ECLI:NL:HR:2015:1671

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2015
Publicatiedatum
17 juni 2015
Zaaknummer
14/02306
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 letter a Wet OB 1968Art. 9 lid 2 letter b Wet OB 1968Post a.1 tabel I Wet OB 1968Post a.3 tabel I Wet OB 1968Post a.41 tabel I Wet OB 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verlaagd btw-tarief voor paddenstoelensporen in kweekvloeistof

Belanghebbende produceert en levert kweekvloeistof met sporen van psilocybe paddenstoelen, verpakt in injectiespuiten, bestemd voor de teelt van deze paddo's. Het geschil betrof het toepasselijke btw-tarief: verlaagd of algemeen.

Het Hof oordeelde dat het algemene tarief van toepassing was, omdat paddo's niet als eetwaren voor menselijke consumptie gelden en de vloeistof niet onder de relevante tabelposten viel. De Hoge Raad stelt echter vast dat paddo's wel als eetbare voedingsmiddelen moeten worden aangemerkt, ondanks hun hallucinerende werking.

Verder kwalificeert de Hoge Raad de sporen als land- en tuinbouwzaden die onder het verlaagde tarief vallen volgens de Wet OB. Dit geldt ook al is de levering aan niet-landbouwers en zijn de paddenstoelen verboden krachtens de Opiumwet. De naheffingsaanslag en heffingsrente worden vernietigd en de zaak wordt door de Hoge Raad zelf afgedaan.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de naheffingsaanslag en bevestigt dat de levering van kweekvloeistof met paddenstoelensporen onder het verlaagde btw-tarief valt.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 14/02306
19 juni 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 27 maart 2014, nr. 13/00488, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/5781) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 juni 2009 tot en met 31 december 2009 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende produceert en levert onder meer kweekvloeistof ten behoeve van het kweken van psilocybe paddenstoelen (hierna: paddo’s). Hij schaft daartoe sporen aan van diverse soorten paddo’s. Hij vermengt deze sporen met gesteriliseerd kraanwater en verpakt het aldus ontstane product (hierna: de kweekvloeistof) in een injectiespuit. Deze injectiespuit met daarin de kweekvloeistof wordt vervolgens door belanghebbende verkocht. De afnemer moet de kweekvloeistof uit de injectiespuit in een voedingsbodem injecteren en onder de juiste condities verzorgen. Na ongeveer een maand ontstaat een schimmelachtige substantie (mycelium), waaruit paddo's groeien.
2.2.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende ter zake van de levering van de (injectiespuiten met) kweekvloeistof omzetbelasting is verschuldigd naar het verlaagde dan wel het algemene tarief.
Het Hof heeft geoordeeld dat het algemene tarief van toepassing is. Het Hof heeft daartoe onder meer geoordeeld dat de kweekvloeistof niet kan worden gerangschikt onder post a.41 van tabel I, behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB), omdat - aldus het Hof - de kweekvloeistof is bestemd voor de teelt van paddo's en paddo's niet zijn aan te merken als eetwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie in de zin van post a.1 van tabel I.
De klachten zijn onder meer tegen de hiervoor omschreven oordelen van het Hof gericht.
2.3.1.
Tot de in post a.1 van tabel I vermelde voedingsmiddelen behoren mede de in post a.3 van die tabel genoemde “groenten” en “fruit”. Onder deze laatstvermelde begrippen dienen onder meer te worden begrepen voor menselijke consumptie bestemde (dat wil zeggen eetbare) paddenstoelen. Tot post a.3 moet voorts worden gerekend het zogeheten broed waaruit voor menselijke consumptie bestemde paddenstoelen groeien (zie HR 19 december 2014, nr. 13/01817, ECLI:NL:HR:2014:3613, BNB 2015/67).
2.3.2.
Op grond van de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding wordt aangenomen dat tussen partijen niet in geschil is dat paddo's eetbaar zijn. Hiervan uitgaande brengt het hiervoor in 2.3.1 overwogene mee dat paddo's zijn aan te merken als voedingsmiddelen in de zin van post a.1 van tabel I. De omstandigheid dat paddo's vanwege hun hallucinerende werking als genotmiddel plegen te worden geconsumeerd, doet daaraan niet af (zie het hiervoor in 2.3.1 aangehaalde arrest, onderdeel 2.3.4).
2.3.3.
Eetbare paddenstoelen behoren tot de in post a.1 van tabel I vermelde voedingsmiddelen. Sporen van paddenstoelen zijn gelijk te stellen aan plantenzaden. Ingevolge artikel 9, lid 2, letter b, van de Wet OB in samenhang gelezen met post a.41 van tabel I is het verlaagde tarief van toepassing op land- en tuinbouwzaden voor zover dienende voor de teelt van de in die tabel vermelde producten. Voor de kweek van eetbare paddenstoelen bestemde sporen moeten op grond van dit een en ander worden aangemerkt als in post a.41 van tabel I bedoelde land- en tuinbouwzaden. Dit is, zoals volgt uit het hiervoor in 2.3.1 en 2.3.2 overwogene, niet anders voor sporen van paddo’s. Hieraan doet niet af dat de sporen zijn vermengd met water en zijn verpakt in een injectiespuit noch dat, zoals het Hof terecht heeft overwogen, de levering geschiedt aan anderen dan landbouwers. Evenmin doet daaraan af dat de sporen dienen voor de teelt van paddenstoelen die met ingang van 1 december 2008 zijn opgenomen in Bijlage I, Lijst II, bij de Opiumwet. Mitsdien is de levering van de kweekvloeistof onderworpen aan het verlaagde tarief.
2.4.
Op grond van hetgeen hiervoor in 2.3.3 is overwogen, slagen de klachten voor zover zij zijn gericht tegen 's Hofs hiervoor in 2.2 omschreven oordelen. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de heffingsrente,
vernietigt de uitspraken van de Inspecteur betreffende de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de heffingsrente,
vernietigt de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de heffingsrente,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 246, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2015.