ECLI:NL:GHARL:2025:7499

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
200.344.132/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake vordering wegens oneerlijke concurrentie en bewijslevering

In deze zaak heeft Cogas Zuid B.V. hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, waarin haar vorderingen wegens oneerlijke concurrentie zijn afgewezen. De zaak betreft een geschil tussen Cogas Zuid en verschillende geïntimeerden, waaronder [geïntimeerde1], [geïntimeerde2] B.V., [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4]. Cogas Zuid beschuldigt de geïntimeerden van onrechtmatige concurrentie door opdrachten die voor haar bestemd waren, om te leiden naar de geïntimeerden. Het hof heeft op 25 november 2025 een tussenuitspraak gedaan, waarbij het heeft geoordeeld dat bewijslevering noodzakelijk is om de claims van Cogas Zuid te onderbouwen. Het hof heeft de partijen in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren over de gestelde onrechtmatige handelingen en de schade die daaruit voortvloeit. Tevens is er een concurrentiebeding aan de orde, waarbij het hof heeft geoordeeld dat [geïntimeerde2] een boete verschuldigd is voor het schenden van dit beding. De zaak is verwezen naar de rol voor het plannen van getuigenverhoren en verdere bewijslevering.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.344.132/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 556745
arrest van 25 november 2025
in de zaak van
Cogas Zuid B.V.,
die is gevestigd in Heusden (gem. Asten),
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres,
hierna:
Cogas Zuid,
advocaat: mr. E.J.T. Mulders te 's-Hertogenbosch,
tegen

1.[geïntimeerde1] ,

die woont in [woonplaats1] ,
2. [geïntimeerde2] B.V.,
die is gevestigd in [vestigingsplaats] ,
3. [geïntimeerde3],
die woont in [woonplaats1] ,
4. [geïntimeerde4],
die woont in [woonplaats2] ,
en bij de rechtbank optraden als gedaagden,
hierna samen:
[geïntimeerden] c.s.en ieder afzonderlijk
[geïntimeerde1],
[geïntimeerde2],
[geïntimeerde3]en
[geïntimeerde4],
advocaat: mr. D.C.J. Bogerd te Kampen.

1.Het verloop van de procedure bij het hof

1.1
Cogas Zuid heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 22 mei 2024 [1] tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven (met producties)
• de memorie van antwoord (met producties)
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 7 oktober 2025 is gehouden. Bij die gelegenheid hebben beide partijen een akte overlegging producties genomen (waarover hierna meer)
• de akte uitlating producties van [geïntimeerden] c.s.
1.2
In aanloop naar de mondelinge behandeling hebben [geïntimeerden] c.s. op 26 september 2025 een akte overlegging producties met twee producties (producties 61 en 62) in het geding gebracht.
1.3
Cogas Zuid heeft op 25 september 2025 een akte houdende overlegging producties met 16 producties (producties 117 – 132) in het geding gebracht.
In een brief van 30 september 2025 aan het hof heeft de advocaat van [geïntimeerden] c.s. het hof meegedeeld dat hij die dag tot zijn verrassing had vernomen dat Cogas Zuid producties in het geding had gebracht, maar dat hij die producties niet heeft ontvangen. Hij maakt, met een beroep op artikel 4.5 van het procesreglement en artikel 87 lid 6 Rv, bezwaar tegen het in behandeling nemen van deze producties.
Nadat de advocaat van Cogas Zuid in een e-mail van 30 september 2025 aan het hof liet weten dat hij in de veronderstelling was dat de akte met producties ook aan de advocaat van [geïntimeerden] c.s. verzonden was en dat deze stukken nogmaals waren verstuurd, schreef laatstgenoemde het hof in een e-mail van 3 oktober 2025 dat hij zijn bezwaar tegen de producties handhaafde.
1.4
Het hof heeft [geïntimeerden] c.s. in de gelegenheid gesteld na de mondelinge behandeling een akte uitlating producties te nemen. [geïntimeerden] c.s. hebben die akte vervolgens ook genomen.

2.De kern van de zaak

2.1
Cogas Zuid vindt dat [geïntimeerden] c.s. haar onrechtmatig heeft beconcurreerd door opdrachten die bestemd waren voor haar (of aan haar gelieerde vennootschappen) ‘om te leiden’ naar [geïntimeerden] c.s. Volgens Cogas Zuid hebben [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] ook onrechtmatig gehandeld door bij leveranciers van Cogas Zuid ten koste van Cogas Zuid provisies te bedingen. Cogas Zuid maakt aanspraak op vergoeding van de daardoor door haar geleden schade en op betaling door [geïntimeerde2] van een boete op grond van een tussen deze partijen geldend concurrentiebeding.
2.2
De rechtbank heeft de vorderingen van Cogas Zuid afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.3 Het hof zal over een aantal geschilpunten knopen doorhakken en partijen op enkele punten in de gelegenheid stellen bewijs te leveren. Dit wordt hierna uitgelegd. Het hof zal eerst de relevante feiten vaststellen [2] en daarna de standpunten van partijen bespreken [3] . De bezwaren (grieven) van Cogas Zuid tegen het vonnis van de rechtbank zullen daarbij thematisch worden behandeld.
3. De vaststaande feitenBetrokken partijen3.1 Cogas Zuid is een totaalinstallateur in de tuinbouw. Zij verzorgt de volledige technische installatie voor tuinbouwbedrijven en het ontwerp, de bouw en de inrichting van kassen.
Cogas Zuid was vanaf de oprichting in 2015 van die vennootschap tot 31 maart 2022 enig aandeelhouder en bestuurder van C-Grow B.V. (hierna: C-Grow), dat zich bezig houdt met ’high tech city farming’, daglichtloze teelt. Vanaf 31 maart 2022 is Cogas Climate Control B.V., de moedermaatschappij van Cogas Zuid, ook enig aandeelhouder en bestuurder van C-Grow en zijn C-Grow en Cogas Zuid dus zustervennootschappen.
Cogas Korea B.V. (hierna: Cogas-Korea) richt zich in het bijzonder op commerciële activiteiten in Zuid-Korea. Cogas Zuid is enig bestuurder en aandeelhouder van Cogas Korea. Cogas Zuid, C-Grow en Cogas Korea zullen hierna tezamen ook wel worden aangeduid als Cogas c.s..
3.2 [geïntimeerde1] is bestuurder en aandeelhouder van [geïntimeerde2] , dat zich volgens de omschrijving in het Handelsregister richt op de installatie van verwarmings- en luchtbehandelingsapparatuur en op activiteiten op het gebied van organisatieadvies.
3.3 [geïntimeerde3] was van 1 oktober 2015 tot en met 1 juli 2022 in loondienst bij C-Grow als calculator/werkvoorbereider. Hij heeft een eenmanszaak, [naam1] , die zich volgens het Handelsregister bezighoudt met ingenieurs en overig technisch ontwerp en advies en met technisch tekenontwerp.
3.4 [geïntimeerde4] was van 1 juli 1988 tot en met 31 oktober 2020 bij Cogas Zuid in loondienst als elektro- en watertechnisch adviseur en verkoper. Hij hield zich in die functie veel bezig met de activiteiten van Cogas c.s. in Zuid-Korea.
Overeenkomsten3.5 Cogas Zuid en [geïntimeerde2] hebben op 7 juli 2015 een schriftelijk vastgelegde overeenkomst van opdracht gesloten. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van zes maanden, maar is daarna voortgezet. Volgens artikel 1.2 van deze overeenkomst verricht [geïntimeerde2] de volgende werkzaamheden voor Cogas Zuid:
“(…)opzetten, ontwikkelen en uitbouwen van de markt voor C-Grow projecten. In het bijzonder zoekt hij nieuwe klanten en verzorgt het ontwerp en verkoop van technische systemen. Hij zorgt met ondersteuning van het projectbureau ervoor dat er offertes worden opgesteld die technisch haalbaar en commercieel doeltreffend zijn.”
De werkzaamheden worden drie tot vier dagen per week uitgevoerd (artikel 1.3).
De overeenkomst bevat een geheimhoudingsbeding (artikel 8) en een concurrentie- en relatiebeding (artikel 10), waaraan een boetebeding (een direct opeisbare boete van
€ 10.000,- per overtreding, te vermeerderen met € 1.000,- per dag dat de overtreding voortduurt) is gekoppeld. Het concurrentiebeding (artikel 10 lid 1) luidt als volgt:

Het is opdrachtnemer verboden ge[d]urende de looptijd van deze overeenkomst al dan niet
tegen beloning, hetzij direct, hetzij indirect, op welke wijze ook betrokken te zijn bij
concurrerende ondernemingen van opdrachtgever.
Het relatiebeding (artikel 10 lid 2) luidt als volgt:

Het is opdrachtgever verboden om binnen 2 jaar na het einde van deze overeenkomst zonder schriftelijke toestemming van opdrachtgever relaties, leveranciers of klanten van opdrachtgever direct dan wel indirect te benaderen of met hen op welke wijze dan ook contacten te onderhouden, teneinde te bewerkstelligen dat deze relaties, leveranciers of klanten buiten opdrachtgever om zaken met opdrachtgever of met derden doen die op het terrein liggen waarop opdrachtgever werkzaam is en mitsdien een concurrerende activiteit vormen voor opdrachtgever.”
De overeenkomst tussen partijen is per 1 juni 2022 beëindigd. Cogas Zuid heeft de overeenkomst schriftelijk opgezegd. [geïntimeerde2] heeft zich bij deze opzegging neergelegd.
3.6
De arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde3] en C-Grow bevat een geheimhoudings- en concurrentiebeding dat ziet op de periode van twee jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In de arbeidsovereenkomst is verder onder meer vermeld:

Het is de werknemer niet toegestaan, anders dan met schriftelijke toestemming van de werkgever, voor zichzelf, dan wel ten behoeve van derden arbeid te verrichten, welke concurrerend is te achten voor de onderneming van werkgever.
Op 29 maart 2022 hebben [geïntimeerde3] en zijn leidinggevenden van C-Grow een gesprek gehad over de door [geïntimeerde3] in [naam1] verrichte nevenactiviteiten. Van dat gesprek is een door [geïntimeerde3] voor akkoord ondertekend verslag gemaakt. Volgens het verslag heeft [geïntimeerde3] verteld dat hij vanuit zijn onderneming “
technische tekenontwerpen maakt voor en adviezen geeft aan een voormalige collega.” De leidinggevenden spraken [geïntimeerde3] er op aan dat hij zonder dat vooraf te melden met deze activiteiten was gestart en gaven aan dat zijn activiteiten “
in de basis concurrerend” waren met hun activiteiten. Ondanks “
deze overtreding” was C-Grow bereid [geïntimeerde3] onder voorwaarden toestemming te geven “
voor de hiervoor benoemde nevenwerkzaamheden” . Een van deze voorwaarden luidde als volgt:

