ECLI:NL:CRVB:2026:857

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/1013 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 13 Wet WIAArt. 13 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling WIA-dagloon leidt niet tot onevenredige uitkomst ondanks betwisting appellant

Appellant betwistte de vaststelling van zijn WIA-dagloon door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), stellende dat de strikte toepassing van de dagloonregels tot een onevenredige uitkomst leidt. Hij voerde aan dat een baan die hij kortdurend en als niet passend ervoer buiten beschouwing moest blijven en dat het WIA-dagloon gelijk moest zijn aan het hogere ZW-dagloon dat hij eerder ontving.

De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, waarbij werd geoordeeld dat alle dienstbetrekkingen in de referteperiode meetellen en dat passendheid van het werk niet relevant is voor de dagloonberekening. Tijdens de beroepsprocedure nam het Uwv een gewijzigde beslissing waarbij het dagloon werd vastgesteld op €55,78.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de berekeningswijze gebonden is aan het Dagloonbesluit en dat geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. De Raad oordeelt dat het besluit niet onredelijk bezwarend is, ook niet gezien de duurzame arbeidsongeschiktheid van appellant. Wel wordt het beroep gegrond verklaard voor wat betreft de proceskostenvergoeding, die wordt verhoogd naar €1.868,-. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep tegen de eerdere besluiten wordt gegrond verklaard, terwijl het beroep tegen het latere besluit ongegrond blijft.

