Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
gemachtigde: mr. T. Vink (Taxwise advocaten & belastingadviseurs) te Amsterdam
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
4 Kennelijk onbehoorlijk bestuur
Het Hof begrijpt: [G] B.V.]
7.Rechtmatigheid
I. BEHEER EN ADMINISTRATIE
in aanmerking nemende:
5. [Belanghebbende] werd juni 2004 aangetrokken. Is de rekensom, dat [ [D] ] sindsdien, € 2.[1]15.000, aan managementvergoeding heeft verstrekt, correct? (€ 45.000 x 12 x 4, minus één maand, juni 2008).
3.Geschil in hoger beroep
Daarbij is in de eerste plaats in geschil of de BV’s tijdig en rechtsgeldig mededeling hebben gedaan van hun betalingsonmacht. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of de ontvanger aannemelijk heeft gemaakt dat het onbetaald blijven van de belastingschulden waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, is te wijten aan diens kennelijk onbehoorlijk bestuur.
4.Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid hoger beroep
Hof: doordat na de mededeling sprake is geweest van een betalingsachterstand], dient voor de toepassing van artikel 36, lid 3, IW 1990 als tijdstip van de mededeling van betalingsonmacht in aanmerking te worden genomen de dag waarop een mededeling van betalingsonmacht uiterlijk had moeten worden gedaan, indien de eerstbedoelde mededeling niet haar geldigheid had behouden.”
- belanghebbende heeft aan zichzelf een excessief hoge managementvergoeding toegekend van € 45.000 per maand. Belanghebbende heeft de desbetreffende overeenkomst zowel namens [D] als namens zijn management-BV ( [F] ) ondertekend, zonder dat daaraan een rechtsgeldig besluit van de aandeelhoudersvergadering van [D] ten grondslag ligt. Ook indien wél sprake zou zijn geweest van een rechtsgeldig tot stand gekomen managementovereenkomst, blijft de conclusie dat een maandelijkse vergoeding van € 45.000 exorbitant is, gelet op de slechte financiële positie van de BV’s ten tijde van het aantreden van belanghebbende als bestuurder;
- belanghebbende heeft toegelaten dat de rekening-courantschulden van de overige vennootschappen van de [A] Groep aan [B] steeds verder opliepen, terwijl hij wist dat deze vennootschappen deze schulden niet zouden kunnen aflossen. Bovendien heeft [B] ter zake van haar rekening-courantvorderingen geen rentevergoeding of aflossingsverplichtingen bedongen. Door dit onzakelijk handelen heeft [B] aanzienlijke bedragen misgelopen;
- belanghebbende heeft gelden opgenomen bij en privéuitgaven laten voldoen door [B] . [B] heeft deze uitgaven als vordering in rekening gebracht in haar rekening-courantverhouding met [D] . Deze vennootschap heeft deze bedragen vervolgens als vordering geboekt in haar rekening-courant met [F] . Aan deze privé-opnamen ligt gee n rechtsgeldige overeenkomst ten grondslag. Deze indirecte privé-opnamen moeten worden gekwalificeerd als persoonlijke verrijking, aangezien belanghebbende wist dan wel behoorde te weten dat [F] de aldus veroorzaakte rekening-courantschuld niet aan [D] zou kunnen voldoen, en [D] evenmin aan [B] . Belanghebbende beroept zich ter zake van deze rekening-courantschuld van zijn management-BV aan [D] ten onrechte op compensatie met vergoedingen voor bonushectares, aangezien de daarvoor ingevolge de managementovereenkomst (zo deze al geldig is) jaarlijks vereiste vaststellingsovereenkomsten ontbreken;
- ter zake van een bedrag aan ten laste van de BV’s gebrachte kosten van circa € 4.500.000 is de zakelijkheid grotendeels niet vast komen te staan. Zelfs indien een deel van deze uitgaven als zakelijk zou kunnen worden aangemerkt, zijn deze bedragen dermate exorbitant dat geen redelijk denkend bestuurder uitgaven van een dergelijke omvang zou hebben gedaan, terwijl tegelijkertijd belastingschulden structureel onbetaald zijn gebleven.
5.5. Kosten
6.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten, het griffierecht en de vergoeding van immateriële schade;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de beschikking aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 683.527;
- veroordeelt de ontvanger in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende ten bedrage van € 1.856,25; en
- gelast dat de ontvanger het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123 aan hem vergoedt.