ECLI:NL:CRVB:2026:841

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
24/2705 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a:11 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning Wajong-uitkering na beoordeling 10-jaarsperiode arbeidsvermogen

Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat het arbeidsvermogen niet duurzaam zou ontbreken. De rechtbank bevestigde deze weigering, stellende dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij tien jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen had. Appellant voerde aan dat hij sinds zijn achttiende jaar door psychische klachten geen arbeidsvermogen had.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank het standpunt van het UWV over de duurzaamheid terecht had onderschreven, maar dat de beoordeling van de 10-jaarsperiode anders moest plaatsvinden. De Raad stelde dat bij laattijdige aanvragen het risico van onduidelijkheid over de periode van tien jaar niet voor rekening van appellant behoort te komen.

De Raad concludeerde dat het UWV onvoldoende had onderbouwd dat appellant gedurende de 10-jaarsperiode arbeidsvermogen had, mede gelet op verklaringen over zijn functioneren als schoonmaker. Daarom werd appellant als jonggehandicapte aangemerkt en kreeg hij per datum aanvraag recht op een Wajong-uitkering.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Uitkomst: Appellant krijgt per 17 december 2019 recht op een Wajong-uitkering wegens onafgebroken ontbreken van arbeidsvermogen gedurende de 10-jaarsperiode.

