ECLI:NL:GHAMS:2011:BV3784
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aansprakelijkheid inlener voor onbetaalde loonbelastingschulden uitzendbureau
Belanghebbende exploiteert een glazenwassers- en schoonmaakbedrijf en huurde werknemers in van uitzendbureau [A BV]. Na een boekenonderzoek stelde de Belastingdienst vast dat [A BV] loonbelasting en premies niet had voldaan, deels berekend met het anoniementarief. Belanghebbende werd aansprakelijk gesteld voor het deel van de belastingschuld dat betrekking had op de werknemers die voor haar werkzaamheden verrichtten.
Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat zij geen inlener was maar aannemer, dat de aansprakelijkstelling onvoldoende bepaalbaar was, dat er geen openstaande schulden meer waren vanwege het faillissement van [A BV], dat de ontvanger beginselen van behoorlijk bestuur had geschonden, en dat zij recht had op matiging van de aansprakelijkheid wegens een correcte schaduwloonadministratie.
Het Hof verwierp deze grieven. Vastgesteld werd dat sprake was van inlening in de zin van artikel 34 Invorderingswet Pro 1990, dat de aansprakelijkstelling voldoende was gespecificeerd en dat belastingschulden ook na faillissement kunnen blijven bestaan. De ontvanger had de keuze om belanghebbende aansprakelijk te stellen toegelicht en er was geen sprake van onzorgvuldig bestuur. Matiging werd afgewezen wegens ontbreken van een volledige loonadministratie inclusief identiteitsbewijzen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aansprakelijkstelling van belanghebbende als inlener wordt bevestigd.