De nevenwerkzaamheden mogen op geen enkele wijze een (nadelig) effect hebben op de
werkzaamheden die jij voor ons verricht. Tijdens jouw arbeidstijd bij ons, mag jij je dus ook niet bezighouden met werkzaamheden namens of ten behoeve van [naam1] . De werkzaamheden mogen ook niet schadelijk zijn voor de belangen van C-grow/Cogas en/of de daaraan gelieerde ondernemingen.”
C-Grow en [geïntimeerde3] hebben op zeker moment de arbeidsovereenkomst in onderling overleg beëindigd.
3.7 Ook de arbeidsovereenkomst tussen Cogas Zuid en [geïntimeerde4] bevat een non-concurrentiebeding. [geïntimeerde4] heeft tegen de opname van het beding in de schriftelijke arbeidsovereenkomst geprotesteerd en heeft het beding ook doorgehaald. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst tussen partijen hebben zij enkele afspraken gemaakt, die schriftelijk zijn vastgelegd. Partijen hebben onder meer het volgende afgesproken:
“- Concurrentie beding is getekend in 2000. Het is getekend onder protest, waarin dit
is doorgestreept. Maar hierin is aangegeven hierin een concessie te maken.
[geïntimeerde4] zal voor de duur van 1 jaar de klantenkring van Cogas Zuid BV in de landen Nederland, België, Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk met respect te behandelen en geen zaken met deze klanten te doen. Dit zal ingaan op 1 November 2020 en zal eindigen1 November 2021.
- Voor wat betreft Korea en Japan zullen we de klanten met wederzijds respect behandelen, en zullen we zien of de klanten met [geïntimeerde4] meelopen of dat deze met Cogas Zuid meegaan. Dit is een beslissing van de klant zelf.”
Aansluitend aan de arbeidsovereenkomst bij Cogas Korea is [geïntimeerde4] bij [naam2] Installatietechniek B.V. in dienst getreden.
Liquiditeitenoverzicht en verder onderzoek
3.8
Na de beëindiging van de overeenkomst tussen Cogas Zuid en [geïntimeerde2] heeft Cogas Zuid meerdere liquiditeitenoverzichten van [geïntimeerde2] aangetroffen. Het laatste overzicht was bijgewerkt tot 10 maart 2022. Uit dat overzicht maakte Cogas Zuid op dat [geïntimeerde2] gedurende de looptijd van de overeenkomst tussen partijen voor € 764.018,51 aan betalingen heeft ontvangen van directe concurrenten, klanten en leveranciers van Cogas c.s. en dat [geïntimeerde2] betalingen heeft gedaan aan [geïntimeerde3] (€28.488,12), [naam1] (€ 404.360,97) en [geïntimeerde4] (€ 51.013,74).
3.9
Cogas Zuid heeft daarop Ebben Partners B.V. (hierna: Ebben) op 2 mei 2022 opdracht gegeven om onderzoek te doen. Dat onderzoek heeft geresulteerd in een definitief rapport van 10 mei 2023 (hierna: het rapport), nadat een deel van het concept-rapport van
4 april 2023 voor weerwoord aan (de advocaat van) [geïntimeerden] c.s. was voorgelegd. In het rapport worden de onderzoeksvragen als volgt omschreven:

1. Stel vast of [geïntimeerde1] zich schuldig heeft gemaakt aan onregelmatigheden bij de
uitvoering van zijn werkzaamheden voor C-Grow. Voor zover dit op voorhand is te voorzien
betreft dit met name onregelmatigheden op gebied van oneigenlijke concurrentie, het
bedingen en aannemen van kickbacks en het overtreden van zijn exclusiviteitsbeding;
2. Stel vast wat de omvang is van de financiële schade als gevolg van deze
onregelmatigheden.
Naar aanleiding van bevindingen die gedurende het onderzoek zijn gedaan, zijn bovenstaande doelstellingen aangevuld met het volgende:
3. Stel vast of er andere (voormalig) medewerkers van Cogas betrokken zijn (geweest) bij
voornoemde onregelmatigheden, en wat hun rol daarbij is geweest.”
3.1
Ebben heeft deze vragen als volgt beantwoord:
- Vraag 1:

• Uit de onderzochte casussen is gebleken dat [geïntimeerde1] (via [geïntimeerde2] ) vergoedingen en
commissies/provisies heeft bedongen bij de leveranciers. Verschillende leveranciers
hebben aan Cogas bevestigd dat zij deze betalingen hebben gedaan. Aan de hand van
het liquiditeitsoverzicht, bankafschriften en de verklaring in wederhoor wordt dit
bevestigd.
• Aan de hand van de onderzochte data en de verklaring in wederhoor hebben wij
vastgesteld dat [geïntimeerde1] werkzaamheden die binnenkwamen via Cogas, heeft doorgeleid
naar zijn persoonlijke vennootschap.
• Aan de hand van de onderzochte data en de verklaring in wederhoor hebben wij
vastgesteld dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde4] een opdracht van Cogas voor Kochi Motoyama hebben
doorgeleid naar een concurrerende onderneming, [naam2] . Dit betreft een opdracht van
€ 825.000 (excl. btw). Hiervoor heeft [geïntimeerde1] 5% (€ 41 .250) provisie in rekening gebracht bij
[naam2] . Uit het liquiditeitsoverzicht blijkt dat [geïntimeerde1] in de periode dat hij de termijnen voor
deze provisie aan [naam2] factureert, een bedrag van € 9.777,50 aan [geïntimeerde4] betaalt. In
wederhoor wordt onder meer verklaard dat deze opdracht naar [naam2] zou zijn gegaan
omdat Cogas niet tijdig zou kunnen leveren.
- Vraag 2:

Volgens het liquiditeitsoverzicht van [geïntimeerde2] zou [geïntimeerde1] voor € 1.279.994,41 hebben
ontvangen van aan Cogas gelinkte partijen. Voor een deel is bevestigd dat deze bedragen
gefactureerd c.q. betaald zijn. Voor een deel was dat niet mogelijk omdat de onderbouwing
daarvan zich mogelijk in de correspondentie en administratie van [geïntimeerde2] bevindt.
Wij merken op dat het liquiditeitsoverzicht voor een deel een prognose betrof. Dat maken wij op uit het feit dat er na de aanmaakdatum van het laatste Excelsheet (10 maart 2022) nog transacties in het overzicht worden vermeld. Bij het wederhoor wordt voor een deel van de bedragen weersproken deze daadwerkelijk ontvangen zijn.
Een tweede bron voor het vaststellen van de schade is het naar [naam2] doorgeleide project Kochi Motoyama . Hiervan hebben wij aan de hand van de door [geïntimeerde1] gefactureerde provisiebedragen kunnen vaststellen dat bij dit project een omzet van € 825.000 (exclusief btw) gemoeid is geweest.
- Vraag 3:

Uit het onderzoek is gebleken dat [geïntimeerde1] nauw samenwerkt met [geïntimeerde3] . Een groot deel van de commissies en vergoedingen die [geïntimeerde2] ontvangt, wordt overgemaakt aan [geïntimeerde3] 's [naam1] .
In het kader van het project Motoyama zien we een samenwerking met [geïntimeerde4] . Aanvankelijk wordt een offerte opgemaakt op naam van Cogas. Uiteindelijk is het [naam2] , het bedrijf waar [geïntimeerde4] op dat ogenblik werkzaam is, die de definitieve offerte opstelt en de opdracht krijgt. [geïntimeerde2] factureert en ontvangt in dit kader een commissie van 5% aan [naam2] . In diezelfde periode blijkt uit het liquiditeitsoverzicht dat [geïntimeerde4] € 9.777 factureert aan [geïntimeerde2] .
Tenslotte zien we dat medewerkers van Cogas in de verschillende door ons onderzochte
projecten worden vernoemd in het kader van het maken van tekeningen etc. Echter wij hebben niet vastgesteld dat deze daarvoor door [geïntimeerde2] worden vergoed. De kosten van deze werkzaamheden vielen ten laste van Cogas.
Wel hebben wij in 2018 en 2020 in het liquiditeitsoverzicht een zestal betalingen (van in totaal € 4.675) aangetroffen aan [naam3] , een medewerker van Cogas. Wij hebben geen relatie vastgesteld tussen deze betalingen en de door ons onderzochte casussen.”
Ebben heeft voor haar werkzaamheden € 52.526,42 exclusief btw in rekening gebracht.
Cessies en beslagen3.11 C-Grow en Cogas-Korea hebben hun bestaande en toekomstige vorderingen op [geïntimeerden] c.s. in aktes van 6 februari 2023 gecedeerd aan Cogas Zuid. De aktesbevatten een beding waarin Cogas Zuid last en bevoegdheid wordt gegeven om in eigen naam de betreffende vorderingen te incasseren en de daarvoor noodzakelijke rechtsmaatregelen te treffen.
3.12
Na verkregen toestemming heeft Cogas Zuid diverse conservatoire (derden) beslagen doen leggen ten laste van [geïntimeerden] c.s.
3.13
De voorzieningenrechter te Lelystad heeft in een vonnis van 20 maart 2023 de vordering van [geïntimeerden] c.s. tot opheffing van deze beslagen grotendeels afgewezen. Alleen de vordering tot opheffing van een ten laste van [geïntimeerde3] gelegd beslag op een bouwdepot is toegewezen.
3.14
Na het vonnis in de bodemzaak tussen partijen hebben [geïntimeerden] c.s. opnieuw in kort geding opheffing van de gelegde beslagen gevorderd. Ook deze vordering is afgewezen, in een vonnis van de voorzieningenrechter te Lelystad van 23 juli 2024. [4]

