ECLI:NL:CRVB:2026:806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering terugkomen op besluit weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante vroeg het UWV om terug te komen op het besluit van 18 oktober 2011 waarin haar aanvraag voor een Wajong-uitkering werd geweigerd. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven het eerdere besluit te herzien. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond, maar kende appellante wel een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, zonder proceskosten toe te kennen voor dit verzoek.
Appellante voerde aan dat zij wel degelijk nieuwe feiten had aangevoerd, waaronder ernstige psychische problematiek en verslavingsproblemen die al op jonge leeftijd speelden, en dat de beoordeling in 2011 onvolledig was. Het UWV handhaafde haar standpunt dat de medische informatie geen aanleiding gaf tot herziening.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht het verzoek tot herziening had afgewezen omdat de medische situatie op de achttiende verjaardag van appellante niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld en de informatie geen nieuwe feiten bevatte die tot herziening konden leiden. Wel oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte geen proceskosten had toegekend voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde het UWV alsnog tot vergoeding van deze kosten.
De uitspraak bevestigt daarmee het bestreden besluit van het UWV, vernietigt het deel van de uitspraak dat geen proceskosten toekende en veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten en terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: Weigering Wajong-uitkering blijft in stand; proceskostenvergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt toegekend.