ECLI:NL:GHAMS:2026:1923

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
24/3413
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VwEUArt. 267 VwEUArt. 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 19a Wet bpm 1992
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag bpm wegens te hoge historische nieuwprijs

Belanghebbende diende een aangifte bpm in voor een gebruikte VW Polo uit een andere EU-lidstaat. De inspecteur legde een naheffingsaanslag bpm op wegens afwijkingen in de historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende wel immateriële schadevergoeding en proceskosten toe.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat de naheffingsaanslag onterecht was vastgesteld en dat de inspecteur onjuiste puntwaarden hanteerde voor kostenvergoeding. Het hof oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was verminderd met €23 vanwege een te hoge historische nieuwprijs, maar dat de handelsinkoopwaarde niet verlaagd hoefde te worden. De inspecteur had onvoldoende onderbouwd dat een hogere handelsinkoopwaarde gerechtvaardigd was.

Verder wees het hof klachten over schending van het Unierecht af, waaronder het verdedigingsbeginsel en het verzoek om prejudiciële vragen aan het HvJ EU. Het hof stelde de kostenvergoedingen voor bezwaar en proceskosten hoger vast dan de inspecteur had toegekend. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het beroep ongegrond werd verklaard, en de naheffingsaanslag verminderd tot €2.521.

Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd tot €2.521 en de inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3413
9 juli 2026
uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[A], wonende te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraak van 21 juni 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/6708 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en

1.de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en

2.
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) en een beschikking belastingrente, alsmede op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:
“De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van de immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 917;
  • veroordeelt [de Staat] tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.083;
  • veroordeelt [de inspecteur] in de helft van de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 109,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt [de Staat] in de helft van de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 109,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • draagt [de inspecteur] op de helft van het betaalde griffierecht, oftewel een bedrag van € 90,50, aan [belanghebbende] te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • draagt [de Staat] op de helft van het betaalde griffierecht, oftewel een bedrag van € 90,50, aan [belanghebbende] te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.”
1.2.
In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:
  • een beroepschrift door belanghebbende;
  • een verweerschrift door de inspecteur;
  • nadere stukken door belanghebbende op 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 28 april 2026 (“algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek), 1 mei 206 (“pleitnota”) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”), en
  • een nader stuk door de inspecteur op 30 april 2026.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 12 september 2019 een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte VW Polo 2.0 TSI GTI uit een andere EU-lidstaat (hierna: de auto).
2.2.
In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens over de auto vermeld:
Datum eerste toelating
2 januari 2019
CO2-uitstoot
141 g/km
Bruto bpm
€ 8.136
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 19.685
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 31.396
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 5.450
Verschuldigde bpm
€ 1.411
2.3.
Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] ( [X] BV) van 12 september 2019. In dat rapport is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 5 september 2019 en dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto € 17.648 is, bepaald door vergelijking met geadverteerde verkoopprijzen van vier referentievoertuigen onder aftrek van een marge. Het taxatierapport bevat daarnaast een schadecalculatie tot een bedrag van € 16.937 (inclusief btw) en diverse foto’s.
2.4.
De auto is op 19 september 2019 geschouwd bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ van de schouw zijn de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 22.524
Historische nieuwprijs
€ 34.830
Handelsinkoopwaarde onbeschadigd (o.b.v. koerslijst XRAY)
€ 19.655
Waardevermindering door schade
€ 2.374 (82% van € 2.881 gecalculeerde schade)
Handelsinkoopwaarde
€ 17.281
2.5.
Op een verzoek van de inspecteur tot het toesturen van de aankoopfactuur en reparatienota’s betreffende de auto, heeft belanghebbende een factuur gestuurd van een bedrijf in Nederland ( [Y] uit Amsterdam) waarop voor de auto € 18.000 aan haar in rekening is gebracht (€ 20.000 minus een afslag van € 2.000 voor lakschade). Verder heeft belanghebbende schriftelijk verklaard dat een vriend de auto heeft gerepareerd en dat zij voor spuiten benodigde verf zelf heeft moeten kopen.
2.6.
Bij brief van 20 maart 2020 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om voor de auto bpm na te heffen, conform de afwijkende gegevens die DRZ heeft verstrekt en uitgaande van een verschuldigde bpm van € 4.036. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de in die brief geboden gelegenheid tot reageren binnen drie weken.
2.7.
Met dagtekening 22 mei 2020 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd, met een te betalen bedrag van € 2.625 (€ 4.036 -/- € 1.411), en daarbij € 17 belastingrente in rekening gebracht.
2.8.
Bij uitspraak op bezwaar van 3 augustus 2020 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.583 (en tot € 16 belastingrente) in verband met het alsnog toepassen van het bpm-tarief voor het jaar 2018 (leidend tot een verschuldigde bpm van € 3.995). Daarbij heeft de inspecteur een vergoeding van proceskosten toegekend van € 530 (2 punten, waarde per punt € 265 en wegingsfactor 1).