Uitkomst: Het WIA-dagloon van €55,78 wordt bevestigd, het beroep tegen eerdere besluiten wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding wordt verhoogd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1013 WIA, 26/866 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 mei 2025, 23/3428 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het dagloon van de per 7 juni 2021 aan appellant toegekende WIA-uitkering heeft vastgesteld op € 55,78. Appellant heeft aangevoerd dat de strikte toepassing van de dagloonregels in zijn geval leidt tot een onevenredige uitkomst. Hij heeft gesteld dat het WIA-dagloon net zo hoog moet zijn als het dagloon van de ZW-uitkering die hij eerder heeft ontvangen. Eén van de banen die appellant tijdens de referteperiode heeft gehad, was volgens hem niet passend en heeft hij maar korte tijd vol kunnen houden. Appellant is van mening dat deze baan buiten beschouwing moet worden gelaten bij de berekening van zijn dagloon. De Raad volgt appellant hierin niet en komt tot het oordeel dat het dagloon juist is vastgesteld. Het standpunt van appellant dat de rechtbank de in beroep toegekende proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld, wordt wel gevolgd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Op 4 mei 2026 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Voor appellant is mr. Brauer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 26 april 2023 heeft het Uwv appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 7 juni 2021 (datum in geding) een WGAloonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 100%. Appellant is volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Het WIA-dagloon is (na indexering) vastgesteld op € 10,06. Voor de berekening van het dagloon is het Uwv uitgegaan van een referteperiode die loopt van 20 mei 2018 tot en met 19 mei 2019. Appellant heeft in deze periode voor het eerst op 29 november 2018 werkzaamheden verricht. Het Uwv heeft appellant daarom aangemerkt als starter en het dagloon berekend op basis van het loon dat hij in de periode van 29 november 2018 tot en met 19 mei 2019 heeft genoten. Dit loon heeft het Uwv gedeeld door 122 dagloondagen.
1.2.
Bij besluit van 30 oktober 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Het Uwv blijft van mening dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant niet duurzaam is en dat het dagloon juist is berekend.
De beroepsprocedure
2.1.
Tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft het Uwv op 3 februari 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. In dit besluit is het bezwaar voor wat betreft de dagloonvaststelling alsnog gegrond verklaard. Het WIAdagloon is (na indexering) vastgesteld op € 55,78. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant op 29 november 2018 en 30 november 2018 een inkomstenverhouding heeft gehad met [werkgever B.V. 1] (werkgever 1). Vanaf 23 april 2019 heeft hij een inkomstenverhouding gehad met [werkgever B.V. 2] (werkgever 2). De tussenliggende loonloze tijdvakken moeten bij de berekening van het dagloon niet worden meegenomen en daarom heeft het Uwv het loon dat appellant in de periode van 29 november 2018 tot en met 19 mei 2019 heeft genoten gedeeld door 22 dagloondagen. De rechtbank heeft bestreden besluit 2, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de beoordeling betrokken.
2.2.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank – samengevat weergegeven – overwogen dat het dagloon wordt berekend aan de hand van de regels in de Wet WIA en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Het Uwv heeft de dagloonregels in bestreden besluit 2 correct toegepast en tevens op juiste wijze gevolg gegeven aan de uitspraken van de Raad van 30 juli 2024 over loonloze periodes. [1] Het standpunt van appellant dat het WIA-dagloon gelijk moet zijn aan het dagloon van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) die hij eerder heeft ontvangen, heeft de rechtbank niet gevolgd. Het verschil in hoogte van het dagloon wordt veroorzaakt doordat voor het ZW-dagloon, anders dan voor het WIA-dagloon, alleen het loon uit de dienstbetrekking waaruit de ziekte is ontstaan relevant is. Dit betekent dat de werkzaamheden bij werkgever 1 in het kader van de ZW niet bepalend zijn voor het begin van de referteperiode maar in het kader van de WIA wel. Daargelaten dat enige verdere onderbouwing van het betoog van appellant ontbreekt, komt het de rechtbank voor dat in de verschillende doelstellingen van beide wetten een rechtvaardiging voor dat onderscheid is gelegen. Ook het betoog van appellant dat de verdiensten uit het werk dat hij aan het begin van de referteperiode heeft gedaan bij werkgever 1 buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat na korte tijd bleek dat hij dit werk niet aankon, heeft de rechtbank niet gevolgd. Daargelaten dat gegevens over de passendheid van het werk ontbreken, gaat het in de wettelijke systematiek voor de vaststelling van het dagloon om feitelijk genoten inkomsten en is de vraag of in de referteperiode verrichte werkzaamheden passend waren, niet van belang.
2.3.
Wat betreft de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank overwogen dat de conclusies van de verzekeringsartsen ten aanzien van de datum in geding inzichtelijk en voldoende zijn gemotiveerd.
2.4.
Omdat het Uwv pas nadat beroep was ingesteld ten gunste van appellant een nieuw besluit over de hoogte van het dagloon heeft genomen, heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht moet vergoeden. Ook heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv de proceskosten moet vergoeden, voor zover deze de oorspronkelijke dagloonvaststelling betreffen. De rechtbank heeft de hoogte van de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt dat het WIA-dagloon te laag is vastgesteld, herhaald. Hij heeft naar voren gebracht dat het werk bij werkgever 1 volstrekt ongeschikt voor hem was en hij dit ook maar kort heeft volgehouden. Het is volgens appellant niet redelijk dat dit werk een rol speelt bij de berekening van het WIA-dagloon, zeker niet nu hij gezien zijn medische situatie geen ander inkomen meer zal kunnen verwerven en dus tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd op de WIA-uitkering zal zijn aangewezen. Daarom moet volgens appellant op grond van het evenredigheidsbeginsel het dagloon van de WIA-uitkering worden vastgesteld op hetzelfde bedrag als het dagloon van de ZW-uitkering, namelijk ruim € 71,-. Als toch wordt afgeweken van het ZW-dagloon, zou het WIA-dagloon naar de mening van appellant uitsluitend moeten worden berekend op basis van het loon dat hij in de referteperiode heeft genoten bij werkgever 2. In dat geval zou het dagloon uitkomen op ruim € 56,-.
3.2.
Ook het standpunt dat de volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is en daarom een IVA-uitkering had moeten worden toegekend, heeft appellant in hoger beroep gehandhaafd.
3.3.
Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding te laag is. Naast het indienen van het beroepschrift had ook een punt moeten worden toegekend voor het bijwonen van de zitting.
Gewijzigde beslissing op bezwaar
4.1.
Nadat de Raad het Uwv heeft gevraagd om het standpunt ten aanzien van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid nader toe te lichten, heeft het Uwv op 4 mei 2026 opnieuw een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 3). In dit besluit heeft het Uwv met ingang van 7 juni 2021 een IVA-uitkering aan appellant toegekend. Voor wat betreft het dagloon heeft het Uwv zijn eerdere standpunt gehandhaafd.
4.2.
Appellant heeft gereageerd op bestreden besluit 3. Hij is het eens met de toekenning van een IVA-uitkering en handhaaft zijn hoger beroep voor het overige.

