De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de WOZ-waarde van een sportcentrum op €4.737.000 vast, later verminderd tot €4.666.000 na bezwaar. De rechtbank stelde de waarde uiteindelijk vast op €4.000.000 en oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de gehanteerde restwaarden en levensduurverlengingen van de objectonderdelen juist waren. De heffingsambtenaar ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het geschil betrof met name de toepassing van de Taxatiewijzer Sport en de vraag wie de bewijslast droeg voor afwijkingen van de daarin opgenomen restwaarden en levensduur. De rechtbank en het hof oordeelden dat de bewijslast voor het aannemelijk maken van afwijkingen bij de heffingsambtenaar ligt. Deze slaagde er niet in voldoende bewijs te leveren dat de restwaarden en levensduurverlengingen gerechtvaardigd waren.
Het hof bevestigde dat het voortdurende gebruik van de objecten en enkele bouwvergunningen onvoldoende zijn om de verlengde levensduur te onderbouwen. Ook de door de heffingsambtenaar ingebrachte verkoopcijfers en taxatiekaarten boden onvoldoende inzicht in de juistheid van de restwaarden. De rechtbankwaarde van €4.000.000 werd daarom in goede justitie vastgesteld en het hoger beroep ongegrond verklaard.
De heffingsambtenaar werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en het griffierecht werd vastgesteld. De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof Amsterdam op 9 december 2025.