3.Geschil in hoger beroep

Net als in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag, als verminderd in bezwaar, terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Daarnaast is in geschil of de inspecteur in de uitspraak op bezwaar is uitgegaan van de juiste puntwaarde voor het bepalen van de te vergoeden kosten en of de nevenbeslissingen in de bestreden uitspraak toereikend zijn.

4.Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel
4.1.
De klacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op grond van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, faalt. Belanghebbende is in de kennisgeving van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen in de gelegenheid gesteld zich binnen drie weken uit te laten over de feiten waarop de inspecteur dat voornemen baseerde, maar heeft die gelegenheid niet benut. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat de inspecteur belanghebbende nader of anders de gelegenheid had moeten bieden om te worden gehoord uit het oogpunt van waarborging van de effectieve mogelijkheid om zich uit te spreken over het voornemen en het bewijs waarop dat voornemen was gestoeld.
Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag
4.2.
Belanghebbende klaagt wel terecht over de hoogte van de naheffingsaanslag, omdat een hogere historische nieuwprijs in aanmerking komt. Uitgaande van de netto catalogusprijs van de auto van € 22.524, 21 percent omzetbelasting daarover en een bruto bpm op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen van € 8.136, moet van een historische nieuwprijs van € 35.390 worden uitgegaan.
4.3.1.
Daarentegen hoeft de handelsinkoopwaarde niet te worden verlaagd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde van de auto lager is dan de individueel getaxeerde waarde van € 17.281. Tot een ander oordeel leidt niet de omstandigheid dat tot de stukken van het geding een koerslijst van Eurotax behoort die voor een referentievoertuig met een iets lagere nieuwprijs een lagere waarde weergeeft dan de door DRZ en de inspecteur voor de individuele taxatie als uitgangspunt aanvaarde koerslijst van XRAY, althans als bijstellingen voor marktsituatie en dealersituatie alsnog worden toegepast. Ook al omdat de prijs van € 18.000
exclusief bpmdie belanghebbende heeft betaald voor de aankoop van de auto in Nederland niet indiceert dat de waarde van € 17.281 te hoog is.
4.3.2.
Evenmin slaagt het standpunt van de inspecteur dat van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan, zodanig dat de relatieve afschrijving van de auto, ondanks de hogere historische nieuwprijs (zie 4.2), gelijk blijft. Anders dan de inspecteur heeft betoogd, betekent een hogere historische nieuwprijs namelijk niet noodzakelijk ook een hogere restwaarde. Dat geldt in het bijzonder wanneer de hogere historische nieuwprijs enkel is terug te voeren op een (iets) hogere bruto bpm als gevolg van een (iets) hogere CO2-uitstoot. Het kan anders liggen wanneer een hogere CO2-uitstoot verband houdt met, bijvoorbeeld, extra opties, maar dan zou ook een hogere netto catalogusprijs worden verwacht en daardoor een nog hogere historische nieuwprijs. Het had, hoe dan ook, op de weg van de inspecteur gelegen nader te substantiëren dat de op zijn verzoek na de schouw bij DRZ toegevoegde koerslijstwaarde van XRAY toch niet goed de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat weergeeft, of althans dat de handelsinkoopwaarde van de auto meer zou belopen dan € 17.281. De enkele stelling dat de hogere CO2-uitstoot van de auto wel moet zijn terug te voeren op meer opties die zich tevens vertalen in een hogere handelsinkoopwaarde, acht het Hof niet toereikend.
4.3.3.
Voorts faalt het standpunt van de inspecteur dat de vermindering van de bruto bpm bij nader inzien moet worden vastgesteld op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het taxatierapport bij de aangifte niet kan dienen vanwege de daaraan klevende tekortkomingen. Daarmee miskent de inspecteur echter dat in het wettelijk stelsel de taxatiemethode niet zonder meer een gepasseerd station is als in een taxatierapport bij een aangifte bpm is uitgegaan van onvolledige, onjuiste of verkeerde gegevens. Immers, ook al is een dergelijk taxatierapport dan in zoverre niet bruikbaar, toch kan de inspecteur besluiten een naheffingsaanslag op te leggen die – rekening houdend met de wel bruikbare gegevens – op een taxatiewaarde is gebaseerd (vgl. HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.6). Nu de inspecteur dat in dit geval heeft gedaan, en hij bovendien niets heeft gesteld dat meebrengt dat de door hem zelf gehanteerde taxatiewaarde toch niet kan dienen, is het niet gerechtvaardigd om alsnog op de forfaitaire afschrijvingstabel terug te vallen.
