Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
€ 1.738.446 met eenzelfde bedrag aan verliezen van voorgaande jaren (hierna: de verliesverrekeningsbeschikking).
2.2. Feiten
De aanslag (…) is opgelegd conform de ingediende aangifte (…). In de aangifte is echter op grond van art. 8, lid 5 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet VPB) juncto art. 3.15, lid 5 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) een onjuist bedrag aan beperkt aftrekbare kosten opgenomen. De [beperkt aftrekbare kosten] zijn in de aangifte berekend door 0,4 % te vermenigvuldigen met de totale loonsom (€ 24.440.483) en bedragen € 97.762. Het is voor mijn cliënte echter voordeliger om op grond van art. 3.15 lid 5 Wet IB 2001 uit te gaan van de werkelijk gemaakte oortkosten. Deze kosten komen voor 73,5% in aftrek van de winst. In dit kader ben ik met mijn cliënte van mening dat de kosten die zij (als zijnde een transportonderneming) voor CAO-dagvergoedingen aan haar chauffeurs dient te betalen niet aangemerkt dienen te worden als zijnde ‘beperkt aftrekbaar’.
(…)
(…)
2.4 CAO-dagvergoedingenDe CAO-dagvergoedingen die mijn cliënte aan haar chauffeurs dient uit te betalen worden in beginsel als loon aangemerkt. Deze kosten zijn onder de werkkostenregeling echter gericht vrijgesteld op grond van art. 31, lid 1, onderdeel f Wet LB 1964.
(…)
2.5 Aangifte vennootschapsbelasting 2015Zoals ik (…) heb aangegeven zijn de beperkt aftrekbare kosten in de aangifte berekend door 0,4 % te vermenigvuldigen met de totale loonsom (€ 24.440.483) en bedragen zij € 97.762.
Ik ben van mening dat in de aangifte vennootschapsbelasting 2015 geopteerd kan worden voor de aftrek van € 73,5% van de werkelijk gemaakte oortkosten. De totale oortkosten bedragen € 75.425. Dit betekent dat een bedrag van € 19.987 (26,5%) niet aftrekbaar is van de winst. Het belastbare bedrag is dan als volgt:
Af: correctie beperkt aftrekbare kosten
€ 77.775 -/-Nieuw vastgestelde belastbare winst na bezwaar € 1.660.671
Af: verrekenbare verliezen
€ 1.660.671 -/-Belastbaar bedrag nihil
(…)”
Deze vergoedingen zijn (…) door belanghebbende als eindheffingsloon aangewezen. Of en in hoeverre voor deze vergoeding een gerichte vrijstelling van toepassing is, is echter maar zeer de vraag. Voor maaltijden onderweg is dat het geval, voor overige consumpties en sanitaire voorzieningen niet.”
3.3. Geschil in hoger beroep
4.4. Beoordeling van het geschil
Stb. 1989, 124). Voorts wijst belanghebbende op de volgende passage uit de wetsgeschiedenis:
Voorts vindt volgens belanghebbende haar opvatting steun in een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 19 september 2017, ECLI:NL:GHARL: 2017:8189.
De inspecteur acht dit standpunt in overeenstemming met doel en strekking van artikel 3.15 Wet IB, omdat deze bepaling mede is ingevoerd om het omzetten van belast loon in onbelaste vergoedingen tegen te gaan. Nu de daggeldvergoedingen gericht zijn vrijgesteld, zijn ook deze vergoedingen in feite een onbelaste vergoeding. Het ligt dan niet voor de hand dat deze vergoedingen – voor belanghebbende kosten bij de bepaling van de winst – niet meer onder de aftrekbeperking van artikel 3.15 Wet IB zouden vallen. De inspecteur wijst in dit verband op het in r.o. 11 van de uitspraak van de rechtbank aangehaalde citaat uit de Memorie van Toelichting bij het voorstel van wet dat heeft geleid tot de Wet van 27 april 1989,
Stb.1989, 124.
Stb.1989, 124, tussen de aftrek van gemengde kosten in de winstsfeer en de toekenning van voor de heffing van loonbelasting onbelaste vergoedingen voor dergelijke kosten heeft beoogd. Het Hof wijst in dit verband op de in onderdeel 11 van de uitspraak rechtbank aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting op de hiervoor vermelde wet (Kamerstukken 1988/89, nr. 20.874, nr. 3, p. 3), zij het dat in het desbetreffende citaat abusievelijk het woord ‘belastbaar’ is opgenomen, terwijl in de – door het Hof geraadpleegde – (kopie van de) authentieke (papieren) versie van het desbetreffende kamerstuk in plaats van ‘belastbaar’ is vermeld: belast. Anders dan belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verondersteld, is er derhalve geen sprake van een recente wijziging van de Memorie van Toelichting.
Hof: hier dan wel het woord ‘belastbaar’], (…) als loon (…), zijn ter zake van deze vergoeding in de winstsfeer geen beperkingen gesteld.”, Kamerstukken II 1988/89, 20.874, nr. 3, p. 6.
Daarbij sluit aan dat de wetgever met het invoeren van de werkkostenregeling niet bedoeld heeft een wijziging in te voeren voor wat betreft de beperking van de kostenaftrek. Dat de in geschil zijnde daggeldvergoedingen tot het belastbaar loon behoren, maakt derhalve niet dat deze vergoedingen, voor zover zij vallen onder de termen van artikel 3.15, eerste lid, Wet IB (in casu gaat het dan om ‘voedsel’ en ‘drank’), buiten het bereik van de aftrekbeperking van artikel 3.15 Wet IB zouden vallen.
5.5. Kosten
6.6. Beslissing
als griffier. De beslissing is op 16 februari 2021 in het openbaar uitgesproken en wordt gepubliceerd op
www.rechtspraak.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.