Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 13 juni 2013, nr. 11/00500 bis, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
Hoge Raad
Belanghebbende was middellijk bestuurder en aandeelhouder van een BV die naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting had. De ontvanger stelde belanghebbende aansprakelijk voor deze belastingschulden en bijkomende bedragen. De rechtbank en het hof hadden de aansprakelijkstelling verminderd, maar het hof oordeelde dat de ontvanger niet op de hoogte was van betalingsonmacht zonder melding van belanghebbende.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door niet te onderzoeken of de meldingsplicht van betalingsonmacht volgens artikel 7 lid 2 van Pro het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 van toepassing was. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte de stelplicht en bewijslast bij belanghebbende legde in plaats van bij de ontvanger.
Verder faalt het middel dat stelt dat belanghebbende benadeeld is doordat de ontvanger niet overlegde met de curator, omdat die regeling slechts dubbele aansprakelijkstelling moet voorkomen. De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing in lijn met dit arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met correcte toepassing van de meldingsplicht en bewijslastverdeling.