ECLI:NL:CRVB:2026:838
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens niet geëindigde dienstbetrekking
Appellant was werkzaam bij een werkgever en raakte op 28 december 2020 door een bedrijfsongeval arbeidsongeschikt. Hij meldde zich ziek bij het UWV en verzocht om een Ziektewet-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de arbeidsovereenkomst volgens hen nog niet was beëindigd op het moment van ziekmelding.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (nul-urencontract) die pas op 1 februari 2022 eindigde. Appellant voerde aan dat de arbeidsovereenkomst feitelijk was geëindigd na het ongeval en dat hij geen werkgever meer had, maar de rechtbank volgde dit niet.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat er geen rechtsgeldige tussentijdse beëindiging was en dat het enkele feit dat appellant niet meer werd opgeroepen of geen gehoor gaf aan oproepen niet tot beëindiging leidde. De Raad verwierp het beroep van appellant en handhaafde de weigering van de ZW-uitkering per 28 december 2020.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft geweigerd omdat de arbeidsovereenkomst op 28 december 2020 nog niet was beëindigd.