ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4969
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ongegrond ontslag op staande voet van geesteszieke werknemer wegens ongeoorloofde afwezigheid
De zaak betreft het hoger beroep van een werknemer die op staande voet werd ontslagen door ABN AMRO wegens ongeoorloofde afwezigheid vanaf 1 maart 2004. De werknemer leed aan een ernstige geestesziekte, schizofrenie, waardoor zijn beoordelingsvermogen ernstig was vertroebeld. De bank stelde dat de werknemer zich niet had ziekgemeld en niet op werk was verschenen, wat een dringende reden voor ontslag vormde.
Het hof oordeelde dat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd was, mede omdat de bank bekend was met de geestesziekte van de werknemer en diens onvermogen tot een adequate gedragsbeoordeling. De bank had ook niet met een minder ingrijpende maatregel kunnen volstaan, zoals het ontzeggen van toegang met doorbetaling van loon. Daarnaast was het beroep op vernietiging van het ontslag niet tijdig ingediend, maar het hof achtte het onredelijk om dit aan de werknemer tegen te werpen gezien diens ziekte en omstandigheden.
Het hof stelde vast dat de arbeidsovereenkomst na het onrechtmatige ontslag was blijven voortbestaan en kende de loonvordering toe voor de periode van 1 maart 2004 tot 1 maart 2006, conform de cao-verplichting tot loondoorbetaling bij ziekte. Voor de periode daarna tot juni 2006 werd nadere informatie gevraagd over de arbeids(on)geschiktheid. De bank werd verweten zich niet als een goed werkgever te hebben gedragen en matiging van loon of rente werd afgewezen.
De zaak werd verwezen naar de rol voor nadere behandeling van het resterende geschilpunt. Het arrest benadrukt de beschermende werking van redelijkheid en billijkheid bij ontslag van ernstig zieke werknemers en de noodzaak van zorgvuldige afweging door de werkgever.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is onrechtmatig verklaard en de loonvordering van de werknemer toegewezen over de periode 1 maart 2004 tot 1 maart 2006.