Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
subsidiairte beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen, die gezamenlijk gezag hebben over hun minderjarige kind, zijn verwikkeld in een langdurige procedure over de zorg- en informatieregeling. De man vorderde in kort geding dat de vrouw verplicht zou worden de DigiD-gegevens van de minderjarige aan hem te verstrekken, wat door de voorzieningenrechter werd afgewezen. In hoger beroep vorderde de man vernietiging van dit vonnis en alsnog toewijzing van zijn verzoek, al dan niet met een dwangsom.
Het hof overweegt dat de voorlopige voorzieningenrechter een ruime beoordelingsvrijheid heeft om een voorziening te weigeren indien de zaak niet voldoende is toegelicht voor een kort geding. De bodemprocedure waarin de zorgregeling wordt behandeld is nog niet afgerond en er is geen spoedeisend belang aangetoond dat een kort geding vereist maakt. De vermeerdering van eis door de man wordt geaccepteerd als niet strijdig met de goede procesorde, maar de gevraagde voorziening wordt alsnog geweigerd.
Het hoger beroep wordt verworpen, de kosten worden gecompenseerd zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Hiermee blijft het vonnis van de voorzieningenrechter in stand dat de vrouw niet hoeft mee te werken aan het verstrekken van de DigiD-gegevens van de minderjarige.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de gevraagde voorziening wordt geweigerd; partijen dragen ieder hun eigen kosten.