Het oordeel van de Raad

5. Met bestreden besluit 3, waarin alsnog een IVA-uitkering aan appellant is toegekend, heeft het Uwv bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 niet langer gehandhaafd. Het beroep tegen deze besluiten moet gegrond worden verklaard en dat betekent ook dat de aangevallen uitspraak, waarin het beroep tegen deze besluiten ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt. Omdat bestreden besluit 3 niet volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellant, wordt dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van Pro de Awb, in de procedure betrokken en wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 3.
De berekening van het WIA-dagloon
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de toepassing van de regels uit het Dagloonbesluit – met inachtneming van wat de Raad in zijn uitspraken van 30 juli 2024 heeft overwogen – leidt tot het in bestreden besluit 2 berekende dagloon van € 55,78. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv in het geval van appellant van de voorgeschreven berekeningswijze had moeten afwijken, omdat dit leidt tot een onevenredige uitkomst. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.
5.2.
De berekening van het dagloon berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Bij een gebonden bevoegdheid heeft op het niveau van het algemeen verbindend voorschrift al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het geval van appellant tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor appellant onredelijk bezwarend is. [2]
5.3.
De Raad heeft al eerder overwogen dat de referteperiode voor de vaststelling van het WIA-dagloon dwingend volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Uit deze regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). [3] Uit deze regeling volgt ook dat alle dienstbetrekkingen waaruit in de referteperiode loon is genoten worden meegenomen. Daarbij is niet relevant hoe lang een betrokkene het werk heeft verricht en of het werk passend was. Dat, zoals appellant stelt, het werk bij werkgever 1 niet passend zou zijn, levert daarom geen bijzondere omstandigheid op om af te wijken van het Dagloonbesluit. Het berekende dagloon is voor appellant niet onredelijk bezwarend.
5.4.
Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, wegens zijn volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid waarschijnlijk niet meer in staat zal zijn om te werken en aldus zijn inkomen aan te vullen, maakt niet dat in zijn geval sprake is van een onredelijk bezwarend besluit. Dit is een omstandigheid die – ondanks uiteenlopende persoonlijke situaties – ook voor andere IVA-gerechtigden geldt, en daarom niet als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt. [4]
De door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding
5.5.
De beroepsgrond dat de rechtbank de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld, slaagt wel. Appellant heeft er terecht op gewezen dat ook een punt had moeten worden toegekend voor het bijwonen van de zitting. De Raad zal de proceskosten in beroep alsnog vaststellen op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt).

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen. De Raad zal de hoogte van de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding opnieuw vaststellen. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en 2 wordt gegrond verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 3 wordt ongegrond verklaard. De vaststelling van het WIA-dagloon op € 55,78 blijft in stand.
6.1.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden op grond van het Bpb begroot op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op bestreden besluit 3 en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt).
6.2.
Het verzoek om vergoeding van reiskosten wordt afgewezen, omdat appellant de zitting zelf niet heeft bijgewoond en artikel 1 van Pro het Bpb niet voorziet in vergoeding van reiskosten van een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.
7. Ook moet het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen de besluiten van 30 oktober 2023 en 3 februari 2025 gegrond en vernietigd deze besluiten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 mei 2026 ongegrond;
- stelt de hoogte van de proceskostenvergoeding in beroep vast op € 1.868,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 2.335,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en J.H. Ermers en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) C.C.T. Yao

Voetnoten

1.CRvB 30 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1523, 1524 en 1525.
2.Zie ook de uitspraak van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2458 en de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1541.
4.Vergelijk de uitspraak van de Raad van 22 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:485.