Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
,
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Beschikkingsrecht locaties
VERGUNNINGEN
SAMENWERKINGSOVEREENKOMST 28 MAART 1989
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, een vennootschap die een samenwerkingsovereenkomst had met een beheerbedrijf en een speelhal, maakte bezwaar tegen de door haar betaalde omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2012. Zij stelde dat zij slechts als kassier optrad en dat de betalingen niet voor een door haar verrichte prestatie waren, maar dat Beheer BV de dienst verrichtte. Subsidiair stelde zij dat sprake was van een partageovereenkomst of een borgtochtachtige garantie.
Het Hof onderzocht de samenwerkingsovereenkomst, de feitelijke verhoudingen en de facturering. Het oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet de verrichter van de dienst was, mede omdat zij 75% van de betalingen zelf behield. Ook werd het subsidiaire standpunt van een partageovereenkomst verworpen, omdat niet was voldaan aan de vereisten van gezamenlijke exploitatie en risicoverdeling.
Verder wees het Hof het beroep af dat sprake zou zijn van een borgtocht of vergelijkbare zekerheidsverbintenis, omdat belanghebbende geen eigenaar of verhuurder was en geen bewijs had geleverd van een dergelijke verbintenis. Het Hof bevestigde dat de dienst niet vrijgesteld was van omzetbelasting en dat het beginsel van fiscale neutraliteit niet tot een andere uitkomst leidde.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.