4.Het oordeel van het hof

Stelplicht en bewijslast
4.1
Cogas stelt dat [geïntimeerden] c.s. in strijd met de overeenkomsten tussen hen en Cogas c.s. dan wel onrechtmatig hebben gehandeld en dat Cogas c.s. daardoor schade hebben geleden. Het ligt op de weg van Cogas Zuid om de feiten en omstandigheden te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen waaruit volgt dat [geïntimeerden] c.s. onrechtmatig dan wel in strijd met de voor hen geldende contractuele verplichtingen jegens Cogas c.s. hebben gehandeld en dat (en hoeveel) schade zij daardoor hebben geleden.
4.2 Onder omstandigheden kan van een gedaagde partij zoals [geïntimeerden] c.s. gevergd worden dat zij haar stellingen extra motiveert, in die zin dat zij bij haar betwisting van de stellingen voldoende feitelijke gegevens verstrekt (‘verzwaarde motiveringsplicht’). De verzwaarde motiveringsplicht betreft de verplichting van een gedaagde partij om in het kader van zijn voldoende gemotiveerde betwisting, de eisende partij nadere feitelijke gegevens of aanknopingspunten te verschaffen ten behoeve van diens bewijslevering. Daarvoor is wel ten minste noodzakelijk dat de stellingen van de eisende partij (in dit geval Cogas Zuid) voldoende onderbouwd en concreet zijn en steun bieden voor de veronderstelling dat door de gedaagde partij (in dit geval [geïntimeerden] c.s.) over de desbetreffende gegevens wordt beschikt. Met het oog op het daadwerkelijk verschaft worden van de hiervoor bedoelde gegevens en aanknopingspunten kan het hof desgewenst jegens de gedaagde partij gebruik maken van de hem in artikel 22 Rv gegeven bevoegdheid partijen te bevelen op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Als het hof daar geen reden voor ziet, ligt daarin het oordeel besloten dat ook niet is voldaan aan de vereisten voor toewijzing van de voorwaardelijk incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv (oud).
De relevante betalingen4.3 De (gecedeerde) vorderingen van Cogas Zuid op [geïntimeerde2] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde3] zijn in de kern gebaseerd op de gevonden liquiditeitenoverzichten. Cogas Zuid maakt aanspraak op betaling van de betalingen van concurrenten, leveranciers en klanten van Cogas c.s. aan [geïntimeerde2] , die uit deze overzichten blijken. Haar aanspraken heeft zij voor enkele van die betalingen verder uitgewerkt. Het gaat dan om betalingen van [naam4] , [naam5] , [naam6] , Grow Motion, Cannerald en Magia Investment. Daarnaast heeft zij haar vordering betreffende een betaling van [naam2] Agro uitgewerkt. Dat heeft zij
- nagenoeg - nagelaten voor betalingen van Connect2Cleanrooms, SBZ, [naam2] , York, Festia en Post Luchtkanalen. Zij baseert haar vordering betreffende deze betalingen alleen op het feit dat ze in de liquiditeitenoverzichten vermeld staan en op correspondentie tussen [geïntimeerde2] tussen de desbetreffende leveranciers en klanten.
4.4
Daarmee heeft Cogas Zuid onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde2] en/of [geïntimeerde1] en/of [geïntimeerde3] ten aanzien van deze laatstgenoemde betalingen onzorgvuldig jegens Cogas c.s. hebben gehandeld. Daarvoor is, op zijn minst, nodig dat aannemelijk is dat er een verband is tussen de betaling en een transactie die omstreeks deze betaling heeft plaatsgevonden tussen Cogas c.s. en de genoemde leveranciers en klanten. Alleen dan wijst de betaling mogelijk op een provisie-afspraak tussen de leverancier/klant en [geïntimeerde2] of op een ‘shop-in-shop-activiteit’ van [geïntimeerde2] . Maar dat daarvan sprake is geweest heeft Cogas Zuid niet gesteld, laat staan onderbouwd.
4.5
Daar komt bij dat [geïntimeerden] c.s. - behoudens één hierna afzonderlijk te bespreken betaling - gemotiveerd hebben bestreden dat [geïntimeerde2] de betalingen daadwerkelijk heeft ontvangen. Het betrof volgens hen niet meer dan prognoses, die in het laatste liquiditeitenoverzicht ook als zodanig (door middel van een gele arcering) waren aangeduid. De bestuurder van één van de genoemde bedrijven, de heer [naam7] van SBZ, heeft dat ook in een schriftelijke verklaring bevestigd.
4.6
[geïntimeerden] c.s. hebben wel erkend dat [geïntimeerde2] een betaling van € 75.000,- van [naam2] heeft ontvangen. Dat betrof volgens hen een betaling vanwege een geldlening door [naam2] aan [geïntimeerde2] , die partijen op 1 maart 2022 gesloten hadden. Die stelling hebben zij onderbouwd met een concept-overeenkomst van geldlening. Cogas Zuid heeft een en ander, hoewel dat wel op haar weg lag, niet weersproken, zodat het hof er vanuit zal gaan dat deze betaling inderdaad betrekking had op een geldlening.
4.7
Voor zover de vorderingen van Cogas Zuid ook zijn gebaseerd op (vermeende) betalingen door anderen dan [naam4] , [naam5] , [naam6] , Grow Motion, Canneral, Magia Investment en [naam2] Agro heeft Cogas Zuid haar vorderingen onvoldoende onderbouwd en zijn deze om die reden niet toewijsbaar. Het hof zal hierna alleen ingaan op de transacties die samenhangen met de in de vorige zin vermelde betalingen. [5]
Provisies - algemeen4.8 [geïntimeerde2] heeft (in elk geval) provisies ontvangen van [naam5] , [naam4] en [naam6] . De provisies houden volgens Cogas Zuid verband met overeenkomsten die deze bedrijven hebben gesloten met Cogas c.s. waarbij [geïntimeerde2] betrokken was. Het provisiebedrag is volgens Cogas Zuid vastgesteld op een percentage van het met deze overeenkomsten gemoeide bedrag. Om die reden moet er volgens haar ook van uit worden gegaan dat Cogas c.s. door de uitbetaling van de provisies is benadeeld; door de betalingen aan [geïntimeerde2] was er bij de contractpartijen van Cogas c.s. minder ruimte beschikbaar voor Cogas c.s., in de vorm van een korting (als de contractspartner een leverancier was) of een hogere verkoopprijs (als de contractspartij een afnemer was). [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hebben volgens Cogas Zuid onrechtmatig jegens haar gehandeld door, zonder dat dit een en ander haar bekend was, provisies te bedingen.
4.9
Tussen Cogas Zuid en [geïntimeerde2] bestond een overeenkomst van opdracht. Op grond van deze overeenkomst dient [geïntimeerde2] de zorg van een goed opdrachtgever in acht te nemen (7:401 BW), een verplichting die kan worden gezien als een uitwerking van de op grond van art. 6:2 lid 1 BW en 6:248 lid 1 BW voor contractspartijen in het algemeen geldende verplichting om bij de uitvoering van hun contractuele afspraken steeds de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens elkaar in acht te nemen. Wat die door de opdrachtnemer te betrachten zorg inhoudt is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan wel als uitgangspunt worden genomen dat de opdrachtnemer de gerechtvaardigde belangen van de opdrachtgever (vgl. art. 3:12 BW) voorop dient te stellen en zoveel mogelijk dient te voorkomen dat hij in een belangenconflict terecht komt tussen zijn eigen belangen en die van de opdrachtgever. [6] Indien zo’n belangenconflict zich toch voordoet, of dreigt voor te doen, dient hij zijn opdrachtgever daarvan in elk geval in kennis te stellen.
4.1
Indien Cogas c.s. overeenkomsten sluit met leveranciers of klanten hebben zij naast het gemeenschappelijk belang dat de overeenkomst correct wordt uitgevoerd ook een tegengesteld belang; de leverancier heeft belang bij een hoge prijs voor haar producten en Cogas c.s. hebben belang bij een lage prijs en in de verhouding tussen Cogas c.s. en hun afnemer is dat andersom. Indien [geïntimeerde2] als opdrachtnemer van Cogas Zuid betrokken is bij overeenkomsten tussen Cogas c.s. en afnemers of leveranciers van Cogas c.s. en zij ook provisieafspraken maakt met deze afnemers of leveranciers, is dan ook - op zijn minst - sprake van een dreigend belangenconflict. Indien zij die provisies afspreekt in verband met die overeenkomsten, is daadwerkelijk sprake van een belangenconflict. In beide gevallen dient [geïntimeerde2] de provisie-afspraak tijdig - dat wil zeggen voordat een overeenkomst is bereikt met de desbetreffende leverancier of afnemer - aan Cogas Zuid te melden.
4.11
[geïntimeerden] c.s. hebben aangevoerd dat het ontvangen van provisies heel gebruikelijk is in de branche. Toen Cogas Zuid in 2015 met [geïntimeerde2] in zee ging, was het haar bekend dat [geïntimeerde1] een breed netwerk had in de branche. Dat was er juist de reden van dat Cogas Zuid de overeenkomst sloot met [geïntimeerde2] . Het was Cogas Zuid toen ook bekend dat [geïntimeerde2] met haar relaties provisie-afspraken had, maar zij heeft daarover toen geen afspraken met [geïntimeerde2] gemaakt. In de overeenkomst van opdracht is het [geïntimeerde2] ook niet verboden om provisies van derden te ontvangen. Bovendien hebben de (toenmalige) bestuurders van Cogas Zuid, [naam8] en [naam9] , meegedeeld in de provisies die [geïntimeerde2] van [naam5] heeft ontvangen. Om deze redenen kan niet worden gezegd dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] een norm hebben geschonden door het maken van provisie-afspraken met leveranciers en afnemers van Cogas Zuid, aldus [geïntimeerden] c.s.
4.12
Het hof volgt [geïntimeerden] c.s. niet in dit betoog. Ook als het zo is dat het in de branche gebruikelijk is dat provisies worden betaald - Cogas Zuid heeft dat gemotiveerd bestreden - is daarmee nog niet gegeven dat het ook gebruikelijk is dat een opdrachtgever provisies van de wederpartij (leverancier of afnemer) van haar opdrachtnemer ontvangt betreffende transacties die die leverancier of afnemer met de opdrachtgever sluit, omdat in die situaties ,zoals hiervoor is uiteengezet, per definitie sprake is van een belangenconflict. Dat het ook in die situatie gebruikelijk is dat provisies worden betaald, hebben [geïntimeerden] c.s. niet gesteld, laat staan onderbouwd. Die onderbouwing is ook niet gegeven met de overgelegde e-mail van 6 februari 2025 van de heer [naam10] van [naam6] . [naam10] schrijft daar aan [geïntimeerde1] dat [geïntimeerde1] provisie van [naam6] kreeg omdat “
jij ons de opdracht van Cogas Climate Controle bezorgde”. Volgens Schama is dat “
een vrij gebruikelijke manier van werken”. [naam6] betaalt aan meer partijen provisie. “
In die zin vinden we het dan ook volstrekt gebruikelijk dat jij dit zo hebt gedaan.
[naam10] schrijft niet dat zijn bedrijf ook vaker provisies betaalt aan opdrachtnemers (of werknemers) van haar afnemers voor transacties die zij met die afnemer aangaat.
4.13
Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat het gebruikelijk is in de branche dat opdrachtnemers, als [geïntimeerde2] , provisies ontvangen voor overeenkomsten die met hun opdrachtgevers (of daaraan gelieerde ondernemingen) worden aangegaan. Alleen om die reden gaat het betoog van [geïntimeerden] c.s. niet op, dat het op de weg van Cogas Zuid lag om bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht met [geïntimeerde2] afspraken te maken over de ontvangst van provisies van [geïntimeerde2] . Indien [geïntimeerde2] toch provisies wilde ontvangen van afnemers of leveranciers van Cogas Zuid, was het juist aan haar om het initiatief te nemen om die bijzondere afspraak te maken. Indien [geïntimeerden] c.s. al hebben willen stellen dat [geïntimeerde2] ook een dergelijke afspraak hebben gemaakt, hebben zij die stelling onvoldoende onderbouwd. Zij hebben in het licht van de stellingen van Cogas Zuid op dit punt ook niet onderbouwd dat [geïntimeerde1] , namens [geïntimeerde2] , bij het aangaan van de overeenkomst met Cogas Zuid of nadien heeft aangegeven dat hij [geïntimeerde2] provisies wilde blijven ontvangen van leveranciers en afnemers van Cogas Zuid voor transacties tussen Cogas Zuid en die leveranciers en afnemers. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [geïntimeerde1] op dit punt ook geen ‘klare wijn geschonken’.
4.14
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de (toenmalige) bestuurders van Cogas Zuid in de loop van 2018 hebben meegedeeld in de provisies die [geïntimeerde2] ontving in verband met een overeenkomst tussen [naam5] en Cogas Zuid. Dat [geïntimeerde2] vanwege die overeenkomst provisies ontving van een leverancier van Cogas Zuid - [naam5] leverde aan Cogas Zuid -, was de bestuurders van Cogas Zuid dan ook bekend. Door mee te delen in de ontvangen provisies, hebben zij ermee ingestemd dat [geïntimeerde2] voor deze overeenkomst tussen [naam5] en Cogas Zuid provisies ontving. Dat betekent dat [geïntimeerde2] niet in strijd met de op haar rustende verplichting van goed opdrachtnemerschap heeft gehandeld door voor deze transactie provisie te ontvangen van [naam5] . Zij heeft immers aan de bestuurders van Cogas Zuid en daarmee aan Cogas Zuid om toestemming gevraagd en die - in elk geval impliciet - verkregen. Dat betekent dat de vordering van Cogas Zuid voor zover die betrekking heeft op de provisie voor deze transactie niet toewijsbaar is en dat in het midden kan blijven of [geïntimeerde2] ook andere medewerkers van Cogas Zuid heeft laten meedelen aan de van [naam5] ontvangen provisie.
