Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof
aldaarvan 8 Februari 1962 betreffende den aan hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1958;
Hoge Raad
Belanghebbende was huurder en exploitant van een herenmodemagazijn in een pand met drie bovenwoningen. Uit vrees voor opzegging van de huur kocht hij het pand inclusief de bovenwoningen in 1957. Het Hof oordeelde dat het gehele pand tot het bedrijfsvermogen moest worden gerekend, omdat de winkelruimte essentieel was voor het bedrijf, en dat splitsing in privé- en bedrijfsvermogen niet mogelijk was omdat het pand slechts als geheel te koop stond.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte geen rekening hield met zijn keuze om het pand tot privévermogen te rekenen, zoals hij ook in 1957 had gedaan en waar de Inspecteur toen mee had ingestemd. De Hoge Raad overwoog dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de bovenwoningen niet tot het privévermogen konden behoren, vooral omdat deze verhuurd waren en niet aan de bedrijfsvoering dienstbaar waren.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het Hof voor verdere behandeling en beslissing, met inachtneming van het arrest. Hiermee werd bevestigd dat de wil van de belastingplichtige doorslaggevend is, tenzij deze grenzen van redelijkheid overschrijdt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van dit arrest.