Belanghebbende exploiteert een smartshop die sclerotia verkoopt, ook wel magische truffels genoemd, welke hallucinogene stoffen bevatten maar niet onder de Opiumwet vallen. Over het vierde kwartaal van 2019 heeft belanghebbende omzetbelasting voldaan tegen het algemene tarief en hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur wees het bezwaar af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het geschil betreft de vraag of sclerotia als voedingsmiddelen kunnen worden aangemerkt en daarmee onder het verlaagde btw-tarief vallen. Het hof overweegt dat sclerotia vanwege de hallucinogene stoffen slechts in beperkte mate geconsumeerd kunnen worden, waardoor de hoeveelheid voedingsstoffen te verwaarlozen is. Het product wordt geconsumeerd vanwege de hallucinogene werking en niet vanwege voedingsstoffen, waardoor het niet als voedingsmiddel kan worden aangemerkt.
Belanghebbende voerde aan dat microdoseringen van sclerotia wel het verlaagde tarief zouden moeten krijgen, maar het hof acht dit niet aannemelijk voor het tijdvak en oordeelt dat ook dan het verlaagde tarief niet van toepassing is. Daarnaast is het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel verworpen, omdat het standpunt van de inspecteur consistent was met de geldende rechtspraak en regelgeving.
Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen griffierecht of proceskosten toegewezen.