4.15
Partijen zijn het er over eens dat [geïntimeerde2] de door haar ontvangen provisies niet vaker heeft gedeeld met de bestuurders van Cogas Zuid. Er is dan ook sprake van een eenmalige gebeurtenis. Om die reden mocht [geïntimeerde2] er niet van uitgaan dat het haar na 2018 (de kwestie [naam5] speelde in dat jaar) vrijstond om provisies van klanten of leveranciers van Cogas Zuid in verband met overeenkomsten met Cogas Zuid af te spreken. Het hof laat dan nog daar dat als [geïntimeerde2] al enige verwachting mocht ontlenen aan de kwestie [naam5] , zij er in elk geval niet van mocht uitgaan dat het haar was toegestaan provisies te bedingen zonder de bestuurders van Cogas Zuid daar in te laten delen, en dus daarbij te betrekken. Het betoog van [geïntimeerde2] dat Cogas Zuid ermee heeft ingestemd dat zij provisie-afspraken met afnemers en leveranciers van Cogas Zuid voor overeenkomsten met Cogas Zuid maakte, of dat zij er vanwege de kwestie [naam5] van mocht uitgaan dat Cogas Zuid daarmee instemde, gaat dan ook niet op.
4.16
De conclusie is dat [geïntimeerde2] in strijd handelde met haar verplichting om de zorg van een goed opdrachtnemer te betrachten door zonder instemming van Cogas Zuid provisie-afspraken te maken met klanten en leveranciers van Cogas c.s. betreffende overeenkomsten met Cogas Zuid.
Provisies - positie C-Grow en Cogas Zuid4.17 Hiervoor heeft het hof (gemakshalve) nog niet expliciet onderscheid gemaakt tussen Cogas Zuid en de aan haar gelieerde vennootschappen. Maar nu zal toch op de afzonderlijke positie van Cogas Zuid en de gelieerde vennootschappen C-Grow en Cogas Korea (moeten) worden ingegaan. Uit de op dit punt niet weersproken stellingen van Cogas Zuid volgt dat Cogas Zuid en C-Grow nauw met elkaar verweven zijn. C-Grow is daarbij de entiteit die overeenkomsten sluit met afnemers. Maar de daadwerkelijke activiteiten om de overeengekomen prestatie te kunnen leveren vinden plaats in Cogas Zuid. De kosten die Cogas Zuid daarvoor maakt, worden doorberekend aan C-Grow. C-Grow verkoopt dus de producten van Cogas Zuid. Voor Cogas Korea geldt wat voor C-Grow geldt.
4.18
Gelet op de verwevenheid, verhouding en taakverdeling tussen de genoemde vennootschappen moest [geïntimeerde2] in het kader van haar overeenkomst met Cogas Zuid ook de belangen van C-Grow en Cogas Korea behartigen. Indien zij dat niet zou doen, zou zij daarmee de belangen van Cogas Zuid schaden en om die reden in strijd met haar verplichtingen uit de overeenkomst met Cogas Zuid handelen. Dat betekent, gezien het voorgaande, dat indien [geïntimeerde2] provisies ontvangt betreffende overeenkomsten tussen C-Grow en haar afnemers of leveranciers zij daardoor wanprestatie pleegt jegens Cogas Zuid. Dat maakt haar nog niet (per definitie) schadeplichtig jegens Cogas Zuid. Dat laatste is afhankelijk van de vraag of de schade door het handelen van [geïntimeerde2] ook bij Cogas Zuid ‘valt’. Indien de schade wordt geleden door C-Grow (in de vorm van een hogere prijs van haar leveranciers of een lagere prijs aan haar afnemers), heeft Cogas Zuid in beginsel geen aanspraak op schadevergoeding.
4.19 Cogas Zuid maakt ten aanzien van de ontvangen provisies echter niet alleen aanspraak op vergoeding van haar eigen schade, maar ook op vergoeding van de door C-Grow geleden schade, zulks op basis van de aan haar door C-Grow gecedeerde vordering tot schadevergoeding. (Bij Cogas Zuid is geen sprake van een op de ontvangst van provisies gebaseerde vordering). Met C-Grow heeft [geïntimeerde2] echter geen overeenkomst van opdracht, zodat zij haar vordering niet op een toerekenbare tekortkoming kan baseren. Cogas Zuid stelt dat [geïntimeerde2] jegens C-Grow onrechtmatig heeft gehandeld door provisies te ontvangen betreffende overeenkomsten tussen C-Grow en haar leveranciers of afnemers.
4.2
In dit kader dient het volgende te worden vooropgesteld. Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractsverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben. Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen dit meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken. [7]
4.21
Het hof beantwoordt de hiervoor genoemde vraag voor dit geval in bevestigende zin. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de - aan [geïntimeerde2] bekende - verwevenheid van de C-Grow en Cogas Zuid, over het feit dat C-Grow in feite het verkoopvehikel van Cogas Zuid was en over de verplichting van [geïntimeerde2] om bij de uitvoering van de overeenkomst van opdracht van Cogas Zuid ook de belangen van C-Grow te behartigen, was [geïntimeerde2] niet alleen jegens Cogas Zuid (op grond van de overeenkomst), maar ook jegens C-Grow (op grond van wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt) gehouden om de belangen van C-Grow te ontzien door haar gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Om de redenen die hiervoor ten aanzien van Cogas Zuid zijn vermeld, handelde [geïntimeerde2] ook onzorgvuldig jegens C-Grow door zonder instemming van Cogas Zuid of C-Grow provisie-afspraken te maken met klanten en leveranciers van C-Grow betreffende overeenkomsten met C-Grow. Om die reden hoeft op dit punt geen onderscheid te worden gemaakt tussen Cogas Zuid en C-Grow.
Provisies - drie situaties4.22 Cogas Zuid heeft provisiebetalingen door drie van haar relaties hard kunnen maken. Het betreft allereerst de al genoemde relatie
[naam5]. Partijen verschillen van mening over het bedrag dat [geïntimeerde2] van [naam5] heeft ontvangen. Volgens Cogas Zuid heeft [geïntimeerde2] € 100.851,55 van [naam5] ontvangen, € 89.625,57 waarvan een deel is betaald aan haar (toenmalige bestuurders), en daarnaast € 11.225,98. [geïntimeerden] c.s. bestrijden dat zij meer dan de genoemde € 89.625,57 van [naam5] hebben ontvangen. Het hof gaat van dit laatste bedrag uit, omdat Cogas Zuid haar stelling dat [geïntimeerde2] meer heeft ontvangen slechts heeft onderbouwd met een verwijzing naar het liquiditeitenoverzicht. Cogas Zuid heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat er andere transacties tussen haar en [naam5] hebben plaatsgevonden waarop de betaling van (in totaal) € 11.225,98 betrekking kan hebben.
Zoals hiervoor al is overwogen heeft Cogas Zuid betreffende de wel vaststaande transactie tussen haar en [naam5] in verband waarmee [geïntimeerde2] provisies heeft ontvangen niets te vorderen. Voor zover de vorderingen van Cogas Zuid betrekking hebben op [naam5] zijn ze dan ook niet toewijsbaar.
4.23
[geïntimeerde2] heeft, naar tussen partijen niet ter discussie staat, € 113.232,50 van
[naam4] /Waldis Swiss AGontvangen. Het bedrag is in de periode februari tot en met juni 2022 in vier termijnen door [geïntimeerde2] in rekening gebracht. Volgens het liquiditeitenoverzicht betreffen de termijnen het project Grow Motion 1.0. In februari 2022 kwam betreffende dat project ook een overeenkomst tot stand tussen Waldis Swiss AG en C-Grow als leverancier betreffende de levering van een installatie voor medicinale cannabis voor een prijs van € 1.830.775,-.
4.24
De beide overeenkomsten hebben naar het oordeel van het hof met elkaar te maken. Dat volgt ook uit het feit dat zij beide het project Grow Motion 1.0 betreffen en in tijd naadloos op elkaar volgen. De opdrachtbevestiging van de overeenkomst tussen C-Grow en Waldis Swiss dateert van 11 februari 2022 en de eerste factuur van [geïntimeerde2] van
14 februari 2022. Dat de beide overeenkomsten met elkaar te maken hebben, lijken [geïntimeerden] c.s. ook niet (meer) te ontkennen. In de memorie van antwoord (nr. 2.99) hebben zij immers aangegeven: “
De offerte die Cogas heeft uitgebracht heeft Waldis met 7,5% winstmarge aan de klant voorgelegd. Vanuit die 7,5% heeft Waldis besloten om aan [geïntimeerde1] een bedrag van€ 11.232,50 te betalen.” Ook [geïntimeerden] c.s. zien kennelijk een verband tussen beide overeenkomsten. In dat licht kan het hof de door [geïntimeerden] c.s. overgelegde e-mail van [naam4] aan [geïntimeerde1] van 20 februari 2022niet goed plaatsen. In deze e-mail schrijft Waldis dat de overeenkomst tussen Waldis Swiss en [geïntimeerde2] “
nichts mit Cogas Zuid / C-Grow zu tun hat.” De verklaring van [naam4] dat de overeenkomst tussen hem/zijn vennootschap en [geïntimeerde2] “
nichts zu tun hat” met de overeenkomst tussen Waldis Swiss en C-Grow is dan ook onjuist.
Dat ‘legt ook een hypotheek’ op de geloofwaardigheid van de volgende zin in de genoemde e-mail: “
Diese Abmachung stellt zudem keinen Nachteil für die Gewinnmarge von Cogas Zuid / C-Grow dar”, waarop [geïntimeerden] c.s. zich beroepen. Als de eerste nogal stellig geformuleerde bewering van [naam4] , dat de beide overeenkomsten niets met elkaar te maken hebben onjuist is, rijst de vraag waarom de volgende even stellig geformuleerde bewering wel juist zou zijn.
Het hof kent er om die reden weinig gewicht aan toe.
4.25
Daarmee komt het hof toe aan de vraag of C-Grow schade heeft geleden door de provisiebetaling aan [geïntimeerde2] . Volgens Cogas Zuid is wel degelijk schade geleden. Zij zou niet hebben ingestemd met de provisieafspraak met [naam4] wanneer zij daarvan zou hebben geweten. Door de met [geïntimeerden] Holding gemaakte provisieafspraak heeft Waldis Swiss minder ruimte een hogere prijs aan C-Grow te betalen; het beschikbare budget is immers al voor een deel uitgegeven. Volgens [geïntimeerden] c.s. is daarvan geen sprake. Zij verwijzen naar de hiervoor aangehaalde e-mail van [naam4] . In dat kader hebben zij, zoals hiervoor al is aangehaald, ook betoogd dat de provisie is betaald uit de winstmarge van 7,5% die Waldis Swiss heeft behaald op het project.
4.26
Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] c.s. niet gemotiveerd hebben bestreden dat Cogas Zuid niet zou hebben ingestemd met de provisieafspraak als zij daarvan zou hebben geweten. Het hof gaat daar dan ook vanuit. Het verweer van [geïntimeerden] c.s. dat door C-Grow geen schade is geleden, overtuigt niet. Allereerst is het deels gestoeld op de schriftelijke verklaring van [naam4] , waaraan het hof dus weinig gewicht toekent. Bovendien ligt het voor de hand dat wanneer een partij die - kort gezegd - iets koopt in verband met die koopovereenkomst een provisie verschuldigd is aan een derde minder ruimte heeft om de verkoper tegemoet te komen, bijvoorbeeld op het punt van de hoogte van de koopprijs; de door de te koper te behalen marge ‘moet uit de lengte of uit de breedte komen’. Vervolgens heeft ook [geïntimeerde1] zelf tijdens de mondelinge behandeling bij het hof een verband gelegd tussen het bestaan en de hoogte van provisieaanspraken en de winstmarge. Op vragen van het hof naar de hoogte van de volgens [geïntimeerden] c.s. in de branche gebruikelijke provisies antwoordde [geïntimeerde1] onder meer: “
Je moet oppassen dat je de provisie niet te hoog doet. Anders kom je prijstechnisch niet uit in de eindprijs. De klant kan via de prijzen van andere leveranciers zien dat er te veel provisie is gerekend.” Ten slotte vindt het hof het niet geloofwaardig dat Waldis Swiss van de begrote winstmarge op het project van (7,5% van € 1.830.775,- =) € 137.308,13 het leeuwendeel (€ 113.232,50, dus ruim 82%) zou willen besteden aan provisie. Dat zou vanuit bedrijfseconomische optiek immers een onverantwoorde keuze zijn. Het verweer van [geïntimeerden] c.s. dat C-Grow geen schade heeft geleden is dan ook onvoldoende onderbouwd.
4.27
Uit het voorgaande volgt dat ervan kan worden uitgegaan dat C-Grow (op zijn minst: enige) schade heeft geleden door de provisiebetaling aan [geïntimeerde2] . De omvang van die schade is niet gemakkelijk te begroten. De schade moet worden begroot door de feitelijke situatie waarin C-Grow verkeert nu (met de provisieafspraak) te vergelijken met de hypothetische situatie waarin C-Grow zou hebben verkeerd wanneer de provisieafspraak niet zou zijn gemaakt en Waldis Swiss meer ruimte zou hebben gehad om C-Grow in de onderhandelingen over de prijs tegemoet te komen. Bij de beoordeling van die hypothetische situatie komt het aan op wat daarover redelijkerwijs te verwachten viel, waarbij goede en kwade kansen dienen te worden afgewogen. Daarbij geldt dat aan de stellingen van Cogas Zuid over de hypothetische situatie geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, omdat het [geïntimeerde2] is geweest die C-Grow (en Cogas Zuid als cessionaris van de vordering van C-Grow) de mogelijkheid heeft ontnomen om duidelijkheid te verschaffen over de hypothetische situatie. [8]
