Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 1990 een WAO-uitkering en had daarnaast inkomsten als zelfstandig taxichauffeur. Het UWV stelde het inkomen over 2021 definitief vast op basis van fiscale gegevens, waarbij de belastbare winst uit onderneming werd vermeerderd met de ondernemersaftrek. Hierdoor werd vastgesteld dat appellant € 4.146,06 bruto te veel aan WAO-uitkering had ontvangen, wat het UWV terugvorderde.
Appellant voerde aan dat zijn winst op nihil moest worden gesteld vanwege een negatief resultaat en dat er sprake was van een dringende reden om van terugvordering af te zien, onder meer vanwege zijn financiële situatie en handicap. De rechtbank verwierp deze gronden en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat het UWV het inkomen correct heeft vastgesteld volgens de geldende regelgeving. De Raad overweegt dat het UWV bij de beoordeling van de dringende reden alle relevante feiten heeft meegewogen, waaronder de financiële omstandigheden van appellant en het feit dat het UWV rekening houdt met aflossingscapaciteit. Er is geen aanleiding om van terugvordering af te zien.
Het hoger beroep wordt verworpen, de uitspraak van de rechtbank blijft in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De beslissing is genomen door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 januari 2026.
Uitkomst: De terugvordering van de te veel ontvangen WAO-uitkering over 2021 wordt bevestigd omdat geen dringende reden is aangetoond om hiervan af te zien.