4.4.
Gelet op het vorenoverwogene bedraagt de verschuldigde bpm voor de registratie van de auto € 3.932 (17.281 / 35.390 * € 8.054). De naheffingsaanslag moet – met € 23 – worden verminderd tot € 2.521 (€ 3.932 ‑/‑ € 1.411).
Ten aanzien van de kosten voor de behandeling van het bezwaar
4.5.
Belanghebbende klaagt terecht dat de inspecteur de forfaitair bepaalde kosten voor de behandeling van het bezwaar ten onrechte heeft vastgesteld uitgaande van de lage waarde per punt (vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752). Het Hof zal de kostenvergoeding voor de bezwaarfase nader vaststellen op € 1.332. Daarbij zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als de inspecteur over het aantal punten en de wegingsfactor en is uitgegaan van een waarde per punt van € 666. Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding, ook niet op grond van het Unierecht, reeds omdat niet is gesteld dat belanghebbende meer kosten heeft gemaakt.
Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade
4.6.
De klacht dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding van immateriële schade dan de rechtbank heeft toegekend, faalt eveneens. Anders dan belanghebbende in wezen betoogt, impliceert de omstandigheid dat de toegekende vergoeding van immateriële schade minder zou belopen dan de bedragen die het EHRM in vergelijkbare gevallen heeft toegekend, niet zonder meer dat geen effectieve remedie is geboden tegen overschrijding van de redelijke termijn (zie EHRM 17 juli 2008, Kaić e.a. t. Kroatië, nr. 22014/04, punt 39). De door belanghebbende aangevoerde algemeenheden rechtvaardigen mede in dat licht niet de slotsom dat de toegekende vergoeding van immateriële schade ontoereikend is.
Ten aanzien van de overige klachten
4.7.
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 6 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak.
4.8.
Wel ziet het Hof aanleiding om voor diverse standpunten van (de gemachtigde van) belanghebbende te verduidelijken waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.
Standpunt:De nationale rechter is niet bevoegd om uitleg te geven aan (de draagwijdte en de betekenis van) het Unierecht, (mede) door het bepaalde in artikel 267 van Pro het VwEU en artikel 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
Reden:Zie de rechtsoverwegingen 3.7.1 tot en met 3.7.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, en de daarin aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie.
Standpunt:De heffing van bpm voor gebruikte personenauto’s uit andere lidstaten komt in strijd met artikel 110 van Pro het VwEU, omdat in het stelsel van de Wet bpm 1992 niet is gewaarborgd dat in geen geval meer bpm wordt geheven dan de rest-bpm in de waarde van gelijksoortige gebruikte binnenlandse voertuigen.
Reden:Het discriminatieverbod van artikel 110 van Pro het VwEU brengt mee dat de heffing van een nationale belasting ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig gebruikt motorvoertuig niet meer mag belopen dan het restbedrag van die belasting dat is vervat in de waarde van gelijksoortige gebruikte voertuigen die al in het binnenland zijn geregistreerd. Om daaraan te voldoen moet rekening worden gehouden met een reële waardedaling voor het uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte voertuig, dan wel moet voor dat voertuig een waarde worden geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert (HvJ 7 april 2011, Tatu, C-402/09, ECLI:EU:C:2011:219, punten 39 en 40). Niet valt in te zien welke nadere uitleg van het Unierecht nodig is om te beoordelen of het stelsel van de Wet bpm 1992, dan wel de uitwerking van die wet in een concreet geval, in strijd is met artikel 110 van Pro het VwEU.
Standpunt:Naheffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstig, gebruikt voertuig na het belastbare feit is in strijd met artikel 110 van Pro het VwEU, omdat ter zake van gelijksoortige binnenlandse gebruikte voertuigen geen naheffing aan de orde kan komen (verschil in heffingsmodaliteiten).