4.28
Artikel 6:104 BW biedt evenwel een alternatieve manier van begroting van de schade. Deze bepaling geeft de rechter de bevoegdheid om de schade door de tekortkoming of onrechtmatige daad te begroten op de door de aansprakelijke partij op (een gedeelte van) de winst. De rechter heeft die bevoegdheid alleen wanneer de benadeelde een beroep doet op deze wijze van schadebegroting en de aanwezigheid van enige schade aannemelijk is. [9] Cogas Zuid heeft zich uitdrukkelijk op deze bepaling beroepen, zodat aan het eerstgenoemde vereiste is voldaan. Hiervoor is al overwogen dat ervan uit kan worden gegaan dat C-Grow (enige) schade heeft geleden, zodat in zoverre ook aan het tweede vereiste is voldaan.
4.29
Het hof ziet om de volgende redenen in dit geval voldoende grond om artikel 6:104 BW toe te passen:
- Het is evident dat [geïntimeerde2] winst heeft genoten als gevolg van het op de hiervoor omschreven wijze bedingen en ontvangen van provisie. De omvang van de winst kan betrekkelijk eenvoudig worden vastgesteld, te weten op de ontvangen provisie minus de door [geïntimeerde2] gemaakte kosten ten behoeve van het verkrijgen van de provisie. Dat betekent dat een belangrijk aanknopingspunt voor het begroten van de schade op grond van artikel 6:104 BW voorhanden is;
- Uit wat hiervoor in 4.27 is overwogen over de concrete wijze van schadebegroting volgt dat de schade zich op deze wijze niet gemakkelijk ‘concreet’ laat begroten; het is niet gemakkelijk om te voorspellen hoe de onderhandelingen tussen C-Grow en Waldis Swiss zouden zijn verlopen wanneer [geïntimeerde2] geen provisie zou hebben bedongen. De goede en kwade kansen laten zich in dit geval niet gemakkelijk afwegen, waardoor het lastig is de hypothetische situatie te benaderen;
- De aard van de schade (zuivere vermogensschade) in combinatie met de aard van de normschending (schending van een ‘economische’ norm) leent zich goed voor toepassing van schadebegroting door winstafdracht.
4.3
Artikel 6:104 BW biedt de rechter de mogelijkheid om, als aan de ter zake geldende vereisten is voldaan, de schade te begroten op de gehele winst. Maar vanwege het niet punitieve karakter van artikel 6:104 BW dient de rechter in zoverre terughoudendheid in acht te nemen dat, indien aannemelijk is dat het door de schuldenaar behaalde financiële voordeel de vermoedelijke omvang van de schade aanmerkelijk te boven gaat, de rechter de schade in beginsel begroot op een door hem te bepalen gedeelte van de winst. [10]
4.31
Het gaat bij artikel 6:104 BW om
winstafdracht. Die winst kan zoals gezegd worden bepaald door op de ontvangen provisie in mindering te brengen de kosten die [geïntimeerde2] heeft gemaakt om de provisie te verwerven. [geïntimeerden] c.s. hebben een overzicht (met onderliggende facturen) overgelegd betreffende in 2022 gemaakte kosten. [11] Het gaat vooral om reiskosten (vliegtickets, parkeerkosten, taxi’s en huurauto’s) van, naar en in Zwitserland en om verblijfkosten (hotels en restaurants). Het overzicht is gerangschikt per kwartaal en sluit op een totaalbedrag van € 3.585,71 + € 8.311,17 + € 3.984,50 + € 1.574,04 =
€ 17.455,42.
Volgens Cogas Zuid voeren [geïntimeerden] c.s. in het overzicht kosten op voor door haar vergoede reizen. Zij wijst erop dat [geïntimeerde2] een hogere vergoeding ontving voor werk in het buitenland. In het overzicht van [geïntimeerden] c.s. staan reizen waarvoor de vliegtickets door haar zijn vergoed. Het gaat om reizen van en naar Zwitserland van 13 en 14 januari 2022,
27 en 28 januari 2022 en 7 tot en met 9 februari 2022. [12] Het hof stelt vast dat de vliegtickets betreffende deze reizen niet in het overzicht staan vermeld, alleen de upgrade naar businessclass. Omdat niet is weersproken dat [geïntimeerde2] voor deze reizen de hogere vergoeding voor werken in het buitenland heeft ontvangen, gaat het hof ervan uit dat [geïntimeerde2] de extra kosten vanwege verblijf in Zwitserland uit die hogere vergoeding heeft kunnen betalen. Om die reden zal het hof de kosten voor het eerste kwartaal buiten beschouwing laten. Ten aanzien van de kosten betreffende de volgende kwartalen heeft Cogas Zuid niet aannemelijk gemaakt dat zij die kosten heeft voldaan. In dit verband merkt het hof op dat de overeenkomst tussen partijen ook per 1 juni 2022, dus in de loop van het tweede kwartaal, is beëindigd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [geïntimeerde2] € 17.455,42 -/- € 3.585,71 = € 13.869,71 aan kosten heeft gemaakt ten behoeve van het verkrijgen van provisie.
Dat betekent dat uitgegaan kan worden van een winst van € 113.232,50 -/- € 13.869,71 =
€ 99.362,79.
4.32
Het hof vindt het niet aannemelijk dat meer dan de helft van de provisie ten goede zou zijn gekomen van C-Grow, in de vorm van een hogere contractprijs, indien de provisie niet zou zijn bedongen. Waldis Swiss zou in dat geval meer ruimte hebben gehad om C-Grow tegemoet te komen, maar het is niet aannemelijk dat zij die gehele ruimte ten goede zou hebben laten komen van C-Grow. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat het door [geïntimeerde2] behaalde financiële voordeel de vermoedelijke schade aanmerkelijk te boven gaat. Om die reden zal het hof [geïntimeerde2] veroordelen tot afdracht van € 50.000,-, welk bedrag neerkomt op (afgerond) de helft van de winst.
4.33
[geïntimeerde2] heeft ook provisie ontvangen van
[naam6]in verband met een opdracht aan [naam6] ten behoeve van het project voor Waldis Swiss. Ook als ten aanzien van deze provisie sprake is van aansprakelijkheid van [geïntimeerde2] geldt dat de vordering van Cogas Zuid niet toewijsbaar is. De reden daarvan is dat niet aannemelijk is dat C-Grow door deze provisiebetaling schade heeft geleden. [geïntimeerden] c.s. hebben gesteld dat de kosten van [naam6] begrepen waren in de offerte aan Waldis Swiss. De kosten zijn dus ‘één op één’ doorgezet naar Waldis Swiss. Wanneer de kosten van [naam6] vanwege de provisiebetaling hoger zijn geworden, heeft C-Grow deze hogere kosten kunnen afwentelen op Waldis Swiss, aldus [geïntimeerden] c.s. Het hof vindt dit - overigens niet (voldoende) door Cogas Zuid weersproken - verweer van [geïntimeerden] c.s. steekhoudend. De vordering van Cogas Zuid stuit er op af.
Provisies - de positie van [geïntimeerde1] , [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4]4.34 Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde2] schadeplichtig is in relatie tot de van Waldis Swiss ontvangen provisies. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde4] bij deze kwestie betrokken is geweest. De vordering op [geïntimeerde4] is ook niet (mede) op deze kwestie gebaseerd. Indien Cogas Zuid dat betreffende [geïntimeerde3] wel heeft willen stellen, heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat [geïntimeerde3] een deel van de door [naam4] betaalde provisies heeft ontvangen en evenmin dat hij betrokken is geweest bij het bedingen van deze provisie. Van aansprakelijkheid op die gronden is dan ook geen sprake. Bij gebreke van enige betrokkenheid van [geïntimeerde3] , ontbreekt ook een deugdelijke juridische grondslag voor de groepsaansprakelijkheid van [geïntimeerde3] . De vordering op [geïntimeerde3] betreffende de kwestie van de provisies is dan ook niet toewijsbaar.
4.35
[geïntimeerde1] heeft bij het maken van de provisieafspraken namens [geïntimeerde2] gehandeld. De provisie-afspraak met [naam4] gold tussen [naam4] en [geïntimeerde2] en niet [geïntimeerde1] , maar [geïntimeerde2] had een overeenkomst met Cogas Zuid, waarin [geïntimeerde2] (en niet [geïntimeerde1] ) tekortschoot indien zij provisies bedong van klanten van Cogas c.s. betreffende overeenkomsten tussen die klanten en Cogas c.s.
4.36
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Maar onder bijzondere omstandigheden is naast aansprakelijkheid van die vennootschap ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van deze aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder in hoedanigheid heeft gehandeld en ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. [13]
4.37
Naar het oordeel van het hof heeft Cogas Zuid onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde1] betreffende de provisies in dit geval persoonlijk een dergelijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat betekent dat ook de vordering tegen [geïntimeerde1] in persoon niet toewijsbaar is. [14]
Provisies - conclusie4.38 De vordering van Cogas Zuid betreffende de provisies is alleen toewijsbaar jegens [geïntimeerde2] tot € 50.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 juli 2022 (halverwege de periode waarin de schade is ontstaan). [15]
Pre-engineering - algemeen4.39 Cogas Zuid stelt dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] in het kader van hun werkzaamheden voor Cogas c.s. werkzaamheden hebben verricht voor klanten van
Cogas c.s., die Cogas c.s. zelf in opdracht van die klanten had kunnen verrichten. Zij hebben op die manier een ‘shop-in-shop’ geëxploiteerd en Cogas c.s. daarmee schade berokkend, doordat zij voor zichzelf omzet hebben gerealiseerd die toekwam aan Cogas c.s. Zij hebben de werkzaamheden die daarmee gemoeid waren bovendien met tijd en middelen van Cogas c.s. verricht, aldus Cogas Zuid.
4.4
Het hof stelt vast dat de vorderingen van Cogas Zuid op dit punt niet zijn gebaseerd op de grondslag dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] ten onrechte gebruik hebben gemaakt van de tijd en middelen van Cogas c.s., maar op de grondslag dat zij omzet die bestemd was voor Cogas c.s. aan Cogas c.s. hebben onttrokken.
4.41
Het hof stelt ook vast dat het [geïntimeerde2] op zichzelf vrijstond om werkzaamheden voor derden te verrichten. In de overeenkomst werd er uitdrukkelijk ook niet van uitgegaan dat [geïntimeerde2] fulltime voor Cogas c.s. zou werken. In de overeenkomst tussen Cogas Zuid en [geïntimeerde2] was geen exclusiviteit bedongen en het stond [geïntimeerde2] op zichzelf dan ook vrij om naast zijn werkzaamheden voor Cogas Zuid werkzaamheden ten behoeve van derden te verrichten, mits die derden geen concurrenten waren van Cogas Zuid (zie 3.5). Verder geldt ook hier, net als ten aanzien van het ontvangen van provisies, dat [geïntimeerde2] als goed opdrachtnemer de belangen van Cogas Zuid voorop dient te stellen en zoveel mogelijk dient te voorkomen dat hij in een belangenconflict terecht komt tussen zijn eigen belangen en die van Cogas Zuid.
Wat [geïntimeerde3] betreft is van belang dat het [geïntimeerde3] niet verboden was om werkzaamheden voor anderen te verrichten. Hij mocht alleen geen werkzaamheden verrichten die concurrerend waren voor C-Grow, zijn werkgever (zie 3.6). Als goed werknemer diende hij wel rekening te houden met de belangen van C-Grow. [16]
4.42
Het voorgaande betekent dat het [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] niet vrijstond om werkzaamheden te verrichten voor klanten van Cogas c.s. die verband hielden met en/of in het verlengde lagen van opdrachten van die klanten aan Cogas c.s. èn die Cogas c.s. ook zelf hadden kunnen en willen verrichten. Het risico van een belangentegenstelling - zowel Cogas c.s. als [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben immers belang bij de opdracht - is dan te groot. Dat geldt al helemaal wanneer [geïntimeerde1] in het kader van de door de desbetreffende klant aan Cogas c.s. verstrekte opdracht ook al namens Cogas c.s. contact met die klant heeft en hij dus ‘met twee petten’ - die van [geïntimeerde2] en van Cogas c.s. - contact onderhoudt met de desbetreffende klant. De kans op onduidelijkheden en verwarring is dan te groot. Het voorgaande is alleen anders wanneer Cogas Zuid en/of C-Grow aan [geïntimeerde2] respectievelijk [geïntimeerde3] toestemming hebben gegeven voor deze werkzaamheden.
4.43
Volgens [geïntimeerden] c.s. hebben zij geen werkzaamheden verricht die Cogas c.s. ook zelf hadden kunnen en willen verrichten. Zij stellen dat de door hen verrichte werkzaamheden zogenaamde pre-engineeringswerkzaamheden betroffen ten behoeve van de teelt van medicinale cannabis. Dat soort werkzaamheden verrichtten Cogas c.s. volgens hen niet. Cogas Zuid heeft dat betoog bestreden. Volgens haar hebben [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] zich beziggehouden met werkzaamheden die Cogas c.s. wel degelijk ook zelf konden verrichten en in het verleden ook verricht hebben, onder meer bij projecten waar [geïntimeerde1] en [geïntimeerde3] namens Cogas c.s. bij betrokken zijn geweest.
