Uitspraak
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
gemachtigde: mr. S.J. van der Woude (Van der Woude De Graaf Advocaten) te Amsterdam,
1.Ontstaan en loop van het geding
Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen een vergrijpboete opgelegd, heffingsrente in rekening gebracht en is een aanslag iab zvw 2009 opgelegd.
2.Feiten
(€ 546.275). Gezien de wijze van verpakking van het geld en de manier waarop het geld in de woning verstopt was, zijn er sterke aanwijzingen dat het geld een illegale herkomst heeft.
Dit vermoeden wordt versterkt door de volgende feiten en omstandigheden:
luchtbed;
Over het geld dat in uw slaapkamer is aangetroffen, heeft u in uw eerste verhoor aangegeven dat u dit gespaard heeft, terwijl uw echtgenote verklaard heeft dat het geld afkomstig is van haar grootouders. Tijdens uw tweede verhoor heeft u verklaard dat het afkomstig is uit uw pizzeria en dat uw vrouw het geld heeft meegenomen uit Italië. Op verdere vragen over het in de woning aangetroffen geld beroept u zich op uw zwijgrecht. Nu uit uw tegenstrijdige verklaringen en de verklaring van uw echtgenote niet valt op te maken wat de herkomst is van het aangetroffen geldbedrag, zal ik voor de jaren 2007 en 2008 de volgende bedragen tot uw inkomen rekenen:
Op grond hiervan ben ik van mening dat er sprake is van (voorwaardelijke) opzet.
AanleidingOp [datum] , omstreeks [tijdstip] zijn in [plaats] , Duitsland een zestal Italiaanse mannelijke inwoners (…) doodgeschoten.
(…)
Naar aanleiding van het bovengenoemde voorval is direct door de Duitse autoriteiten een onderzoek ingesteld (…).
Uit het Duitse onderzoek kwam naar voren dat één van de daders genaamd is:
[belanghebbende], (…) verblijvende op het adres [adres 5] te [plaats] , Duitsland. Sinds [datum] is de verdachte [belanghebbende] voortvluchtig.
Op 31 augustus 2007 heeft de Duitse autoriteit, een internationaal arrestatie bevel doen uitgaan waarin wordt verzocht tot de aanhouding en uitlevering van [ belanghebbende] (…).”
04.12.2008wurde den Hunden eine Geruchsprobe von [belanghebbende] voorgehalten.
Zunächst wurde die Adresse [adres 6] aufgesucht,
dort meldeten alle vier (…) Hunde die frühere Anwesenheit vom Gesuchten.”
Het gaat om een Rolex en daarvan een aankoopnota van € 4.350 met datum 26 oktober 2008, en een Breitling en daarvan een aankoopnota van € 2.250 met datum 17 februari 2009.
(…)
1. Ik verzoek u mij een overzicht te geven van alle adressen war u vanaf 1 januari 2006 heeft verbleven;
2. Een overzicht van de door u betaalde verblijfskosten zoals huur, energie, water enz., en uit welke bron zijn deze uitgaven door u betaald;
3. Heeft u in de betreffende periode altijd samengewoond met uw vrouw, zo nee, dan verzoek ik [u] mij een overzicht te geven van adressen waar u verbleef en een overzicht te geven van de adressen waar uw vrouw verbleef. Indien er ook derden bij [u] verbleven dan verzoek ik [u] mij aan te geven wie die derden zijn en wat de reden is dat zij (…) bij u verbleven?
4. Op welke wijze zijn u en uw vrouw naar Nederland gekomen en wat is daar de reden van?
5. Waarom hebben u en uw vrouw zich nimmer ingeschreven in Nederland?”
“Aangiftebiljetten W 2007 en 2008 en verzoek om informatie”.Het verzoek om informatie is aangetroffen, de aangiftebiljetten evenwel niet. (…) Ik verzoek u mij de aangiftebiljetten alsnog toe te zenden”.
Cliënt is niet in staat om te verklaren, op welke adressen hij sedertdien heeft verbleven (…). Hij heeft niet op Nederlandse adressen verbleven tot 2009.
Cliënt is begin 2009 naar Nederland gekomen met vrouw en kind.
