ECLI:NL:CRVB:2026:633
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam verlies arbeidsvermogen op achttiende jaar
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan omdat zij op haar achttiende verjaardag geen arbeidsvermogen had. Het Uwv weigerde de uitkering omdat het verlies van arbeidsvermogen niet duurzaam was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er nog perspectief was op verbetering van de arbeidsmogelijkheden.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische klachten (angsten, depressie, PTSS) en fysieke klachten (scoliose) niet zouden verbeteren en dat het Uwv onvoldoende had geconcretiseerd wanneer herstel te verwachten was. Ook beriep zij zich op het evenredigheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat het Uwv terecht had vastgesteld dat de situatie op de datum in geding nog niet duurzaam was, mede omdat behandelingen nog moesten starten en er een reëel perspectief op verbetering bestond.
De Raad wees het beroep op het evenredigheidsbeginsel af omdat de wetgever de voorwaarden voor de Wajong-uitkering heeft vastgesteld en de rechter deze niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen zonder bijzondere omstandigheden. De fysieke klachten door scoliose stonden de beoordeling niet in de weg. Inmiddels is appellante per 5 oktober 2025 alsnog een Wajong-uitkering toegekend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het Uwv terecht de Wajong-uitkering weigerde omdat het verlies van arbeidsvermogen op het achttiende jaar niet duurzaam was.