Reden:Het Hof van Justitie heeft in zijn rechtspraak over (de voorlopers van) artikel 110 van Pro het VwEU in relatie tot de heffing van registratiebelastingen bij gebruikte voertuigen onder ogen gezien dat een registratiebelasting typisch niet (opnieuw) wordt geheven bij de (ver)koop van reeds in het binnenland geregistreerde voertuigen (zie bv. HvJ 11 december 1990, Commissie/Denemarken, C47/88, ECLI:EU:C:1990:449, punt 19). Bij de handel in laatstbedoelde voertuigen is daarom geen sprake (meer) van een heffingsmodaliteit. Daaraan inherent ontbreekt elk risico op een geschil over de verschuldigde registratiebelasting. Desondanks is nooit overwogen dat de omstandigheid dat voor gebruikte voertuigen uit andere lidstaten wel wordt geheven, reeds een schending van artikel 110 van Pro het VwEU impliceert. De heffing van een registratiebelasting ter zake van gebruikte voertuigen uit andere lidstaten is daarentegen juist acceptabel bevonden tot het restbedrag van een dergelijke belasting dat is vervat in de waarde van een gelijksoortig binnenlands voertuig (zie hiervoor met betrekking tot het standpunt over het stelsel van de Wet bpm 1992). Mede in dat licht valt niet in te zien waarom artikel 110 van Pro het VwEU (alsnog) principieel in de weg zou staan aan een systeem van heffing waarbij de verantwoordelijkheid voor het berekenen en betalen van de verschuldigde belasting in eerste instantie bij de belastingplichtige ligt en de belastingautoriteiten achteraf, en eventueel na het belastbare feit, kunnen controleren en corrigeren (naheffen). Dat is een volkomen gangbaar systeem. Het betoog dat een handelaar die een auto in een andere lidstaat koopt, in Nederland registreert en vervolgens verkoopt, het risico loopt dat hij een latere naheffingsaanslag niet kan afwentelen op zijn klant, terwijl een dergelijk risico niet bestaat bij handel in voertuigen die al in Nederland zijn geregistreerd, werpt geen ander licht op de kwestie. Naast hetgeen hiervoor al is overwogen over het algemene risico op een fiscaal geschil dat inherent is aan elke belastingheffing, geldt immers dat het risico op een (rechtmatige) naheffingsaanslag op grond van de nationale wetgeving slechts bestaat als is nagelaten de verschuldigde bpm (volledig) op aangifte te betalen. Dat risico heeft de belastingplichtige zelf in de hand, terwijl het bovendien een eigen, commerciële keuze is om niet met een koper van een ‘importvoertuig’ af te spreken dat een eventuele naheffing van bpm voor zijn rekening komt. Tot slot zijn kosten voor rechtsbijstand in een fiscaal geschil evident geen binnenlandse belasting in de zin van artikel 110 van Pro het VwEU. Kortom, niet valt in te zien welke nadere uitleg van het Unierecht nodig is om het standpunt van belanghebbende te beoordelen.
Standpunt:Het is in strijd met artikel 110 van Pro het VwEU dat voor een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte auto de bpm eerder moet worden voldaan dan voor een soortgelijk binnenlands voertuig, terwijl pas na die voldoening een kenteken wordt afgegeven; er is sprake van een verschil in heffingsmodaliteiten.
Reden:Het standpunt berust op een onjuiste feitelijke premisse. Voor een soortgelijk reeds in het binnenland geregistreerde personenauto is namelijk reeds bpm betaald. In vergelijking daarmee wordt voor een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto de verschuldigde bpm per definitie later betaald. Wat het verschil in heffingsmodaliteiten betreft, althans het ontbreken van een (nadere) heffingsmodaliteit bij reeds in het binnenland geregistreerde voertuigen, zij verwezen naar hetgeen is vermeld bij het standpunt over naheffen na het belastbare feit. Niet valt in te zien welke nadere uitleg van het Unierecht nodig is in relatie tot dit standpunt.
Standpunt:De bewijslastverdeling ten aanzien van de vermindering van de bruto bpm is in strijd met het Unierecht.
Reden:Het is een aangelegenheid van de lidstaten om – met inachtneming van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid – de procesregels te geven voor de rechtsvorderingen met het oog op de bescherming van de rechten die aan artikel 110 van Pro het VwEU kunnen worden ontleend (vgl. HvJ 16 december 1976, Rewe, 33/76, ECLI:EU:C:1976:188, punt 5). Die regel is toegepast in rechtsoverweging 3.2.6 van het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640. Niet valt in te zien welke nadere uitleg van het Unierecht nodig is om het standpunt van belanghebbende te beoordelen.
