Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
16 augustus 2019
Beslissing van de derde meervoudige belastingkamer
[Z](hierna: belanghebbende)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende wordt vertegenwoordigd door [B], bestuurder van [A] BV, die in meerdere procedures inzake BPM-belastingzaken optrad. Het Hof heeft zich herhaaldelijk gestoord aan het grove, beledigende taalgebruik van [B] in processtukken, waarin hij onder meer de Hoge Raad, het Gerechtshof Amsterdam, de Rechtbank, ambtenaren en Nederland zelf op zeer grievende wijze beschuldigt en beledigt.
Ondanks waarschuwingen heeft [B] zijn taalgebruik niet aangepast en zelfs in stukken voor zittingen van augustus 2019 zijn grove uitlatingen voortgezet. Het Hof heeft daarom besloten geen kennis te nemen van deze stukken en [B] een laatste waarschuwing gegeven. [B] reageerde met verwijzingen naar het Handvest van de grondrechten van de EU en stelde dat het Hof zijn bevoegdheid zou misbruiken.
Het Hof oordeelt dat het weigeren van [B] en [A] BV als gemachtigde in deze procedure gerechtvaardigd is op grond van artikel 8:25 Awb Pro, ter bescherming van de normale gang van zaken en de belangen van procespartijen. Dit betekent niet dat belanghebbende het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd, maar dat zij een andere gemachtigde kan aanwijzen.
De zittingen van 8 en 14 augustus 2019 zijn uitgesteld. Het Hof stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen. Tegen deze tussenuitspraak staat geen zelfstandig beroep open, maar kan alleen in cassatie worden opgekomen gelijktijdig met de einduitspraak.
Uitkomst: Het Hof weigert gemachtigde [B] en zijn BV als vertegenwoordiger van belanghebbende wegens structureel beledigend taalgebruik en stelt belanghebbende in staat een andere gemachtigde aan te wijzen.