Uitspraak

24/2705 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2024, 23/3024 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellant beschikt hij duurzaam niet over arbeidsvermogen en moet hij om die reden als jonggehandicapte worden aangemerkt. De Raad is van oordeel dat de duurzaamheid op datum aanvraag geen voorwaarde meer is om appellant als jonggehandicapte aan te merken. Appellant heeft namelijk op datum aanvraag en vanaf de Wajong-relevante periode gedurende tien jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen gehad. De Raad geeft daarbij enkele uitgangspunten voor de bewijslastverdeling in zaken waarin de zogeheten 10-jaarsperiode aan de orde is.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.I.T. Sopacua, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 mei 2026. Appellant heeft via een telefoonverbinding deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door mr. J.I.T. Sopacua. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1986, heeft met een door het Uwv op 17 december 2019 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellant psychische klachten heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van de huisarts. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 27 februari 2020 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 10 september 2020 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
1.3.
Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in een uitspraak van 14 oktober 2021 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 september 2020 vernietigd wegens een motiveringsgebrek en bepaald dat het Uwv binnen zes weken na de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Daarnaast heeft de rechtbank appellant een vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht toegekend.
1.4.
Het Uwv heeft op 17 maart 2023 (bestreden besluit) een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarin het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar wederom ongegrond heeft verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vooropgesteld dat hier sprake is van een laattijdige aanvraag waarbij de bewijslast volgens vaste rechtspraak [1] bij de aanvrager ligt. Volgens de rechtbank heeft het Uwv deugdelijk gemotiveerd dat niet kan worden vastgesteld dat de situatie van het ontbreken van arbeidsvermogen op de 23e verjaardag van appellant al duurzaam was of dat het ontbreken van arbeidsvermogen sindsdien tien jaar onafgebroken heeft geduurd. Gelet op de voorhanden zijnde medische informatie mocht het Uwv zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat bij appellant geen sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Dat appellant na zijn achttiende verjaardag tien uur per week heeft gewerkt als schoonmaker, en daarna niet meer verder kon werken vanwege zijn medische situatie, leidt niet tot een andere conclusie. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tien jaar lang onafgebroken duurzaam geen arbeidsvermogen had. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij sinds zijn achttiende jaar en ook op datum aanvraag niet over arbeidsvermogen beschikt en deze situatie duurzaam is. Appellant kampt met een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere stoornis en heeft sinds zijn zeventiende jaar ernstige hallucinaties. Deze heeft hij nog altijd. Alleen al uit het tijdsverloop wordt de ernst en duurzaamheid van deze problematiek duidelijk. Uit de medische informatie volgt dat de manifestaties, ondanks behandeling, gelijk zijn gebleven. Ook is miskend dat appellant al voor en tijdens zijn werkzaamheden als schoonmaker geen arbeidsvermogen had en niet pas daarna niet meer kon werken.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong wordt als jonggehandicapte aangemerkt: de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Op grond van het tweede lid (voor zover hier van belang) wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a. Op grond van het derde lid wordt de ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant beperkingen als gevolg van zijn ziekte ondervond op zijn achttiende jaar, en dat hij als gevolg daarvan zijn arbeidsvermogen heeft verloren in de Wajong-relevante periode tussen zijn achttiende en 23e jaar ([geboortedatum] 2004 tot [geboortedatum] 2009). Evenmin is in geschil dat appellant ten tijde van zijn aanvraag (17 december 2019) ten gevolge van zijn ziekte niet beschikte over arbeidsvermogen. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de in artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong genoemde voorwaarde van de duurzaamheid
aan toekenning van een Wajonguitkering in de weg staat.
4.3.
De rechtbank heeft terecht het standpunt van het Uwv onderschreven dat er onvoldoende informatie beschikbaar is om te kunnen vaststellen dat het verlies van arbeidsvermogen van appellant op zijn achttiende dan wel 23e jaar reeds op dat moment duurzaam was te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht gesteld dat medische informatie uit die tijd ontbreekt, waardoor er een beperkt beeld is van de doorlopen behandelingen en de destijds nog resterende medicamenteuze behandelopties. Aangezien appellant zijn Wajong-aanvraag ver na zijn achttiende en 23e jaar heeft ingediend, en in zoverre sprake is van een laattijdige aanvraag, komt dit naar vaste rechtspraak [2] voor risico van appellant.
4.4.
Omdat appellant zijn aanvraag meer dan tien jaar na afloop van de Wajong-relevante periode indiende, zal de Raad vervolgens beoordelen of appellant alsnog als jonggehandicapte moet geworden aangemerkt op grond van het bepaalde in artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong. Op grond van die bepaling wordt immers aangenomen dat het arbeidsvermogen – als dit tussen het achttiende en 23e jaar verloren is gegaan – duurzaam ontbreekt als het verlies van arbeidsvermogen vervolgens langer dan tien jaar aaneengesloten heeft voortgeduurd.
4.5.
De rechtbank heeft – onder verwijzing naar de onder 4.3 vermelde rechtspraak van de Raad over laattijdige aanvragen – geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tien jaar lang onafgebroken geen arbeidsvermogen heeft gehad. De Raad merkt op dat de rechtspraak over de bewijslast en risicoverdeling bij laattijdige aanvragen ziet op situaties waarin de medische beperkingen van een betrokkene door de late aanvraag niet meer met zekerheid zijn vast te stellen. In het geval van appellant heeft het Uwv echter, ondanks dat appellant zijn Wajong-aanvraag ver na zijn achttiende en 23e jaar indiende, kunnen vaststellen dat het arbeidsvermogen van appellant in de voor de Wajong relevante periode verloren moet zijn gegaan.
Algemene overwegingen over artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong
5. De Raad ziet geen aanleiding de onder 4.3 genoemde rechtspraak over laattijdige aanvragen onverkort toe te passen bij de beoordeling of een betrokkene alsnog als jonggehandicapte moet worden aangemerkt op grond van artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong (hierna: de 10-jaarsperiode). Het gaat hier om betrokkenen bij wie het Uwv heeft vastgesteld dat zij niet beschikten over arbeidsvermogen in de voor de Wajong relevante periode, en bij wie dient te worden beoordeeld of zij vervolgens tien jaar onafgebroken niet over arbeidsvermogen hebben beschikt. Omdat een betrokkene pas na afloop van de 10jaarsperiode een dergelijke aanvraag kan indienen, noodzaakt dit tot het beoordelen van het arbeidsvermogen over een periode die tien jaar teruggaat in de tijd. Dat hierdoor in voorkomende gevallen niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld of in die periode wellicht sprake is geweest van periodes van zodanige verbetering van de belastbaarheid dat een betrokkene daarmee (tijdelijk) weer beschikte over arbeidsvermogen, vloeit in zo’n geval niet voort uit een laattijdige aanvraag, maar uit de door de wetgever gemaakte keuze om de afwezigheid van arbeidsvermogen gedurende een periode van tien jaar bepalend te laten zijn. De wetsgeschiedenis geeft geen aanknopingspunten, en ook overigens ziet de Raad daarvoor geen aanleiding, om eventuele onzekerheid of onduidelijkheid, voor zover die voortvloeit uit dat tijdsverloop, bij de beoordeling van de 10-jaarsperiode voor rekening en risico van betrokkenen te laten komen.
6. Het Uwv hoeft de duurzaamheid na tien jaar niet te onderzoeken maar moet nagaan of een betrokkene in de 10-jaarsperiode arbeidsvermogen heeft gehad. Periodes waarin een betrokkene gedurende de 10-jaarsperiode werkzaamheden van enige omvang heeft verricht, kunnen als zodanig een indicatie vormen dat niet onafgebroken sprake is geweest van verlies van arbeidsvermogen. Mede gelet op wat in het Compendium [3] daarover staat vermeld, zal het Uwv in zo’n geval niet kunnen volstaan met de enkele constatering dat er in de 10-jaarsperiode werkzame periodes zijn geweest. Er zal dan nader onderzoek moeten worden verricht door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar wat dit werk precies inhield, en of de betrokkene op basis van zijn functioneren tijdens het werk voldoet aan de criteria voor arbeidsvermogen. Dit stemt overeen met de werkwijze van het Uwv, zoals neergelegd in de interne notitie ‘aannemen duurzaamheid na tien jaar aaneengesloten geen arbeidsvermogen bij Wajong 2015’ van de divisie Sociaal Medische Zaken, centraal expertisecentrum, van het Uwv van 11 september 2023, die ter zitting door het Uwv desgevraagd is overgelegd. Daaruit blijkt dat een diepgaand onderzoek naar de aanwezigheid van arbeidsvermogen gedurende de 10-jaarsperiode alleen plaatsvindt als er gedurende die periode relevante feiten of indicaties zijn, zoals werk of opleiding. In dat geval onderzoeken de arbeidsdeskundige en verzekeringsarts op basis van het functioneren van de betrokkene tijdens het werk/de opleiding of hij voldoet aan de criteria voor het aannemen van arbeidsvermogen. De Raad merkt op dat ook hier als uitgangspunt geldt dat eventuele onduidelijkheid of onzekerheid over het functioneren van een betrokkene, voor zover dat voortkomt uit het feit dat er over een periode van tien jaar terug gekeken moet worden, niet voor risico van een betrokkene dient te komen.
Toepassing van het vorenstaande op de zaak van appellant
7. In beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de Uwv-systemen geraadpleegd over het arbeidsverleden van appellant. Daaruit blijkt dat appellant vanaf mei 2009 tot en met november 2010 heeft gewerkt als schoonmaker. Het gaat om zeven tot 22 dagen per maand waarbij appellant op werkdagen twee uur per dag werkte. De voormalige werkgever heeft tegenover de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verklaard dat de medewerkers één vast pand krijgen waarbij de schoonmaakwerkzaamheden eenmaal op de dag worden uitgevoerd. Over het functioneren van appellant is door de werkgever verklaard dat de rayonleider uit die tijd inmiddels is gepensioneerd en gegevens over deze periode zijn vernietigd. Wel is er geen ‘Z’ geregistreerd bij opmerkingen, waaruit de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er bij appellant geen sprake is geweest van ziekte/uitval in de werkzame periode. Daarnaast heeft de werkgever verklaard dat na een proeftijd altijd een halfjaarcontract wordt aangeboden, waaruit de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft afgeleid dat appellant meerdere contracten moet hebben gehad. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 22 april 2024 daaruit geen conclusies getrokken over het functioneren van appellant maar heeft zich beperkt tot de vaststelling dat er door appellant in bovenvermelde omvang is gewerkt.
8. Appellant heeft aangevoerd dat zijn voormalig stiefvader, die bevriend was met de eigenaar, hem de baan als schoonmaker had bezorgd en dat hij zijn functie van schoonmaker nooit naar behoren heeft uitgeoefend. De hallucinaties speelden hem toen al parten, waardoor hij traag en vaak afgeleid was en voornamelijk in de kantine bleef zitten in plaats van schoon te maken. Zijn stiefvader, die zijn teamleider was, hield hem de hand boven het hoofd totdat de situatie dermate onhoudbaar werd dat de dienstbetrekking werd beëindigd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een verklaring van zijn (voormalige) stiefvader van 13 december 2025 ingebracht, die dit met zoveel woorden bevestigt.
9. Nu het door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingestelde onderzoek niet de gewenste duidelijkheid heeft verschaft over het functioneren van appellant tijdens zijn werkzaamheden als schoonmaker, en gelet op wat daar gemotiveerd door appellant tegenover is gesteld, is door het Uwv onvoldoende onderbouwd dat appellant in de periode van mei 2009 tot en met november 2010 beschikte over arbeidsvermogen. Andere indicaties dat appellant op enig moment gedurende de 10-jaarsperiode heeft beschikt over arbeidsvermogen, zijn er niet. Naar het oordeel van de Raad is appellant daarom op grond van artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong aan te merken als jonggehandicapte. Op grond van artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong ontstaat het recht op uitkering dan niet eerder dan op het moment van de aanvraag (17 december 2019).

Conclusie en gevolgen

10. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Aangezien appellant op de datum van zijn aanvraag als jonggehandicapte dient te worden aangemerkt en er – gelet op het verhandelde ter zitting – geen andere wetsbepalingen in de weg staan aan toekenning van een Wajong-uitkering per die datum, zal de Raad bepalen dat aan appellant per 17 december 2019 een Wajong-uitkering dient te worden toegekend, waarbij deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
11. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1), € 2.335,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de nadere reactie na schorsing, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
12. Verder bestaat aanleiding te bepalen dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 maart 2023 gegrond en vernietigt dat besluit;
- bepaalt dat appellant per 17 december 2019 recht heeft op een Wajong-uitkering en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.535,-;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- aan appellant vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.CRvB 1 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2021:1583, r.o. 4.4.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 18 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1356, r.o. 4.6, en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477.
3.Compendium Participatiewet, p. 35.