(…)
Cliënt woonde en werkte van 1997 tot en met augustus 2007 in Duitsland, waar hij ook belasting betaalde. Ik zend u hierbij de financiële overzichten van 2006 en van het eerste halfjaar 2007 (…).
Cliënt had in de jaren 1997-2007 jaarlijks enkele duizenden euro’s gespaard in zijn pizzeria. Deze bedragen heeft hij in contanten meegenomen en gezonden naar Italië. Het bij hem aangetroffen bedrag van € 40.100,- is voornamelijk spaargeld uit deze periode;
(…)
Cliënt heeft afgezien van een korte periode van ruim één maand voorafgaand aan zijn aanhouding op 13 maart 2009 niet in Nederland verbleven behalve voor zeer korte bezoeken. Cliënt heeft nimmer gewerkt in Nederland. Hij is ook niet anderszins economisch actief geweest in Nederland.”
(…)
Op de meeste door u gestelde vragen vindt u het antwoord in de bezwaarschriften. Ik doe thans een poging om op grond van de mij thans beschikbare informatie (…) te antwoorden op uw vragen.
woonplaats1. In 2006 en 2007 woonde cliënt op het adres (…) te (…) [plaats] , Duitsland. Hij is van 29 december tot 29 juni 2007 gedetineerd geweest in Italië en heeft daarna tot 4 augustus 2007 wegens huisarrest verbleven in het dorp (…) in Italië. Vervolgens is cliënt op 4 augustus 2007 naar Duitsland teruggegaan om zaken te regelen. Na de moorden in [plaats] (…) is hij ondergedoken. (…)
2. Deze informatie is mogelijk nog eschikbaar met betrekking tot het Duitse adres (…) maar nog niet in mijn bezit. Met betrekking tot de verblijfadressen beschikt cliënt in het geheel niet over dergelijke informatie.
4. In het kader van het onderduiken zijn zij in Nederland gekomen, naar ik begrijp per auto omdat zij hoopten hier veilig te zijn voor de Italiaanse/Duitse justitie;
5. Omdat hij voor de Duitse en Italiaanse Justitie op de vlucht was heeft cliënt zich niet ingeschreven in Nederland met zijn vrouw en kind.”
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Een dergelijke situatie doet zich in casu echter niet voor, omdat belanghebbende de onder 2.8 vermelde vragen van de inspecteur heeft beantwoord, althans in zoverre dat dit – zonder aanvullende controlehandelingen van de inspecteur (vervolgvragen bijvoorbeeld) – de hiervoor bedoelde verschuiving van de bewijslast niet rechtvaardigt.
Hierna zal het Hof beoordelen of de inspecteur ten aanzien van belanghebbende in dat bewijs is geslaagd.
Ook van de overige panden, alsmede garageboxen, waarvan de inspecteur heeft gesteld dat (onder meer) belanghebbende daarover kon beschikken (zie onder 4.2.2), is niet dan wel onvoldoende aannemelijk geworden dat belanghebbende bij de totstandkoming van de huur van die panden en garageboxen betrokken is geweest. Feiten en omstandigheden die duiden op een daadwerkelijk verblijf van belanghebbende in die panden zijn bovendien niet, althans niet voldoende, komen vast te staan; ook hetgeen de inspecteur ter zake voor het overige nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Wat betreft de geurproef, waarin een geurmonster van belanghebbende is gerelateerd aan aanwezigheid in de woning [adres 6] , is het Hof van oordeel dat dit bewijsmiddel weliswaar duidt op een mogelijke aanwezigheid van belanghebbende in Nederland in een periode van enige weken voorafgaand aan de datum waarop de geurproef is verricht, maar tevens dat die waarneming onvoldoende bewijs oplevert om reeds in die periode tot een (vermoeden van een) ‘wonen’ van belanghebbende in Nederland te kunnen concluderen; ook niet in samenhang met de omstandigheid dat niet lang voordat de geurproef werd verricht [verdachte 2] en drie zussen [naam belanghebbende] zijn aangehouden.
5.Kosten
6.Beslissing
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag € 1.503; en
- bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 503.
De beslissing is op 20 maart 2018 in het openbaar uitgesproken.