Standpunt:Op grond van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel had belanghebbende moeten worden uitgenodigd voor een (mondeling) hoorgesprek voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag.
Reden:Het bedoelde recht om te worden gehoord houdt niet noodzakelijkerwijs de verplichting in de betrokkene de gelegenheid te bieden zich mondeling te uiten over een voornemen tot het nemen van een bezwarend besluit (zie HvJ 21 maart 2019, Gollnisch, C-330/18 P, ECLI:EU:C:2019:240, punt 60).
Standpunt:Op grond van artikel 47 van Pro het Handvest en/of de Francovich-rechtspraak bestaat recht op een vergoeding van de werkelijke proceskosten, althans in het geval dat de rechter aanleiding ziet een naheffingsaanslag bpm te vernietigen of te verminderen of recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting.
Reden:Zo de vergoeding van proceskosten terecht wordt geplaatst in de sleutel van de rechtspraak over aansprakelijkheid van een lidstaat voor uit schendingen van het Unierecht voortvloeiende schade, is een van de voorwaarden voor die aansprakelijkheid een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht (HvJ 5 maart 1996, Brasserie du Pêcheur en Factortame, C-46/93 en C-48/93, ECLI:EU:C:1996:79, punten 50 en 51). Nog daargelaten dat een grond tot vernietiging of vermindering van een naheffingsaanslag bpm (of voldoening op aangifte) niet steeds een schending van het Unierecht hoeft te betekenen, is daarmee evident dat niet elke vernietiging of vermindering van een naheffingsaanslag bpm (of voldoening van bpm op aangifte) dergelijke aansprakelijkheid van de lidstaat Nederland voor geleden schade impliceert. Wat betreft de vergoeding van proceskosten in geval van toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, geldt daarnaast dat de noodzakelijke kosten van een verzoek tot een dergelijke vergoeding in een belastingprocedure niet meer dan verwaarloosbaar zijn, terwijl de kostenveroordelingen waartoe de gerechtelijke instanties van de EU zelf overgaan, strikt zijn beperkt tot de noodzakelijk gemaakte kosten (vgl. HvJ 20 november 2025, Telefónica de España, C141/23 P(R)-DEP, ECLI:EU:C:2025:916). Voor het overige hanteert de betrokken gemachtigde een ‘no cure, no pay’ beloningsmodel waarbij de ‘pay’ kennelijk slechts bestaat uit toegekende kostenvergoedingen en andere door de rechter in nevenbeslissingen toegekende vergoedingen. In dat model komt de toegekende kostenvergoeding in beginsel overeen met de werkelijke kosten voor de belanghebbende en leidt een hogere vergoeding in elk geval niet tot een adequatere ‘schadeloosstelling’. Zelfs als de uitleg van het Unierecht die in het vermelde standpunt besloten ligt juist zou zijn, wordt daarom de beslissing over de kosten niet anders.
Standpunt:De heffing van griffierecht is onverenigbaar met het Unierecht.
Reden:Zie de rechtsoverwegingen 3.3.1 tot en met 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, en de daarin aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie.
Standpunt:Het Unierecht dwingt tot vergoeding van wettelijke rente over te vergoeden griffierecht en te vergoeden proceskosten vanaf het moment dat die kosten bij de belanghebbende zijn opgekomen, althans als de rechter een naheffingsaanslag bpm (of voldoening op aangifte) vernietigt of vermindert.
Reden:Zie hiervoor bij het standpunt over Francovich-aansprakelijkheid, alsmede rechtsoverweging 3.3.5 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, en de daarin aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie.
Standpunt:De rechtspraak van de Hoge Raad over de vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voldoet niet aan de eisen van het Unierecht.
Reden:De rechtspraak van de Hoge Raad over de vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, berust in de basis (slechts) op uitgangspunten waarvan kan worden afgeweken (vgl. HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, rechtsoverweging 3.6.1). Ook gelet op het gedifferentieerde beoordelingskader dat naar voren komt uit de rechtspraak van het EHRM over het redelijketermijnvereiste in de context van artikel 6 van Pro het EVRM (vgl. EHRM 29 maart 2006, Scordino t. Italië, nr. 36813/97, punt 173 e.v.), welke rechtspraak ook voor de uitleg van artikel 47 van Pro het Handvest geldt (artikel 52, lid 3, van het Handvest), is het standpunt in al zijn algemeenheid evident onjuist.
Slotsom
4.9.
Het hoger beroep is gegrond. Het beroep moet gegrond in plaats van ongegrond worden verklaard.