Pre-engineering - één project is relevant4.44 Volgens Cogas Zuid heeft [geïntimeerde2] € 47.500,- van Magia Investment en
€ 52.215,- van Cannerald ontvangen voor werkzaamheden (in de visie van [geïntimeerden] c.s. pre-engineeringswerkzaamheden) die [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben verricht en ten onrechte buiten Cogas c.s. om bij de desbetreffende klant in rekening hebben gebracht. Volgens [geïntimeerden] c.s. heeft alleen het project Magia Investment een positieve opbrengst gehad en kan het andere project om die reden buiten beschouwing blijven.
4.45
[geïntimeerden] c.s. hebben uiteengezet dat [geïntimeerde2] betalingen van € 2.965,- en
€ 49.250,- (in totaal dus € 52.215,-) hebben ontvangen van Cannerald op basis van door [geïntimeerde2] verzonden facturen en dat deze facturen en betalingen betrekking hadden op het project Grow Motion 2.0. Dat project is uiteindelijk niet doorgegaan. Om die reden is de factuur van € 49.250,- gecrediteerd. Het al door Cannerald betaalde bedrag heeft [geïntimeerde2] terugbetaald. Tegenover de factuur van € 2.965,- staat een factuur van € 2.645,62 van PCS, die [geïntimeerde2] heeft moeten betalen. Per saldo hebben [geïntimeerden] c.s. (nagenoeg) niets aan het project Grow Motion 2.0 overgehouden. Als de pre-engineeringswerkzaamheden voor dat project bij Cogas c.s. ondergebracht had moeten worden, zouden Cogas c.s. er ook geen opbrengst van hebben gehad, zodat zij door de handelwijze van [geïntimeerden] c.s. feitelijk dus geen schade hebben geleden, aldus [geïntimeerden] c.s.
4.46
Cogas Zuid heeft erkend (MvG 90) dat het project Grow Motion 2.0 niet is doorgegaan. [geïntimeerden] c.s. hebben hun stelling dat de factuur van € 49.250,- betreffende dit project is gecrediteerd en dat [geïntimeerde2] het al aan haar betaalde bedrag van € 49.250,- heeft moeten terugbetalen onderbouwd met de creditfactuur, de correspondentie tussen [geïntimeerde1] en Grow Motion (een aan Cannerald gelieerde vennootschap) en de betalingsbewijzen van de terugbetaling. Ook hebben zij een factuur van PCS van € 2.965,- overgelegd. In het licht hiervan heeft Cogas Zuid onvoldoende onderbouwd dat zij schade heeft geleden doordat [geïntimeerde2] de pre-engineeringswerkzaamheden voor het project Grow Motion 2.0 niet bij Cogas c.s. heeft ondergebracht. Als [geïntimeerde2] dat wel zou hebben gedaan, is onvoldoende aannemelijk dat Cogas c.s. opbrengsten uit dat project zouden hebben gehad. [geïntimeerden] c.s. hebben uiteindelijk ook niets aan het project overgehouden. Alleen om deze reden al is de vordering van Cogas Zuid betreffende dit project niet toewijsbaar en kan in het midden blijven of [geïntimeerden] c.s. het project ten onrechte voor zichzelf hebben gehouden.
4.47
Uit het voorgaande volgt dat het bij de pre-engineeringswerkzaamheden alleen nog gaat om het project Magia Investment.
Pre-engineering - Magia Investment4.48 Het project Magia Investment betrof de teelt van medicinale cannabis in Noord-Macedonië. [geïntimeerde2] heeft op 25 juni 2020 een offerte (OFF200024-1 RJB/Rbo) verstuurd naar de heer [naam11] van Grow In Consulting GmbH voor ‘
Pre-engineering drawings for project plant factory in Kumanova Macedonia” voor € 47.500,-. De offerte was een reactie op een verzoek van [naam11] om een offerte. Dat verzoek was gericht aan het e-mailadres van [geïntimeerde1] bij Cogas Zuid. De offerte is naar [naam11] verstuurd van het e-mailadres van [geïntimeerde1] in privé, maar was door [geïntimeerde1] opgesteld binnen de ‘Cogas-omgeving’. [geïntimeerde1] heeft de offerte eerst vanaf zijn Cogas Zuid e-mailadres verstuurd naar zijn privémailadres. In de koptekst van de offerte staat vermeld “
Cogas Climate Control”. [geïntimeerde2] heeft op 9 juli 2020 een opdrachtbevestiging verstuurd en vervolgens het overeengekomen bedrag ook gefactureerd en ontvangen.
4.49 Op 14 juli 2020 vroeg [geïntimeerde1] aan een medewerker van Cogas Zuid om voor het project een dossier aan te maken. Vanaf 20 juli 2020 tot 9 maart 2021 hebben zowel [geïntimeerde1] als [geïntimeerde3] uren geschreven op dit dossier met als omschrijving calculeren ( [geïntimeerde1] en [geïntimeerde3] ) en verkoop (alleen [geïntimeerde1] ). Op 30 september 2020 heeft C-Grow in het project een offerte uitgebracht voor het installeren van klimaatkassen voor ruim drie miljoen euro. De offerte heeft niet geleid tot een opdracht.
4.5
Volgens [geïntimeerden] c.s. hebben de werkzaamheden die zij in het kader van de aan [geïntimeerde2] verstrekte opdracht hebben verricht niets te maken met de werkzaamheden die zij ten behoeve van het uitbrengen van de offerte door C-Grow voor C-Grow hebben gedaan. Dat betoog kan het hof niet volgen. Het gaat allereerst om hetzelfde project. De werkzaamheden hebben bovendien grotendeels in dezelfde periode plaatsgevonden. Op grond van de uiteenzetting van [geïntimeerden] c.s. over de pre-engineeringswerkzaamheden mag worden verwacht dat die werkzaamheden zouden hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de werkzaamheden ten behoeve van het uitbrengen van de offerte. Ten slotte volgt uit de reactie van [geïntimeerden] c.s. op productie 118 van Cogas Zuid dat [geïntimeerden] c.s. de door hen in opdracht van Grow In Consulting GmbH opgestelde tekeningen met leveranciers heeft gedeeld ten behoeve van de offerte van C-Grow. Ook op dit punt zijn de werkzaamheden van [geïntimeerden] c.s. voor Grow In Consulting GmbH dus verweven met die voor C-Grow.
Al met al is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat [geïntimeerden] c.s. werkzaamheden hebben verricht voor klanten van Cogas c.s. die verband hielden met en/of in het verlengde lagen van opdrachten van die klanten aan Cogas c.s.
4.51
Het hof gaat niet mee in het betoog van [geïntimeerden] c.s. dat C-Grow de pre-engineeringswerkzaamheden niet kon verrichten, omdat zij geen ervaring heeft met projecten voor medicinale cannabis. [geïntimeerden] c.s. miskennen dat de kennis en kunde van C-Grow afhankelijk is van de kennis en kunde van hun medewerkers, dus ook van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] . Wanneer [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] de desbetreffende werkzaamheden in het kader van hun eigen bedrijven kunnen verrichten, valt niet in te zien dat zij deze niet ook in het kader van hun werkzaamheden voor C-Grow zouden kunnen verrichten en dat C-Grow om die reden wèl over de noodzakelijke kennis en kunde beschikt. In dit kader wijst het hof erop dat [geïntimeerden] c.s. zelf hebben aangevoerd (MvA 2.75) dat Cogas c.s. het project Aphria-Nuuvera, dat betrekking had op medicinale cannabis, (alleen) heeft kunnen doen omdat dit project volledig door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde3] werd gedaan.
Bij deze stand van zaken kan het debat van partijen over de precieze inhoud van allerlei projecten (en of daar sprake was van pre-engineering en/of de teelt van medicinale cannabis) verder onbesproken blijven.
4.52
[geïntimeerden] c.s. hebben nog aangevoerd dat [naam8] van Cogas Zuid aan hen toestemming heeft gegeven voor het ten eigen bate verrichten van de pre-engineeringswerkzaamheden. [geïntimeerde1] heeft dat tijdens de mondelinge behandeling bij het hof ook verklaard. Cogas Zuid heeft dat echter gemotiveerd bestreden. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [naam8] ontkend dat hem om toestemming is gevraagd en ook dat hij toestemming heeft gegeven. Het hof zal [geïntimeerden] c.s., op wie de bewijslast van dit bevrijdende verweer rust, in de gelegenheid stellen te bewijzen dat aan hen toestemming is verleend om voor het project Magia Investment de pre-engineeringswerkzaamheden in hun eigen bedrijven te verrichten.
4.53
[geïntimeerden] c.s. hebben gelijk met hun betoog dat indien zij onzorgvuldig hebben gehandeld de schade van C-Grow door het mislopen van de betreffende werkzaamheden niet gelijk is aan de in verband met die werkzaamheden behaalde omzet van [geïntimeerde2] . Er dient ook rekening te worden gehouden met de kosten die zijn gemaakt om de werkzaamheden te kunnen verrichten. Omdat informatie over de kosten in het domein van [geïntimeerden] c.s. ligt, is het aan hen om daarover concrete informatie te verstrekken. Het hof stelt vast dat zij dat nog niet hebben gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde1] verklaard dat hij geen urenadministratie bijhield voor de uren die hij in [geïntimeerde2] verrichtte. Het zal dan ook naar verwachting niet gemakkelijk zijn om die informatie alsnog te verstrekken. Desalniettemin zal het hof [geïntimeerden] c.s. in de gelegenheid stellen om het hof bij akte te informeren over de kosten die zij hebben gemaakt ten behoeve van de opdracht van Grow In Consulting GmbH.
Pre-engineering - conclusie4.54 Het hof zal [geïntimeerden] c.s. in de gelegenheid stellen te bewijzen dat aan hen toestemming is verleend om voor het project Magia Investment de pre-engineeringswerkzaamheden in hun eigen bedrijven te verrichten. Bovendien krijgen [geïntimeerden] c.s. de gelegenheid om het hof te informeren over de kosten die zij hebben gemaakt ten behoeve van dit project. [17] Voor wat betreft de persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde1] geldt wat het hof daarover hiervoor bij de kwestie van de provisies heeft overwogen (zie 4.36).
Project Motoyama4.55 Bij het project Motoyama gaat het om een mogelijke opdracht van een Koreaanse klant, Green Plus ten behoeve van de uiteindelijke opdrachtgever Daisen. [geïntimeerde4] heeft in 2020 en begin 2021 ten behoeve van Cogas Korea gewerkt aan het project, dus ook nog nadat zijn arbeidsovereenkomst met Cogas Korea was geëindigd. [geïntimeerde1] is ook bij het project betrokken geweest. Cogas Korea heeft offertes uitgebracht. Na een bespreking tussen Cogas Korea (in de persoon van [geïntimeerde1] ), Daisen en Green Plus, waarin [geïntimeerde1] aangaf dat Cogas Korea niet tijdig zou kunnen leveren, heeft Green Plus laten weten dat zij de opdracht niet aan Cogas Korea zou gunnen. Green Plus is vervolgens in zee gegaan met [naam2] Agro, een zustervennootschap van de nieuwe werkgever van [geïntimeerde4] . [naam2] Agro heeft [geïntimeerde2] nadien € 41.250,-, te vermeerderen met btw, betaald in verband met dit project. Volgens Cogas Zuid hebben [geïntimeerde2] en [geïntimeerde4] ervoor gezorgd dat Green Plus de opdracht voor het project niet aan Cogas Korea maar aan [naam2] Agro heeft gegund. Zij hebben daarbij onjuiste informatie verstrekt aan Green Plus over de mogelijkheden van Cogas Korea om het project te realiseren en informatie van Cogas Zuid gebruikt om een concurrente offerte namens [naam2] Agro te kunnen doen. Cogas Zuid maakt aanspraak op de door Cogas Korea geleden schade vanwege het niet doorgaan van het project. Zij berekent die schade op een winstmarge van 21,34% van de omzet van € 825.000,-, dus € 176.055,-.
4.56
[geïntimeerden] c.s. bestrijden dat zij er de hand in hebben gehad dat Green Plus uiteindelijk voor [naam2] Agro heeft gekozen. Zij hebben juist heel veel inspanningen verricht om de opdracht voor Cogas Korea binnen te halen. Uiteindelijk heeft Green Plus volgens [geïntimeerden] c.s. toch voor [naam2] Agro gekozen, enerzijds omdat haar opdrachtgever Daisen graag zaken wilde blijven doen met [geïntimeerde4] , met wie zij een goede relatie had en daarom koos voor het bedrijf waar [geïntimeerde4] inmiddels voor werkte en anderzijds omdat Cogas Korea niet kon voldoen aan de door Green Plus gestelde levertermijn.
4.57
Het hof stelt voorop dat Cogas Zuid geen aanspraak maakt op vergoeding van de door [geïntimeerde2] van [naam2] Agro ontvangen provisie. Die theoretische grondslag voor vergoeding van een deel van het door Cogas Zuid gevorderde bedrag kan dan ook onbesproken blijven.
4.58
Het hof gaat er vanuit dat het [geïntimeerde4] , gelet op de in 3.7 weergegeven afspraak bij het einde van de arbeidsovereenkomst, vrij stond om bij [naam2] Installatietechniek B.V. in dienst te treden en dat hij klanten in Korea en Japan mocht bedienen; partijen lieten het aan die klanten - zoals Green Plus en Daisen - over of ze meegingen met [geïntimeerde4] of bij Cogas Korea zouden blijven. Het enkele feit dat [geïntimeerde4] betrokken is geweest bij de overeenkomst tussen Green Plus en [naam2] Agro betekent dan ook niet dat [geïntimeerde4] onzorgvuldig heeft gehandeld jegens Cogas Korea.
4.59
De bestuurder van Green Plus heeft in een schriftelijke verklaring van 20 februari 2023 van sales manager [naam12] van Green Plus, het volgende geschreven:

