Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:633

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/861 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a:1, eerste lid, WajongArt. 1a:1, vierde lid, WajongArt. 1a:1, derde lid, WajongArt. 4, derde lid, Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam verlies arbeidsvermogen op achttiende jaar

Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan omdat zij op haar achttiende verjaardag geen arbeidsvermogen had. Het Uwv weigerde de uitkering omdat het verlies van arbeidsvermogen niet duurzaam was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er nog perspectief was op verbetering van de arbeidsmogelijkheden.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische klachten (angsten, depressie, PTSS) en fysieke klachten (scoliose) niet zouden verbeteren en dat het Uwv onvoldoende had geconcretiseerd wanneer herstel te verwachten was. Ook beriep zij zich op het evenredigheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat het Uwv terecht had vastgesteld dat de situatie op de datum in geding nog niet duurzaam was, mede omdat behandelingen nog moesten starten en er een reëel perspectief op verbetering bestond.

De Raad wees het beroep op het evenredigheidsbeginsel af omdat de wetgever de voorwaarden voor de Wajong-uitkering heeft vastgesteld en de rechter deze niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen zonder bijzondere omstandigheden. De fysieke klachten door scoliose stonden de beoordeling niet in de weg. Inmiddels is appellante per 5 oktober 2025 alsnog een Wajong-uitkering toegekend.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het Uwv terecht de Wajong-uitkering weigerde omdat het verlies van arbeidsvermogen op het achttiende jaar niet duurzaam was.

