. Dat is immers niet de situatie; het dienstverband was al geëindigd op het moment dat de vakantiedagen nog openstonden.
3.13
Ook doet aan het voorgaande niet af dat de werknemer de keus heeft om bij zijn volgende werkgever onbetaald verlof op te nemen voor de duur van zijn niet opgenomen vakantie-uren. Weliswaar bouwt de werknemer over die periode van onbetaald verlof geen pensioen op bij zijn nieuwe werkgever en heeft hij geen volledige compensatie ontvangen om daarvoor een voorziening te treffen. Maar dat nadeel is het gevolg van zijn keuze om zijn vakantie niet op te nemen tijdens zijn dienstverband bij de vorige werkgever.
Van die vorige werkgever kan in beginsel niet verlangd worden dat hij bij de uitbetaling van niet genoten vakantiedagen een compensatie hiervoor biedt in de vorm van uitbetaling aan de werknemer van het werkgeversdeel van de pensioenpremie. Dat zou er op neerkomen dat de werkgever zijn werkgeversdeel betaalt over een langere periode dan het dienstverband. In de wet noch de jurisprudentie ziet het hof aanknopingspunten dat een werkgever daartoe is gehouden. Het werkgeversdeel van de pensioenpremie moet een werkgever bovendien verplicht afdragen aan een pensioenfonds, zie artikel 24 Pensioenwet. Nergens voorziet de wet- en regelgeving erin dat afdracht van het werkgeversdeel aan de werknemer zelf voldaan kan worden.
3.14
Het recuperatiedoel - een werknemer moet vakantie kunnen opnemen om te herstellen van zijn arbeidsinspanningen, zonder dat hij daar financieel nadeel van ondervindt - wordt niet geschaad als het werkgeversdeel niet wordt uitbetaald na einde dienstverband. Immers houdt dat doel in dat een werknemer tijdens zijn dienstverband vakantie moet kunnen opnemen zonder dat hij daar financieel nadeel van ondervindt. Wanneer vakantieuren na het einde van het dienstverband een hogere financiële afkoopwaarde vertegenwoordigen dan gedurende het dienstverband, kan dat juist een prikkel opleveren om zoveel mogelijk dagen op te sparen. Dat is het tegendeel van het recuperatiedoel.
aanspraak op schadevergoeding op grond van artikel 6:78 BW?
3.15
Voor toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 6:78 BW ter hoogte van het werkgeversdeel van de pensioenpremie over de niet genoten vakantiedagen bestaat geen grond. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat er van een voordeel genoten door de Gemeente door een tekortkoming geen sprake is. Daarmee ontvalt de grondslag aan het beroep op artikel 6:78 BW.
aanspraak op een vergoeding op gronden van redelijkheid en billijkheid?
3.16
Het vorenstaande sluit op zichzelf niet uit dat in concrete situaties op gronden van redelijkheid en billijkheid een werknemer aanspraak kan maken op uitbetaling van een vergoeding overeenkomend met het werkgeversgedeelte van de premie over niet genoten vakantiedagen. In het bijzonder valt daarbij te denken aan situaties waarin de werkgever de werknemer onvoldoende gelegenheid heeft gegeven om zijn vakantie op te nemen tijdens het dienstverband en de werknemer daadwerkelijk een pensioenvoorziening wil treffen voor zijn periode van onbetaald verlof .
Dat een dergelijke situatie zich hier voordoet is echter niet gesteld of gebleken.
Integendeel, [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangevoerd dat hij van de mogelijkheid van onbetaald verlof bij een opvolgend werkgever geen gebruik heeft gemaakt en ook niet had willen maken.
prjeduciële vragen?
3.17
Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, zoals [appellant] heeft bepleit.
Wat [appellant] verder nog heeft aangevoerd, zoals met zijn vierde grief, leidt niet tot een andere beslissing en kan daarom buiten nadere beschouwing blijven.
de conclusie
3.18
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is, zoals gevorderd, verschuldigd vanaf vier weken na die betekening. [6]
3.19
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen van 29 oktober 2024;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van de Gemeente:
€ 827 aan griffierecht
€ 1.716 aan salaris van de advocaat van de Gemeente (2 procespunten x het toepasselijke tarief I)
4.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 4 weken na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, J.H. Kuiper en M.E.L. Fikkers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
9 december 2025.

Voetnoten

1.GHARL:2018:7137
2.Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1784
3.CRvB 1 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:326
4.HvJ EU 20 januari 2009, ECLI:EU:C:2009:18
6.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.