Appellanten sloten in 2004 een kredietovereenkomst met IDM, waarbij een doorlopende lening van maximaal €35.000 werd verstrekt tegen een effectieve rente van 9,9%. In de algemene voorwaarden was een beding opgenomen dat IDM de kredietvergoeding eenzijdig kon wijzigen, zonder dat de gronden of het mechanisme daarvoor duidelijk waren omschreven.
In hoger beroep werd het eenzijdig wijzigingsbeding getoetst aan Richtlijn 93/13/EEG en het Burgerlijk Wetboek. Het hof stelde vast dat het beding niet transparant was en dat de consument niet kon inschatten welke financiële gevolgen de wijziging zou hebben. Dit beding verstoorde het evenwicht tussen partijen aanzienlijk ten nadele van de consument en was daarmee oneerlijk.
Het hof vernietigde het eenzijdig wijzigingsbeding en bepaalde dat de kredietvergoeding ongewijzigd op 9,9% blijft. De zaak werd terugverwezen voor nadere berekening van de vordering met inachtneming van deze vaststelling. Andere grieven van appellanten werden afgewezen. Het hof wees tevens het beroep van Hoist op klachtplicht, rechtsverwerking en verjaring af.