Belanghebbende was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2014 en maakte bezwaar tegen de aanslag en de belastingrente. De rechtbank Gelderland had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd. Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het geschil betrof de vraag of de onroerende zaak, een driekamerappartement gekocht in 2014 en mede-eigendom van belanghebbende en zijn ex-partner, tot het ondernemingsvermogen kon worden gerekend. Het hof overwoog dat een woonhuis in principe tot het privévermogen behoort, tenzij het mede dienstbaar is aan de bedrijfsuitoefening en binnen redelijke grenzen. Het hof vond dat belanghebbende onvoldoende had onderbouwd dat de onroerende zaak zodanig werd gebruikt voor zijn adviespraktijk.
Daarnaast faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat de Inspecteur de aangifte van 2013 niet had gecontroleerd en er geen bijkomende omstandigheden waren die vertrouwen rechtvaardigden. Ook de proceskostenvergoeding werd door het hof beperkt tot één uur, conform de rechtbank. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.