Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Ook in dat geval - er is
medesprake van een hoofdverblijf in [de gemeente] - wordt, aldus belanghebbende, niet voldaan aan het belastbare feit van artikel 2 van Pro de Verordening. Voorts betoogt belanghebbende dat de rechtbank heeft verzuimd om met betrekking tot dit reeds in beroep ingenomen standpunt inhoudelijk een oordeel te vellen.
De heffingsambtenaar kan zich dan ook niet vinden in het toetsingskader dat de rechtbank heeft gehanteerd in rechtsoverweging 14 van haar uitspraak.
De heffingsambtenaar heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2605 en een uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 14 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1590.
gedurende die dagenin de gemeente hoofdverblijf te hebben.
Kamerstukken II1926/27, nr. 410). In het voorgestelde artikel 255 van Pro dat ontwerp was voor het eerst een bepaling opgenomen die wat inhoud en bewoordingen betreft sterke gelijkenis vertoont met het huidige artikel 223, eerste lid, Gemeentewet:
Kamerstukken II1928/29, nr. 182, ondernr. 25). Het ontwerp 1926 en latere amendement beoogden een wijziging aan te brengen in de belastingplicht van de zogenoemde woonforens die tot dan was geregeld in artikel 244a, sub 4e Gemeentewet. In de Mvt bij het ontwerp van 1926 is daarover het volgende opgemerkt:
positieve factoren” voor belastingplicht zich voordoen. Om onder meer aan die problematiek het hoofd te bieden, werd het nieuwe artikel 255 voorgesteld Pro.
Op dat moment woonden - in verband met zijn werk - belanghebbende met zijn echtgenote en de kinderen reeds vanaf 2006 in Zuidoost-Azië. Belanghebbende is per juli 2012 door zijn werkgever uitgezonden naar Houston en heeft vanaf dat moment samen met zijn echtgenote en het gezin in een huurwoning aldaar verbleven. Omdat de echtgenote niet kon aarden in Houston, hebben belanghebbende en zijn echtgenote in (de loop van) 2013 de beslissing genomen om weer terug te keren naar Nederland.
In januari 2014 - in het kader van de kerstvakantie - verbleef de echtgenote (tezamen met belanghebbende en de kinderen) 3 dagen in de woning. Daarna heeft de echtgenote in de maand april (2014) nog eens 13 dagen in de woning verbleven, dit onder andere om scholen te zoeken voor de kinderen. Hierna zijn de echtgenote en de kinderen weer teruggekeerd naar Houston, waar de kinderen het schoolseizoen - dat duurde tot eind juni 2014 - hebben afgemaakt. Vervolgens is de echtgenote, tezamen met de kinderen, met ingang van 14 juli 2014 vanuit Houston naar [plaats] teruggekeerd en heeft zij de woning, die door belanghebbende en zijn echtgenote nimmer verhuurd is geweest, betrokken. Belanghebbende heeft zich in november 2014 bij het gezin gevoegd.