I remember that Daisen ordered the project (PJ543) to [naam2] for the following reasons.1. Daisen wanted to make a contract with a company where [geïntimeerde4] [hof: [geïntimeerde4] ] was.2. Cogas said they can not keep the delivery time which is requested by Daisen.The above two reasons are what I heard in some video meetings, but infortunately, there are no meeting minutes.
Deze verklaring biedt steun aan het verweer van [geïntimeerden] c.s. dat het de eigen keuze van Green Plus/Daisen was om niet met Cogas Korea, maar met [naam2] Agro in zee te gaan en dat [geïntimeerde4] en [geïntimeerde1] daar niet de hand in hebben gehad. In de verklaring geeft de sales manager twee redenen voor de beslissing van Daisen. De eerste reden - Daisen wilde alleen verder met [geïntimeerde4] - vindt het hof niet overtuigend. Uit de overgelegde stukken volgt dat Green Plus en Daisen er al in een e-mail van 3 december 2020 van [geïntimeerde1] van in kennis zijn gesteld dat [geïntimeerde1] (en dus niet [geïntimeerde4] ) van de zijde van Cogas Korea als projectmanager zou gaan optreden. Wanneer Daisen een sterke voorkeur zou hebben gehad voor [geïntimeerde4] ,valt zonder nadere toelichting, die niet gegeven is, niet in te zien waarom Daisen niet toen al de keuze heeft gemaakt om niet door te gaan met Cogas Korea, maar contact te zoeken met [naam2] Agro, de vennootschap waarbij [geïntimeerde4] inmiddels betrokken was. In dit kader is van belang dat er tijdsdruk op het project zat, zodat Daisen er geen belang bij had om nog langer met Cogas Korea op te trekken als zij toch liever met [naam2] Agro zaken wilde gaan doen.
De tweede reden is wel steekhoudend. Wanneer namens Cogas Korea is aangegeven dat Cogas Korea de door Daisen gewenste levertijd niet zou kunnen halen, is aannemelijk dat dit voor Daisen een reden is geweest om niet voor Cogas Korea te kiezen. [geïntimeerden] c.s. hebben
- onweersproken door Cogas Zuid - gesteld dat [geïntimeerde1] tijdens een Teams-vergadering op
16 maart 2021 met vertegenwoordigers van Daisen en Green Plus heeft gezegd dat Cogas Zuid de door Daisen gewenste uiterste levertermijn - week 27 van 2021 - niet zou kunnen halen.
4.6
Het hof vindt dan ook aannemelijk dat Green Plus en Daisen besloten hebben om de opdracht niet aan Cogas Zuid te verlenen omdat Cogas Zuid had aangegeven de gewenste levertermijn niet te zullen halen.
4.61
Volgens Cogas Zuid heeft [geïntimeerde1] tijdens de vergadering van 16 maart 2021 met Daisen en Green Plus ten onrechte gezegd dat Cogas Korea de levertermijn niet zou kunnen halen. Hij heeft Daisen en Green Plus volgens Cogas Zuid daarmee op het verkeerde been gezet, met de bedoeling om de deur te openen voor [naam2] Agro. Indien [geïntimeerde1] inderdaad ten onrechte heeft gezegd dat Cogas Korea de levertermijn niet kon halen, vindt het hof het voldoende aannemelijk dat deze onterechte gedane mededeling niet op een vergissing berustte, maar is gedaan is om het project aan Cogas Korea te onttrekken en onder te brengen bij [naam2] Agro. Dat verklaart dan ook waarom [geïntimeerde2] provisie heeft ontvangen van [naam2] Agro. [geïntimeerde1] heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor de grondslag van deze forse provisiebetaling, waarvan niet ter discussie staat dat die samenhangt met het project.
4.62
[geïntimeerden] c.s. hebben echter aangevoerd dat [geïntimeerde1] een gegronde reden had om tijdens de vergadering van 16 maart 2021 te laten weten dat Cogas Zuid de levertermijn niet zou kunnen halen. Volgens [geïntimeerden] c.s. had de heer [naam13 ] , technisch werkvoorbereider van Cogas hem laten weten dat de door Green Plus/Daisen gewenste planning niet haalbaar was. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [geïntimeerde1] verklaard dat hij kort voorafgaand aan de vergadering van de heer [naam14] van logistiek en planning van Cogas Korea had begrepen dat het niet mogelijk was op tijd te leveren. Van een onterecht gedane mededeling is volgens [geïntimeerden] c.s. om die reden geen sprake. [geïntimeerden] c.s. wijzen er in dat verband op dat het, gelet op de bekende levertijden voor het materiaal tot aan de haven (12 tot 16 weken) en vanaf de haven (6 tot 8 weken), op 16 maart 2021 ook niet mogelijk was om in week 37 te leveren. De eerst mogelijke levertermijn zou 20 juli 2021 zijn, twee weken later.
4.63
Cogas Zuid bestrijdt dat aan [geïntimeerde1] is verteld dat de levertermijn niet gehaald kon worden. De levertermijn was volgens haar wel degelijk haalbaar. Cogas Zuid bestrijdt ook dat het project voor haar geen prioriteit had. Dat had het vanwege de orderportefeuille in die periode juist wel. Zij beroept zich in dit verband onder meer op een schriftelijke verklaring van de heer [naam13 ] , technisch bedrijfsleider en lid van het MT, waaruit dat inderdaad volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam8] van Cogas verklaard zich niet te kunnen voorstellen dat [naam14] heeft gezegd dat Cogas de levertijd niet kan halen.
4.64
Uit het voorgaande volgt dat cruciaal is of [geïntimeerde1] tijdens de bespreking van 16 maart 2021 ten onrechte heeft aangegeven dat Cogas Zuid de levertermijn niet zou halen. Dat is het geval wanneer [geïntimeerde1] die mededeling op eigen initiatief heeft gedaan en niet op basis van informatie die hij van [naam13 ] en/of [naam14] heeft ontvangen, zelfs wanneer achteraf (want gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde1] dat zelf voorafgaand aan de vergadering had uitgezocht) kan worden vastgesteld dat de levertermijn inderdaad niet haalbaar was. Cogas Zuid, op wie op dit punt de bewijslast rust, heeft bewijs aangeboden (onder meer door het horen van de heer [naam13 ] ) als getuige. Het hof zal haar in de gelegenheid stellen te bewijzen dat [geïntimeerde1] op 16 maart 2021 ten onrechte (dus zonder dat hem dat tevoren door Cogas Zuid was duidelijk gemaakt) heeft meegedeeld dat de door Green Plus/Daisen gewenste levertijd niet haalbaar was.
4.65
[geïntimeerden] c.s. hebben gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde4] aanwezig was bij de vergadering van 16 maart 2021. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft Cogas Zuid haar stelling dat dit wel het geval is geweest onvoldoende onderbouwd. Daarmee wordt de feitelijke grondslag voor de vorderingen van Cogas Zuid op [geïntimeerde4] wel erg wankel. Indien [geïntimeerde4] de gestelde onjuiste mededeling niet zelf heeft gedaan, hij ook niet aanwezig was toen die mededeling werd gedaan en ook niet duidelijk is wat zijn betrokkenheid bij die mededeling was, is er onvoldoende houvast voor de stelling van Cogas Zuid dat hij en [geïntimeerde1] hebben samengespannen om het project bij Cogas Korea weg te halen. Dat [geïntimeerde4] een kwalijke rol zou hebben gespeeld, ligt toch al niet voor de hand, gelet op het feit dat hij
- onverplicht - na zijn vertrek bij Cogas Korea veel tijd heeft besteed aan het binnenhalen van het project door Cogas Korea. Als hij het project bij Cogas Zuid had willen weghalen, zou het voor de hand hebben gelegen dat hij Green Plus/Daisen al veel eerder vanuit zijn nieuwe functie bij [naam2] Agro zou hebben benaderd. De vorderingen tegen [geïntimeerde4] zijn gelet op dit alles dan ook niet toewijsbaar.
4.66
De slotsom betreffende het project Motoyama is dat voor wat betreft de vorderingen op [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] bewijslevering nodig is en dat de vorderingen tegen [geïntimeerde4] niet toewijsbaar zijn. [18]
Concurrentiebeding4.67 Cogas Zuid stelt dat [geïntimeerde2] het concurrentiebeding van artikel 10.1 uit de overeenkomst tussen partijen (zie 3.5) heeft geschonden. Volgens Cogas Zuid gaat het om een jarenlange en structurele schending, waarbij [geïntimeerde2] met in elk geval 15 (rechts)personen in meerdere projecten concurrerende handelingen heeft verricht. Daar komt [naam2] Agro, betreffende het project Motoyama, dan nog bij, zodat Cogas Zuid op een door [geïntimeerde2] verschuldigde boete van € 180.000,- uitkomt. In de procedure bij het hof heeft Cogas Zuid dit bedrag verminderd tot € 150.000,-.
4.68 Het hof begrijpt dat de (oorspronkelijke) 15 (rechts)personen de (rechts)personen zijn van wie [geïntimeerde2] volgens de analyse door Cogas Zuid van het liquiditeitenoverzicht betalingen zou hebben ontvangen. Wat daar ook van zij, van al deze 15 (rechts)personen geldt dat het relaties (klanten of leveranciers) van Cogas Zuid zijn. Dat is alleen anders voor [naam2] Agro en [naam2] . [naam2] Agro is een rechtstreekse concurrent van Cogas Zuid. [naam2] is de dga van [naam2] Agro. Dat bij het project Motoyama niet Cogas Zuid maar Cogas Korea de beoogde contractspartij zou zijn, doet daaraan niet af.
4.69
Het concurrentiebeding verbiedt [geïntimeerde2] om gedurende de looptijd van de overeenkomst direct of indirect betrokken te zijn “bij concurrerende ondernemingen van” Cogas Zuid. Het beding ziet, in tegenstelling tot het relatiebeding van artikel 10 lid 2, dat betrekking heeft op de periode na beëindiging van de overeenkomst, niet op leveranciers en klanten van Cogas Zuid. Het hof volgt Cogas Zuid niet in het betoog dat het verbod van artikel 10 lid 1, waarop zij haar vordering baseert, ook betrekking heeft op leveranciers en klanten. De leden 1 en 2 van artikel 10 maken juist uitdrukkelijk onderscheid tussen concurrenten (geregeld in 10 lid 1) en klanten en leveranciers (geregeld in 10 lid 2) van Cogas Zuid. De uitleg van Cogas Zuid is met dit expliciet in de tekst van het beding vastgelegde onderscheid niet te rijmen. Cogas Zuid heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat [geïntimeerde2] redelijkerwijs desalniettemin mocht verwachten dat zij een boete verschuldigd zou zijn wanneer zij gedurende de looptijd van de overeenkomst betrokken was bij leveranciers en klanten van Cogas Zuid.
4.7
[geïntimeerde2] is voor haar betrokkenheid bij [naam2] Agro in het project Motoyama een boete verschuldigd van € 10.000,-. Volgens Cogas Zuid heeft [geïntimeerde2] niet alleen betreffende dit project provisie ontvangen van [naam2] Agro, maar heeft zij daarnaast
€ 15.959,92 ontvangen. [geïntimeerden] c.s. hebben deze betaling gemotiveerd betwist. Cogas Zuid heeft haar stelling dat de betaling, als die heeft plaatsgevonden, betrekking heeft op een activiteit van [geïntimeerde2] in strijd met het concurrentiebeding geen handen en voeten gegeven, zodat haar vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd is.
4.71
[geïntimeerden] c.s. hebben erkend dat [geïntimeerde2] € 75.000,- hebben ontvangen van [naam2] . Het betreft volgens hen een geldlening die [geïntimeerde2] op 1 maart 2022 heeft afgesloten bij [naam2] HIG B.V. [geïntimeerden] c.s. hebben in dit verband een (niet ondertekende onderhandse akte van geldlening overgelegd. Cogas Zuid heeft niets aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat de betaling van [naam2] op iets anders ziet dan op de gestelde overeenkomst van geldlening. Cogas Zuid heeft niet onderbouwd dat het aangaan van een overeenkomst van geldlening valt onder het bereik van het concurrentiebeding.
4.72
De conclusie van het voorgaande is dat [geïntimeerde2] alleen voor haar betrokkenheid bij [naam2] Agro in het kader van het project Motoyama een boete van
€ 10.000,- verschuldigd is. De vordering van Cogas Zuid is in zoverre wel toewijsbaar. [19]
Vordering tot openlegging boeken4.73 Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de voorwaardelijk ingestelde incidentele vordering vooralsnog niet toewijsbaar is (en in de procedure bij de rechtbank niet toewijsbaar was) wegens gebrek aan belang bij deze vordering. [20]
Kosten rapport Ebben4.74 Omdat pas na bewijslevering een definitief oordeel kan worden gegeven over de aansprakelijkheid van en/of de omvang van de vordering op [geïntimeerde2] , [geïntimeerde1] en/of [geïntimeerde3] kan het hof nog niet beslissen op de vordering tot vergoeding van de kosten van het rapport van Ebben. Het hof merkt op voorhand op dat de ‘dubbele redelijkheid’ doorslaggevend is en dat er voor wat betreft de tweede redelijkheidstoets (betreffende de omvang van de kosten) wel kritische vragen zijn te stellen bij de omvang van de kosten, zeker in relatie tot de kwaliteit van het rapport, de wijze waarop het is tot stand gekomen en de mate waarin het heeft bijgedragen aan het verkrijgen van duidelijkheid over het bestaan en de omvang van de vorderingen van Cogas Zuid.
Hoe nu verder?4.75 Uit het voorgaande volgt dat het hof ten aanzien van de vorderingen op [geïntimeerde2] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde3] nog geen eindbeslissing kan geven. Vaststaat dat [geïntimeerde2] in elk geval € 50.000,- wegens de provisievordering en € 10.000,- wegens schending van het concurrentiebeding verschuldigd is. Om te kunnen vaststellen of de vorderingen tegen [geïntimeerde2] , [geïntimeerde1] en/of [geïntimeerde3] vanwege de pre-engineering en tegen [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] betreffende het project Motoyama toewijsbaar zijn, is bewijslevering noodzakelijk. De vorderingen tegen [geïntimeerde4] zijn niet toewijsbaar. Het hof ziet (ook gelet op de ten laste van [geïntimeerde4] gelede beslagen, die nog steeds niet zijn opgeheven) reden om het vonnis van de rechtbank betreffende [geïntimeerde4] te bekrachtigen, behoudens ten aanzien van de proceskosten (omdat de beslissing daarover samenhangt met de beslissingen in het geschil tussen Cogas Zuid en de andere geïntimeerden).
4.76
Omdat het hof op een aantal geschilpunten wel knopen heeft doorgehakt en bewijslevering op de resterende punten de nodige tijd, kosten en moeiten met zich brengt terwijl de uitkomst onvoorspelbaar is, geeft het hof partijen in overweging alsnog te proberen een minnelijke regeling te treffen. Om die reden zal het hof de zaak op een wat langere termijn dan gebruikelijk verwijzen naar de rol voor opgave verhinderdata met het oog op de getuigenverhoren. Als partijen dan geen overeenstemming hebben bereikt, dienen [geïntimeerden] c.s. dan ook de akte over de gemaakte kosten betreffende de pre-engineering te nemen (zie 4.53).

