ECLI:NL:PHR:2012:BW5695
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet werknemer met ernstige geestesziekte en toepassing vervaltermijn BBA
De zaak betreft een werknemer die op staande voet werd ontslagen door ABN AMRO vanwege ongeoorloofde afwezigheid en het niet opvolgen van oproepen, terwijl hij leed aan een ernstige geestesziekte (schizofrenie). De werknemer was arbeidsongeschikt, maar had zich niet ziek gemeld. De werkgever handelde op basis van eigen waarnemingen en het oordeel van de bedrijfsarts, maar zonder formele ziekmelding van de werknemer.
De rechtbank wees de loonvordering van de werknemer af wegens verjaring, maar het hof oordeelde dat de vordering toewijsbaar was tot 1 maart 2006 en dat de vervaltermijn van art. 9 lid 3 BBA Pro onder omstandigheden buiten toepassing kon blijven. De Hoge Raad bevestigt dat werkverzuim geen dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert indien de werknemer arbeidsongeschikt is, ook als de werkgever te goeder trouw meent dat de werknemer arbeidsgeschikt is.
Voorts oordeelt de Hoge Raad dat de vervaltermijn van art. 9 lid 3 BBA Pro met terughoudendheid kan worden beperkt op grond van redelijkheid en billijkheid, maar dat daarvoor zware eisen gelden, waaronder toerekenbaarheid aan de werkgever van de onmogelijkheid om tijdig beroep te doen. In deze zaak was onvoldoende vastgesteld dat de werknemer buiten staat was tijdig beroep te doen zonder dat dit aan de werkgever kon worden toegerekend.
Ten slotte bevestigt de Hoge Raad dat de werkgever de werknemer ook zonder ziekmelding de toegang tot het werk kan ontzeggen met doorbetaling van loon, mits er een goede grond is, en dat het ontbreken van ziekmelding niet leidt tot verlies van loonaanspraak tijdens ziekte. De loonvordering van de werknemer werd in het algemeen niet gematigd omdat de werkgever zich niet als goed werkgever had gedragen.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is vernietigd en de loonvordering van de werknemer is in beginsel toewijsbaar tot 1 maart 2006.