ECLI:NL:CRVB:2026:752

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
24/1759 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53a PWArt. 14 EVRMArt. 1 Twaalfde Protocol EVRMArt. 30c Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-gemeld buitenlands vermogen zonder discriminatie

Appellanten ontvingen sinds 2006 bijstand en werden geselecteerd voor nader onderzoek naar niet-gemeld vermogen in het buitenland, specifiek Turkije, op basis van een project gericht op vakantiegedrag. Na internetonderzoek en onderzoek door de Attaché Sociale Zaken in Ankara bleek dat appellanten onroerend goed in Turkije hadden dat niet was opgegeven.

Het dagelijks bestuur trok de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode 2006-2010. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat de selectie van dossiers discriminerend was gericht op personen van Turkse herkomst, wat in strijd zou zijn met het discriminatieverbod en de onderzoeksgegevens daardoor onrechtmatig waren.

De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur de dossiers individueel beoordeelde en dat de selectiecriteria gebaseerd waren op objectief vakantiegedrag, niet op afkomst. Slechts 3 van de 20 nader onderzochte dossiers betroffen personen met Turkse herkomst, wat onvoldoende is voor discriminatie. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.

Appellanten kregen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak benadrukt de toelaatbaarheid van risicoprofielen bij onderzoek naar bijstand en het belang van het discriminatieverbod bij dergelijke onderzoeken.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemeld buitenlands vermogen worden bevestigd zonder dat sprake is van discriminatie.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1759 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2024, 24/1321 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats] (samen: appellanten)
het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Stroomopwaarts MVS, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 2 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een intrekking van de bijstand en een terugvordering van bijstand op de grond dat appellanten over niet-gemeld vermogen in Turkije konden beschikken. Volgens appellanten is de wijze waarop het dagelijks bestuur het dossier van appellanten voor nader onderzoek naar vermogen heeft geselecteerd onrechtmatig. Het dagelijks bestuur heeft zich in het kader van het onderzoeksproject in het bijzonder gericht op personen met een Turkse herkomst, in strijd met het discriminatieverbod. De zo verkregen onderzoeksgegevens mochten daarom niet aan het besluit tot intrekking en terugvordering ten grondslag worden gelegd. De Raad is van oordeel dat dit betoog van appellanten niet slaagt. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat het dagelijks bestuur zich in het bijzonder op personen van Turkse herkomst heeft gericht.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 maart 2026. Voor appellanten is mr. Küçükünal verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van den Berg en mr. N. Övul.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 20 november 2006 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden.
In het kader van een project ‘Onderzoek Vermogen in het Buitenland’ hebben medewerkers van Stroomopwaarts uit het bestand bijstandsgerechtigden een selectie van dossiers gemaakt voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand. Daarbij zijn de volgende stappen doorlopen:
Stap 1: Selectie van alle personen die in de periode 2016-2020 langer dan 30 dagen en/of meer dan 2 keer per jaar in het buitenland zijn geweest. Dit heeft geresulteerd in 456 dossiers.
Stap 2: Doorselectie van alle personen die in de periode 2016-2020 ten minste in 3 van de 5 jaren langer dan 30 dagen in het buitenland zijn geweest, of in 2 van de 5 jaren langer dan 30 dagen in het buitenland zijn geweest én tenminste 2 keer in 2019. Dit heeft geresulteerd in respectievelijk 28 en 27 dossiers.
Stap 3: Individuele beoordeling van de 55 dossiers waarna is bepaald of nader onderzoek moest worden gedaan door het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF).
1.2.
Appellanten zijn op basis van dit project geselecteerd. Een toezichthouder van Stroomopwaarts heeft het dossier beoordeeld en vastgesteld dat appellanten elk jaar naar het buitenland reizen, ook in de periode vóór 2016, dat er in het verleden een fraudemelding is gedaan voor het bezit van twee woningen en een bankrekening in Turkije, en dat uit bankafschriften uit 2017 blijkt dat tijdens de vakantie in dat jaar geen enkele opname van de bij het dagelijks bestuur bekende rekening heeft plaatsgevonden. De toezichthouder heeft op grond van deze vaststellingen het dossier aan het IBF overgedragen.