5.De beslissing

Het hof:
In het geschil tussen Cogas Zuid en [geïntimeerde4] :5.1 bekrachtigt het vonnis van de rechtbank tot afwijzing van de vordering van Cogas Zuid op [geïntimeerde4] .
5.2
houdt de beslissing over de proceskostenveroordeling in beide instanties aan.
In het geschil tussen Cogas Zuid, [geïntimeerde2] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde3] :
5.3
laat [geïntimeerde2] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde3] toe te bewijzen dat aan hen toestemming is verleend om voor het project Magia Investment de pre-engineeringswerkzaamheden in hun eigen bedrijven te verrichten.
5.4
laat Cogas Zuid toe om te bewijzen dat [geïntimeerde1] op 16 maart 2021 ten onrechte (zonder dat hem dat door Cogas Zuid tevoren was duidelijk gemaakt) heeft meegedeeld dat de door Green Plus/Daisen gewenste levertijd niet haalbaar was.
5.5
Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. H. de Hek de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan het Wilhelminaplein 1 in Leeuwarden. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
5.6
Bepaalt dat eerst de getuigen ten aanzien van de in 5.3 vermelde bewijsopdracht worden gehoord en vervolgens die ten aanzien van de in 5.4 vermelde bewijsopdracht.
5.7
Partijen moeten op
dinsdag 12 januari 2026laten weten hoeveel getuigen zij elk willen laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
5.8
Partijen moeten de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij/wederpartijen en de griffier van het hof opgeven.
5.9
Een partij die met het oog op de getuigenverhoren nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie sturen.
5.1
[geïntimeerden] c.s. dienen op
dinsdag 13 januari 2026een akte als bedoeld in 4.53 te nemen. Cogas Zuid zullen na de getuigenverhoren ook op deze akte mogen reageren.
5.11
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M. Willemse en P.S. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
25 november 2025.

Voetnoten

2.Bij de bespreking van grief 1, die zich richt tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, heeft Cogas om die reden geen belang.
3.Bij de bespreking van de grieven 2 tot en met 4, die zich richten tegen de weergave door de rechtbank van de standpunten van partijen, heeft Cogas geen belang. Het hof zal voor zover nodig bij de bespreking van de geschilpunten rekening houden met wat partijen bij deze grieven hebben aangevoerd.
5.De grieven 5 t/m 8 falen.
6.De Hoge Raad heeft dat uitdrukkelijk uitgemaakt voor een makelaar, en die norm gekoppeld aan 7:401 BW. Zie HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:567.
7.Vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zie bijvoorbeeld HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355, met een samenvatting van eerdere rechtspraak
8.Zie ook HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388 (SEG/De Vrij).
9.HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0893. Overigens is het hof ermee bekend dat in recentere literatuur wel wordt betoogd dat voor een succesvolle vordering tot winstafdracht de benadeelde partij niet altijd schade hoeft te hebben geleden.
10.HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0893.
11.DD IX 34 e.v., prod. 45 bij akte 11-03-2024.
12.Zie pleitnotities mr. Mulders nrs. 36-38, met verwijzing naar facturen.
13.HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628.
14.Grief 16 faalt.
15.Grief 14 slaagt deels.
16.Gelet op dit oordeel heeft Cogas Zuid geen belang bij de bespreking van grief 10.
17.De verdere bespreking van de grieven 11 tot en met 13 en 15 wordt aangehouden.
18.Grief 18 faalt voor wat betreft de positie van [geïntimeerde4] en wordt aangehouden voor wat betreft de positie van [geïntimeerde2]
19.Grief 17 slaagt (zeer) gedeeltelijk.
20.De bespreking van grief 19 wordt aangehouden voor wat betreft de afwijzing van de voorwaardelijke incidentele vordering.