Appellante ontvangt sinds 2000 bijstand en werd geselecteerd voor een onderzoek naar vermogen in het buitenland vanwege langdurig verblijf buiten Nederland. Het college verzocht haar om gegevens over een onroerende zaak in Turkije, gebaseerd op informatie van het Internationaal Bureau Fraude-informatie dat zij onroerende zaakbelasting betaalt in Turkije. Appellante weigerde de gevraagde stukken te verstrekken en haar bijstand werd daarom opgeschort en later ingetrokken.
Appellante stelde dat het onderzoek discriminerend was, gericht op Turkse nationaliteit en vakantiegedrag, en dat het college daarom niet bevoegd was om stukken op te vragen of bijstand in te trekken. De Raad oordeelde dat het risicoprofiel niet uitsluitend gericht was op Turkije of een bepaalde afkomst en dat het college terecht nadere stukken mocht opvragen. Omdat appellante niet binnen de gestelde termijnen aan haar verplichtingen voldeed, was opschorting en intrekking gerechtvaardigd.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald. De uitspraak werd gedaan door P.W. van Straalen op 26 september 2023.