1.3.
Op verzoek van het IBF heeft een medewerker van het Bureau voor Sociale Zaken te Ankara internetonderzoek naar mogelijk vermogen van appellanten in Turkije uitgevoerd. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 8 juli 2020. Uit het onderzoek is gebleken dat appellanten beiden bij de afdeling onroerendezaakbelasting van de [naam gemeente] geregistreerd staan. Er wordt geadviseerd appellanten een machtiging te laten verstrekken waarmee nadere gegevens bij het kadaster en/of de afdeling onroerendezaakbelasting kunnen worden opgevraagd.
1.4.
Op 28 oktober 2020 heeft een gesprek met appellanten plaatsgevonden, waarin appellanten hebben verklaard eigenaar te zijn geweest van onroerend goed in Turkije. Naar aanleiding van dit gesprek hebben appellanten op verzoek van Stroomopwaarts een machtiging verstrekt voor het verrichten van nader onderzoek in Turkije.
1.5.
Medewerkers van de Attaché voor Sociale Zaken te Ankara (Attaché) hebben vervolgens nader onderzoek verricht naar eventueel vermogen van appellanten in Turkije. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de Attaché van 10 februari 2023. Daarin staat – kort weergegeven – het volgende. In het kadaster stond op naam van appellant van 23 juli 2002 tot 22 november 2011 en op naam van appellante van 1997 tot 22 november 2011 onroerend goed geregistreerd. Een erkend taxateur heeft de gezamenlijke marktwaarde van dit onroerend goed ten tijde van de overdracht in 2011 gewaardeerd op omgerekend € 63.307,-.
1.6.
Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het dagelijks bestuur met een besluit van 15 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 januari 2024 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten ingetrokken over de periode van 20 november 2006 tot en met 11 januari 2010 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 52.977,97. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat het vermogen van appellanten hoger was dan zij bij de aanvraag in 2006 hadden opgegeven. Er zijn geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van de bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en verdragsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Zoals ter zitting is besproken, hebben appellanten als enige beroepsgrond gehandhaafd dat de wijze waarop het dagelijks bestuur het dossier van appellanten heeft geselecteerd voor onderzoek naar vermogen in het buitenland om de volgende reden onrechtmatig is geweest. Het dagelijks bestuur heeft bij die selectie in strijd met de discriminatieverboden neergelegd in artikel 14 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM gehandeld. Dat brengt met zich mee dat uit het vervolgonderzoek verkregen onderzoeksgegevens – als verboden vruchten – niet ten grondslag aan de intrekking en terugvordering mag worden gelegd. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellanten hierover het volgende naar voren gebracht. De aanpak, zoals in 1.2 beschreven, is op zichzelf neutraal en lijkt niet in strijd te zijn met de discriminatieverboden zoals uitgelegd in de jurisprudentie van de Raad. Er is echter sprake geweest van discriminatie in wat in 1.2 is weergegeven als stap 3, waarbij van de 55 dossiers er 20 zijn geselecteerd voor nader onderzoek, waaronder het dossier van appellanten. Er zijn aanwijzingen dat het college zich bij die selectie in het bijzonder op personen van Turkse herkomst heeft gericht. Ten eerste is niet navolgbaar hoe het college is gekomen tot die 20 dossiers, omdat het college voor het bepalen van welke dossiers aan het IBF worden overgedragen geen duidelijke criteria heeft gehanteerd. Ten tweede wordt in de onderzoeksopzet al gesproken over het moeten verkrijgen van machtigingen voor eventueel vermogensonderzoek. Het werken met machtigingen is vooral relevant voor vermogensonderzoek in Turkije. Als laatste heeft de gemachtigde verwezen naar een tweetal handhavingsrapportages in andere dossiers, die hij heeft verkregen naar aanleiding van zijn WOOverzoek. [1] In die zaken waren er duidelijke aanwijzingen voor nader onderzoek, maar werd het dossier niet overgedragen voor nader onderzoek. Dit betroffen personen zonder Turkse herkomst. Dit alles sterkt het vermoeden dat het dagelijks bestuur in de praktijk zich in het bijzonder heeft gericht op personen met een Turkse herkomst. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.2.