Uitspraak

25/861 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2025, 24/6753 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op [geboortedatum] 2022 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen omdat het verlies van arbeidsvermogen op het achttiende jaar nog niet duurzaam was.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.W.J. van der Meer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Voor appellante zijn verschenen mr. Van der Meer en [naam moeder] , de moeder van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Haaften.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 2004, heeft met een door het Uwv op 18 augustus 2022 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 18 oktober 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 27 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk heeft overwogen dat behandelingen geïndiceerd zijn voor het verbeteren van de psychische klachten en beperkingen. Het ontwikkelen van basale werknemersvaardigheden is niet uitgesloten. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat geen enkele behandeling mogelijk is. Niet relevant is dat, zoals appellante stelt, haar medische situatie na de datum in geding niet wezenlijk is veranderd. Het gaat namelijk om de beoordeling op de datum in geding. Het Uwv heeft appellante terecht niet als jonggehandicapte aangemerkt en daarom terecht geweigerd haar een Wajong-uitkering toe te kennen. In verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500,- aan appellante.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarbij haar beroep ongegrond is verklaard. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv uitgaat van een onzekere gebeurtenis. Bij appellante is sprake van psychische klachten, te weten angsten, depressie en stoornissen. Ten aanzien van deze klachten is de behandeling niet succesvol, ook niet ten tijde van de beslissing op bezwaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet geconcretiseerd wanneer verbetering van psychische klachten wel te verwachten is. Deze termijn moet volgens appellante wel duidelijk zijn, waarbij zij een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel en de menselijke maat. Appellante stelt dat zij ook te maken heeft met fysieke klachten als gevolg van scoliose. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten aanzien van dit ziektebeeld ten onrechte geen beoordeling verricht van de duurzaamheid. Volgens appellante zullen deze klachten niet verbeteren.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
5.2.
Niet in geschil is dat appellante op [geboortedatum] 2022 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft omdat zij voldoet aan de voorwaarde dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
5.3.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. [1] Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [2] Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de Wet WIA), kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. [3] In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt, wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn. [4]
5.4.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
5.5.
De Raad volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn standpunt dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij appellante op het achttiende jaar nog konden ontwikkelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van de door hem in bezwaar verkregen informatie van Yulius van 16 januari 2024 overtuigend toegelicht dat de behandeling voor de PTSS bij appellante nog moet starten, zodra sprake is van een veilige woonomgeving. Door deze behandeling kan worden verwacht dat de angst- en stemmingsklachten bij appellante zullen verminderen zodat het voor haar mogelijk wordt om afspraken na te komen, hetgeen op het achttiende jaar aan basale werknemersvaardigheden in de weg staat. Anders dan appellante stelt bestaat er voor het Uwv geen verplichting om nader te concretiseren wanneer, binnen de tienjaarstermijn van artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong, een behandeling succesvol kan zijn. Naar vaste rechtspraak gaat het om de inschatting op de datum in geding, waarbij gegevens worden betrokken die op deze datum bekend zijn of nadien over die datum bekend zijn geworden. [5] Het betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op dat moment, waarbij de omstandigheid dat – achteraf bezien – die verbetering niet heeft plaatsgevonden geen rol mag spelen. Dat op een later moment is gebleken dat de behandeling bij appellante niet succesvol is geweest, doet aan de inschatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de datum in geding niet af. Op grond van die ontwikkelingen na datum in geding is inmiddels met een besluit van 11 februari 2026 aan appellante per 5 oktober 2025 alsnog een Wajonguitkering toegekend.
5.6.
Voor zover appellante de conclusies van de verzekeringsarts, die aan de toekenning per 25 oktober 2025 ten grondslag liggen, ook reeds van toepassing acht op de datum in geding, wordt zij daarin niet gevolgd. Dat de verzekeringsarts inmiddels duurzaamheid aanneemt komt met name doordat de gevolgde therapieën bij appellante niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Deze situatie was nog niet aan de orde op de datum in geding. Toen zou immers nog met een behandeling worden gestart.
5.7.
De stelling van appellante dat zij ook fysieke klachten als gevolg van scoliose heeft, die niet zullen verminderen en alleen maar erger zullen worden, maakt het voorgaande niet anders. In zijn rapport van 25 april 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar toegelicht dat de scoliose weliswaar altijd tot beperkingen zal leiden, maar deze problematiek als zodanig niet in de weg staat aan het aannemen van arbeidsvermogen. Gelet hierop bestond voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om in het kader van de duurzaamheid nader op de scoliose in te gaan.
5.8.
Het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. De voorwaarden voor een Wajong-uitkering, waaronder die van de duurzaamheid, zijn neergelegd in een wet in formele zin. Uit artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen volgt dat de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag beoordelen. Verder brengt het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet mee dat het de rechter niet vrijstaat te treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. [6] Uit het Harmonisatiewet-arrest volgt dat het toetsingsverbod ook inhoudt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan ongeschreven algemene rechtsbeginselen. [7] Dat is slechts anders als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt (contra legem-toepassing). Dit is het geval als de niet verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Van niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden is in dit geval naar het oordeel van de Raad geen sprake.
5.9.
Uit 5.8 volgt dat het de Raad niet is toegestaan te beoordelen of de voorwaarde van de duurzaamheid in de Wajong in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Aanleiding voor zogenoemde contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel is niet aanwezig, omdat geen sprake is van niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden. Voor zover appellante haar beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals ter zitting naar voren is gesteld, (mede) baseert op de wijze waarop het Uwv uitvoering geeft aan de vaststelling van de duurzaamheid in de Wajong, heeft zij deze stelling onvoldoende onderbouwd.
5.10.
Gelet op 5.3 tot en met 5.9 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat het ontbreken van arbeidsvermogen van appellante op [geboortedatum] 2022 niet duurzaam was en dat appellante daarom per die datum nog niet als jonggehandicapte was aan te merken.
Conclusie en gevolgen
5.11.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en G.C. Boot en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong
Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’
“Stap 1 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Voetnoten

1.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
2.Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.
3.Artikel 4, derde lid, van de Wet WIA.
4.Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018 en de uitspraak van de Raad van 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2483.
6.Vergelijk de uitspraken van de Raad van 17 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:792 en 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2109 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
7.HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725.