ECLI:NL:CRVB:2026:85
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering toeslag wegens woningdeling en inkomen boven sociaal minimum
Appellant ontvangt sinds 2001 een WAO-uitkering en vanaf 2004 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) voor een ongehuwde alleenstaande. Na een politie-melding startte het Uwv een onderzoek en concludeerde dat appellant sinds 1 juli 2021 als woningdeler moet worden aangemerkt, omdat hij bij zijn moeder woont en zijn eigen woning had uitgeleend. Hierdoor geldt de kostendelersnorm en is zijn inkomen hoger dan het sociaal minimum voor woningdelers.
Het Uwv trok de toeslag over de periode 1 juli 2021 tot 30 september 2022 in en vorderde € 4.077,23 terug. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij feitelijk niet de kosten deelde omdat hij een eigen huurwoning had, en dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen vanwege zijn kwetsbare situatie en bewindvoering. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde het maandelijkse aflossingsbedrag op € 50.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat de intrekking en terugvordering terecht zijn. De stelling van appellant dat hij geen woningdeler is omdat hij kosten maakte voor een eigen woning, is irrelevant volgens vaste rechtspraak. Ook is geen dringende reden gebleken om van terugvordering af te zien. Het Uwv heeft de persoonlijke omstandigheden en financiële draagkracht van appellant meegewogen en het aflossingsbedrag uit coulance verlaagd. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de toeslag worden bevestigd omdat appellant terecht als woningdeler is aangemerkt en geen dringende redenen voor kwijtschelding zijn gebleken.