Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
2.2. Feiten
Feiten
Belanghebbende] heeft bij e-mail bericht van 1 december 2016 voor zover van belang als volgt gereageerd op deze brief:
Met dagtekening 2 maart 2018 is de aanslag IB/PVV 2015 opgelegd. Hierbij is de uitkering van Generali ten bedrage van € 329.917 als inkomen uit werk en woning in aanmerking genomen.
7. Financiële regelingen voor slachtoffers van de nieuwjaarsbrand in [Z]
Wij spraken af dat ik stukken in zou leveren en dat zij het na bestudering van die stukken zou gaan regelen. Ze gaf ook aan dat ze de slachtoffers van de brand een warm hart toedroeg. Desgevraagd verklaar ik dat het ging om zoveel mogelijk informatie als mij ter beschikking was.
(…)
Wagenaar heeft mij persoonlijk gezegd dat ook deze uitkering valt onder de vrijgestelde uitkeringen.”
3.Geschil voor het Hof
Meer in het bijzonder is in geschil of de inspecteur door die uitkeringen in de heffing te betrekken heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel dan wel het gelijkheidsbeginsel.
4.Oordeel van de rechtbank
Beoordeling van het geschil
Belanghebbende] heeft tot slot onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439 gesteld dat hij op toepassing van het beleid mag blijven rekenen totdat het uitdrukkelijk is ingetrokken of gewijzigd. [Belanghebbende] heeft in de onderhavige zaak echter niet aannemelijk gemaakt dat hij uit de uitlatingen van de zijde van de Belastingdienst of de voor die dienst verantwoordelijke bewindslieden in de gegeven omstandigheden het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij onder toepassing van het Besluit valt.
Uit de door [belanghebbende] overgelegde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 16 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:82) leidt de rechtbank af dat [de inspecteur] in de eerste jaren na de brand ten onrechte heeft gedacht dat arbeidsongeschiktheidsuitkeringen onder de uitzondering genoemd in onderdeel 7.3.2. van het Besluit vielen en dat hij als gevolg daarvan in vier gevallen een ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte niet heeft belast als belastbare inkomsten uit werk en woning. Dit berustte volgens [de inspecteur] echter op een fout en niet op begunstigend beleid.
5.5. Beoordeling van het geschil
Belanghebbende wijst in dit verband op het arrest HR 31 januari 1919, ECLI:NL:HR:1919: AG1776 (Lindenbaum-Cohen) en stelt dat aan de slachtoffers van de Nieuwjaarsbrand van 1 januari 2001 te [Z] wegens onrechtmatige daad alle door hen geleden schade en gevolgschade, waaronder fiscale schade, dient te worden vergoed. Belanghebbende acht het immoreel om inkomen dat het gevolg is van de hiervoor bedoelde onrechtmatige daad aan enige vorm van belastingheffing te onderwerpen.
Voorts deed zich ten tijde van de procedure [B] niet een meerderheid van gevallen voor waarin heffing over een kapitaalsuitkering achterwege was gebleven. Bovendien is volgens de inspecteur niet aannemelijk geworden dat bij de behandeling van (het bezwaar tegen) de aanslag IB/PVV ten name van belanghebbende door de inspecteur vertrouwen is gewekt.
Het Hof sluit zich bij deze overwegingen aan en maakt deze tot de zijne.
De uitkeringen vallen derhalve niet onder de in het Besluit opgenomen vrijstelling van heffing in box 1. Belanghebbende kan derhalve aan het Besluit niet het vertrouwen ontlenen dat de uitkeringen bij hem niet als inkomen uit werk en woning worden belast.
Aan een dergelijke uitlating – wat daar verder van mag zijn – kan in de onderhavige procedure geen recht worden ontleend. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de overheid een onrechtmatige daad heeft begaan als gevolg waarvan belanghebbende in de nacht van 31 december 2000 op 1 januari 2001 ernstige (lichamelijke en psychische) schade heeft geleden en dat die schade ook de belastingschade omvat bestaande uit de heffing van inkomstenbelasting over de uitkeringen, oordeelt het Hof dat deze stelling het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de aanslag IB/PVV 2015 te buiten gaat en dat het daar in deze uitspraak geen oordeel over geeft.
7.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.