5.Kosten

5.1.
Aanleiding bestaat de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende. Het betreft kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
5.2.
Voor het geding in hoger beroep worden de door de inspecteur te vergoeden kosten met toepassing van het forfait van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en artikel 19a van de Wet bpm 1992 vastgesteld op € 234 (2 punten, puntwaarde € 934, wegingsfactor 0,5 en vermenigvuldigingsfactor 0,25).
5.3.
Voor de kosten voor het geding voor de rechtbank gaat het Hof uit van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit. Het beroep is een van de (zeer) vele beroepen waarin de gemachtigde overwegend op sjabloonmatige wijze overwegend dezelfde geschilpunten aan de orde stelt met vooral enige verschillen in de details. Als de synergievoordelen die als gevolg daarvan optreden worden genegeerd, en bij de bepaling van het bedrag van de te vergoeden kosten onverkort wordt vastgehouden aan het forfait van het Besluit, wordt een vergoeding toegekend die de in redelijkheid daadwerkelijk gemaakte kosten verre overtreft.
Ex aequo et bonostelt het Hof de kosten van het geding voor de rechtbank daarom vast op € 280 (30% van het forfait). Dat is € 61,25 meer dan de rechtbank heeft toegekend.
5.4.
De kosten in verband met de behandeling van het bezwaar worden nader vastgesteld op € 1.332 (zie 4.6). Dat is € 802 meer dan het bedrag van € 530 dat de inspecteur al heeft vergoed (zie 2.8).
5.5.
De inspecteur zal daarom in totaal worden veroordeeld tot een (aanvullende) vergoeding van kosten aan belanghebbende van € 1.097,25 (€ 234 + € 61,25 + € 802), waarbij het Hof tevens zal beslissen over vergoeding van wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch alleen voor zover het beroep daarin ongegrond is verklaard;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.521;
  • gelast de inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft betaald van € 279, en beslist dat, indien dat bedrag niet tijdig wordt uitbetaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan, en
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende van het geding voor het Hof en (nader) in de kosten van belanghebbende van het geding voor de rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar tot een bedrag van in totaal € 1.097,25, en beslist dat, indien dat bedrag niet tijdig wordt uitbetaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: