Appellant sloot in 1999 een kredietovereenkomst met DSB Bank en stopte later met betalingen, waardoor een bedrag opeisbaar werd. Na het faillissement van DSB werd een collectieve regeling getroffen voor compensatie van consumenten die slachtoffer waren van overkreditering en woekerpolissen. Appellant maakte aanspraak op compensatie, maar kon onvoldoende onderbouwen dat hij recht had op vermindering van zijn schuld.
De rechtbank wees de vordering van de curatoren toe. In hoger beroep betwistte appellant dit oordeel en voerde aan dat zijn inkomen in 2001 lager was, wat tot een hogere overkreditering zou leiden. Het hof oordeelde dat de curatoren hun berekeningen voldoende hadden toegelicht en appellant onvoldoende had onderbouwd waarom deze onjuist zouden zijn.
Het hof onderzocht ambtshalve of het eenzijdig rentewijzigingsbeding in de kredietovereenkomst oneerlijk was, maar oordeelde dat vanwege de algemeen verbindend verklaarde collectieve regeling een dergelijke toetsing in deze individuele procedure niet aan de orde was. Het hoger beroep faalt en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.