Het dagelijks bestuur is bevoegd om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening of de voortzetting van bijstand. Dat volgt uit artikel 53a van de PW. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan uit eigen beweging worden uitgeoefend, dus ook zonder voorafgaand signaal of vermoeden. Dit is vaste rechtspraak. [2] Bij het uitoefenen van de algemene onderzoeksbevoegdheid mag een bijstandverlenende instantie in beginsel risicoprofielen toepassen. Dit is toegestaan met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing en wegens het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen. Daarbij geldt dat de bijstandverlenende instantie niet mag handelen in strijd met het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 van Pro het EVRM en in artikel 1 van Pro Protocol 12 bij het EVRM. Dit is eveneens vaste rechtspraak. [3]
4.3.
De door het dagelijks bestuur gehanteerde selectiecriteria die in 1.2 zijn weergegeven als stap 1 en 2 zijn gerelateerd aan het vakantiegedrag van de bijstandsgerechtigden. Tussen partijen is niet in geschil dat dit niet discriminatoir is. Bovendien heeft de Raad al eerder geoordeeld dat een risicoprofiel dat is gebaseerd op vakantiegedrag niet in strijd is met het verbod van discriminatie. [4] De vraag die nu voorligt is of appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat het dagelijks bestuur bij de nadere selectie van 20 dossiers in stap 3 in strijd met dat verbod heeft gehandeld door zich in het bijzonder te richten op personen van Turkse herkomst. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Dat wordt hierna toegelicht.
4.3.1.
Vaststaat dat het dagelijks bestuur alle 55 dossiers die op basis van de selectieregels zijn geselecteerd individueel heeft beoordeeld. Ook staat vast dat die 55 dossiers betrekking hebben op bijstandsgerechtigden uit allerlei herkomstlanden. Verder heeft het dagelijks bestuur ter zitting onweersproken gesteld dat ook de 20 dossiers die uiteindelijk zijn geselecteerd voor nader onderzoek, betrekking hebben op bijstandsgerechtigden uit allerlei herkomstlanden en dat zich onder die 20 dossiers slechts 3 dossiers bevonden die zagen op personen met een Turkse herkomst. Alleen al daarom kunnen appellanten niet worden gevolgd in hun stelling dat het dagelijks bestuur zich bij de individuele beoordeling van de 55 dossiers in het bijzonder zou hebben gericht op personen met een Turkse herkomst.
4.3.2.
Het enkele feit dat in de stukken melding wordt gemaakt van de mogelijkheid om machtigingen bij een bijstandsgerechtigde op te vragen leidt niet tot een ander oordeel. In de stukken wordt namelijk in het algemeen opgemerkt dat een machtiging onderzoek kan vergemakkelijken bij buitenlandse instanties die zonder machtiging geen gegevens willen verstrekken. De Raad ziet hierin niet dat er een link wordt gelegd met onderzoek in Turkije in het bijzonder. Dat geldt ook voor de door de gemachtigde ter zitting aangehaalde dossiers die niet voor nader onderzoek zijn overgedragen. Uit de verklaring van het dagelijks bestuur ter zitting en uit de overgelegde stukken volgt namelijk dat dossiers om uiteenlopende redenen niet zijn overgedragen voor nader onderzoek. In sommige dossiers was bijvoorbeeld sprake van een IOAW-uitkering, waarvoor geen vermogenstoets geldt. In andere dossiers was aan de orde dat in de betrokken landen door het IBF geen onderzoek mogelijk is.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de bijstand in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.T. Dannenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en verdragsregels

Artikel 53a, eerste lid, van de Participatiewet
1. Onverminderd artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan en de arbeidsinschakeling door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van Pro de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van Pro die wet, alsmede uit de basisregistratie personen, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – Verbod van discriminatie
Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – Algemeen verbod van discriminatie
1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
2 Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.

Voetnoten

1.Verzoek op grond van de Wet open overheid.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1229.
4.Uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1912.